Dutch swing college

Drie Nederlandse jazzgrootheden, drie totaal verschillend opgeschreven levensverhalen, maar in elk geval één overeenkomst: ook de Hollandse jazzgeschiedenis staat bol van de fraaie anekdotes.

Aan Duke Ellington, de grootste jazzcomponist van de 20ste eeuw, zijn een half dozijn grondige biografieën gewijd, en zelf voegde hij er een levensverhaal vol zwierige dooddoeners aan toe: Music Is My Mistress. Trompettist Miles Davis publiceerde tegen het eind van zijn leven een autobiografie met rauwe bekentenissen, die het werk van zijn eerdere biografen op essentiële punten aanvulde.

Waar schieten we meer mee op: de kunstenaar die zijn eigen verhaal vertelt, of de onderzoeker die uitpluist hoe het zat?

Het is een vraag die zich ook aandient bij drie recente levensverhalen van Nederlandse jazzmuzikanten: de arrangeur, bandleider en arts Boy Edgar (1915-1980), de van origine Deense bassist en tekenfilmer Børge Ring (1928) en slagwerker John Engels (1935).

Alleskunner

De journalisten Marie-Claire Melzer en Marieke Klomp schreven samen Boy Edgar - Het dubbelleven van een alleskunner. Een welkom boek, want zoals de auteurs zelf betogen: elk jaar weer duikt zijn naam op bij de uitreiking van de Boy Edgar Prijs, terwijl steeds minder mensen weten wie hij was. Edgars honderdste geboortedag (31 maart) is overigens met nog een uitgave gememoreerd: bij het Nederlands Jazz Archief verscheen een cd met onbekende live-opnamen van Boy's Big Band, Return.

Een alleskunner, zoals de ondertitel van de biografie stelt, was George Willem Fred 'Boy' Edgar waarschijnlijk niet. Wel een briljante geest die in twee werelden tegelijk carrière maakt, in de medische wetenschap en in de muziek. Op beide terreinen bereikt hij de top. Hij promoveert cum laude als neuroloog en zijn orkest dringt door tot in het New Yorkse mekka, Carnegie Hall. Maar hij leeft zo rusteloos en ongeordend - 'Boy gaat aan zijn eigen vaagheid ten onder', zegt een collega - dat al het succes hem weer ontglipt.

Melzer en Klomp brengen dit kleurrijke maar ook getroebleerde leven gedetailleerd in kaart. De biografie begint met een reconstructie van Edgars Armeense wortels (zijn achternaam is afgeleid van Yedgarian) en voert via een aanvankelijk in weelde doorgebrachte kindertijd in Amsterdam - ruw beëindigd door de beurskrach van 1929 en de plotselinge dood van zijn vader - naar zijn eerste stappen als jazztrompettist.

Edgar is geen virtuoze instrumentalist, maar hij bezit een aangeboren muzikaliteit en verstaat de kunst met weinig noten veel effect te sorteren. Zijn charme en organisatietalent komen hem ook van pas. Nadat hij in 1935 als beginneling is ingevallen bij The Moochers, werkt hij zich al snel op tot arrangeur, leider en manager van het orkest. In 1938 boekt het Haagse ensemble een klinkende overwinning op het internationale jazzconcours in Brussel, met een extra solistenprijs voor Edgar. 'Ik was een van de beste trompettisten van Europa, maar kon geen noot trompet spelen', zegt hij zelf met enige overdrijving.

Probleemloos is Melzers en Klomps weergave van Edgars vooroorlogse periode niet. Passages over zijn muzikale vorderingen of over zijn verzetswerk als beginnend huisarts worden ingebed in wel erg omstandige uiteenzettingen over de jazz in de jaren dertig of de jodenvervolging in bezet Nederland, met als gevolg dat Edgar herhaaldelijk spoorloos verdwijnt in zijn eigen biografie.

Ooggetuigen

Dat gaat een stuk beter in de latere hoofdstukken, waar de auteurs meer ooggetuigen aan het woord kunnen laten (onder wie de muzikanten Hans Dulfer, Ado Broodboom, Theo Loevendie, Martin van Duynhoven) en ook putten uit de herinneringen van dochter Jane Edgar aan haar warme en liefhebbende, maar ook zelden aanwezige en drankzuchtige vader.

