Dun mixt kunst en kitsch

Componist Tan Dun slaagt erin het opperste raffinement te combineren met een volledig over de schreef gaan. En niet zelden gebeurt dat simultaan.

De componist Tan Dun, die veel China in zijn muziek had zitten toen hij naar het Westen verhuisde, stopt er steeds meer van het Westen in nu hij weer in China woont. Maar tegelijkertijd dwingt hij je tot een voortdurende heroverweging van wat nu eigenlijk Westers is, en wat Chinees.

Neem het jongste, drukbezochte programma van het Koninklijk Concertgebouworkest. Het bood nieuwe Tan Duns (twee Nederlandse premières), werd uitgevoerd zonder pipavirtuozen of andere Chinese hulpkrachten, en het dwong de bezoeker bovendien zijn idee van smaak en wansmaak te herzien.

Want het Westen, dat is voor Tan Dun niet alleen het suizelende bijna-niets van een John Cage of het verfijnde muzikale al fresco van een Debussy (of een Bartók, of een Ravel, subtilici die raad wisten met exotisme). Voor Tan Dun is het Westen ook Hollywood en hatsekidee. Ofwel: vette strijkersmelodieën en soorten van patsboem. Daarnaast klonken er uitroepen uit de vechtsportpraktijk zoals Hu-Hoo!, respectievelijk Aho-Héé!!, van solisten en groepen binnen het KCO.

Dat hier geen sprake was van eenzijdige interpretaties aan de kant van het KCO, viel aan te nemen omdat Tan Dun zelf dirigeerde – en dat met zicht-en voelbaar gezag. Voor de solopartij van zijn vorig jaar voltooide pianoconcert The Fire had hij zijn landgenoot Lang Lang bij zich, een wonderinterpreet voor wie kunst en kitsch probleemloos in elkaars verlengde liggen. Lang begon zijn optreden met vier preludes van Debussy, en zette daarbij een paar van zijn voornaamste specialiteiten in: theatraliteit en een sterk geprofileerd onderscheid in de klankkleuren. Voor die magie werd de tol betaald van een uit z’n verband getrokken ritmiek, een attitude waarmee Lang in La fille aux cheveux de lin nog charme overbracht, maar in het afsluitende Minstrels afdaalde naar een soort marionettenkarikatuur.

Dit yin en yang, van opperste raffinement in combinatie met een volledig over de schreef gaan – niet zelden simultaan – bleek ook kenmerkend voor het aan Lang opgedragen pianoconcert. Tan Dun tovert met een pianissimo van gongs, tamtams, pauken en contrabassen, en knalt er gelijktijdig een love song tegenaan in de vorm van een verbluffend goedkope trompetmelodie. Op een typisch ‘tandunisme’ als watergeluid in de strijkers moet hij diepgaand hebben gestudeerd. Aan de finale versnelling, opgesierd met acht keer boem van een hele pianisten-onderarm op het klavier, gaat een subtiliteit vooraf met drie trombones, waarvan twee met demper spelen en een zonder.

Zo bleek het alleszins mogelijk je gewonnen te geven voor Lang en Dun. Want lekker klonk ook het KCO – niet in de laatste plaats de twaalf cellovirtuozen die in Four Secret Roads To Marco Polo (uit 2004-2007) de centrale positie innamen, deden alsof ze erhu-spelers waren, improviseerden en ook nog Ahuu riepen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.