Edgars bigband beleeft zijn beste jaren tussen circa 1964 en 1974, als zijn 'ontwapenende liefde voor het onverwachte' soms muzikaal ontspoort maar even vaak een orkestklank oplevert waarvan je - in de woorden van saxofonist Hans Dulfer - 'steil achterover slaat'. Het orkest profiteert van vaste engagementen in het Concertgebouw en het Shaffy Theater, en de samenwerking met Nina Simone, Ramses Shaffy en Gerrie van der Klei maakt hem ook buiten jazzkringen bekend. In 1973 is hij het middelpunt van Sonja Barends tv-show Een leven in beeld en hetzelfde jaar is hem een rolletje als arts vergund in de speelfilm Frank en Eva van Pim de la Parra.

Maar Edgars nonchalance leidt ook tot ergernissen en decepties. Wat een hoogtepunt had moeten worden, het eervolle optreden bij Duke Ellingtons 75ste verjaardag op 26 april 1974 in Carnegie Hall, loopt door de slechte voorbereiding uit op een rommelig fiasco. Droog commentaar van een New-Yorkse jazzfan na afloop: 'Moest hij daar helemaal de oceaan voor oversteken?'

Tintelende humor

Børge Ring had geen ghostwriter nodig voor Een weergaloos leven in muziek en tekenfilm. De Deense, sinds 1952 in Nederland wonende tekenfilmer maakte animaties voor The Curse of the Pink Panther en live-concerten van Pink Floyd, maar wordt vooral geassocieerd met de tekenfilm Anna & Bella, die hem in 1985 een Oscar opleverde (tragedie: het bijbehorende beeldje gaat verloren als in 2012 zijn Brabantse woonboerderij in de as wordt gelegd).

Maar de intussen 94-jarige tekenaar speelde ook jarenlang contrabas, onder anderen bij de ook in Nederland geliefde jazzviolist Svend Asmussen, en kan terugkijken op ontmoetingen met grote bas-collega's als Ray Brown en Niels-Henning Ørsted Pedersen.

Ring vertelt er met aanstekelijk plezier over, en het is maar goed dat hij alles in eigen hand houdt: hij blijkt een schrijver die met weinig woorden raak schiet. Het beste op dreef is Ring in de evocatie van zijn kinderjaren op het Deense platteland, die zeldzaam fris tot leven worden gewekt. Zou het toeval zijn dat de tintelende humor herinnert aan Le Petit Nicolas van René Goscinny, de schrijver met wie hij in 1968 samenwerkt voor de tekenfilm Astrix en Cleopatra?

Toch laat Rings boek ook een latent nadeel zien van de autobiografische vorm. Bij de verrassend grimmige afrekening met zijn collega Gerrit van Dijk ('klein en opdringerig') en diens echtgenote, de producer van Anna & Bella ('ze was goed in broodjes smeren'), vraag je je toch af of er nog een andere kant aan het conflict zit. En de talrijke muzikale anekdoten klinken vast reuze onderhoudend als Børge ze vertelt met een glas erbij (op het North Sea Jazz Festival bekent hij kornettist Ruby Braff dat hij 'eigenlijk' tekenfilmer is, waarop die riposteert met 'ja hoor, en ik ben hersenchirurg') - op papier doen zulke uitsmijters het toch minder goed.

Roerend portret

Aan sterke verhalen is ook geen gebrek in Hé vogel, wanneer spelen we weer?, het 'muzikale verhaal' van slagwerker extraordinaire John Engels, die op z'n tachtigste nog het liefst elke dag speelt, altijd 'tweehonderd procent' inzet vraagt en desnoods Ik zag twee beren broodjes smeren nog aan het swingen krijgt.

Hier worden de anekdoten in goede banen geleid door jazzjournalist Jeroen de Valk, die eerder een veelgeprezen, ook in het Engels, Duits en Japans verschenen biografie schreef van trompettist Chet Baker. De Valk omkleedt Engels' woorden met verhelderende analyses en herinneringen van leerlingen en vakgenoten, waarbij hij niet de verleiding kan weerstaan ook zichzelf als amateurbassist het verhaal binnen te smokkelen.

Het levert een roerend portret op van 'een natuurtalent bij de gratie Gods', die zichzelf 'een beetje woorddoof' noemt en interviewvragen het liefst zou beantwoorden met een welsprekende roffel op zijn trommels.

Het resultaat is te beknopt om een compleet levensverhaal te noemen, al wordt de tekst verrijkt met de complimenten van illustere collega's (Wynton Marsalis: 'This drummer, he has the real swing') en een royale portie foto's, waarin we Engels ontspannen grijnzend zien poseren met vakbroeders als Chet Baker, Max Roach en Elvin Jones.

Hoe hij het klaarkrijgt op zijn tachtigste nog net zo soepel en intens te spelen als in zijn jonge jaren? Collega-drummer Pierre Courbois (75) weet hoe het zit: 'John is nooit aan de computer gegaan. Vooral de muis is héél slecht voor je armen en schouders.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden