Duistere ‘Daphne’ verontrust vooral

Peter Konwitschny..

AMSTERDAM Over het gebruik van filtersigaretten bij de oude Grieken is weinig bekend, maar hun zonnegod Apollo paft er bij de repetities van de Nederlandse Opera menig rokertje doorheen.

Het bacchanaal in Richard Strauss’ opera Daphne is in de regie van Peter Konwitschny een complexe groepsscène, die vaak over moet. De sigaret waarmee de god (Scott MacAllister, tenor) zijn geluk completeert na het ontmaagden van het herderinnetje Daphne (Juanita Lascarro, sopraan), luidt hysterische kettingreacties in, waarin links een fles in de reet van een zuiplap verdwijnt, rechts de drank over het toneel spat, en ginds de ontredderde Daphne in een furieuze dans rond rent, haar rokje optrekt van haar geschonden lijf en prompt een muilpeer van haar vader incasseert.

Daphne, opera over een natuurminnares die niets van mannen moet weten, zelfs niet van een (vermomde) Apollo. Ze ontwijkt zijn kus en krijgt uiteindelijk toestemming te veranderen in een laurierboom. Was dit niet een Strauss-opera die nergens over gaat, behalve over een sopraan die haar liefde voor koolwitjes bezingt in subliem georkestreerde monologen?

‘Ik was vertwijfeld’, zegt Peter Konwitschny (62). De ‘nonsens’ in Strauss’ weinig gespeelde Daphne, in 1938 gecomponeerd op een libretto van Joseph Gregor, deed Konwitschny aanvankelijk besluiten het stuk terug te geven, toen de Opera van Essen hem aanzocht voor een productie anno 2000.

‘Maar toen ik er in doordrong, bedacht ik me. Dit is geen saaie schoonschijn voor Griekofielen. In de scène van Apollo en Daphne zit een indrukwekkend orkestraal tussenspel. Duister en verontrustend. Voor mij staat vast dat Apollo haar daar te grazen neemt. Keer de boel om en je merkt: Daphne gaat over een individu dat zich niet kan aanpassen aan een geestloze samenleving, en daar vreselijk voor moet boeten. Zij is de enige voor wie je sympathie hebt.’

Het Arcadië dat Strauss in het Duitsland van de nazi’s op muziek heeft gezet, zo analyseert de ‘vertrapper van Duitse waarden’ Konwitschny (zoals hij door sommigen in Duitsland is genoemd), is een ‘verworden, westers-patriarchale civilisatie, waar een vrouw niets in te brengen heeft en een leven niet meer telt’. ‘Iemand wordt boom. Die houdt op mens te zijn. Ik noem dat terreur, concentratiekampachtig.’

Zo loopt Strauss’ herdersprinses, jaren na Konwitschny’s voorstellingen in Essen, nu ook in Amsterdam door het 20ste-eeuws uitgemonsterde decor van de ontwerper Johannes Leiacker. Omringd door tronies die haar door kierende deuren gadeslaan, en betutteld door een bezopen moeder die ook haar aan de drank wil hebben.

Konwitschny’s paardestaart wappert mee, als hij zich tussen koorleden mengt om met eindeloos geduld ieders individuele gedragingen te profileren (‘Ik ben geen regisseur die vanaf de zijkant naar een collectief schreeuwt’).

Het is Harry dit en Frank dat. Konwitschny kende de namen en gezichten van alle Amsterdamse koorzangers al uit zijn hoofd voor hij zelf zijn gezicht liet zien. Vrucht van voorbereidende studie in een op zijn verzoek samengesteld smoelenboek. Hij laat de klapper zien. ‘Dit werkt sympathieker en effectiever. Ik ben nu alweer bezig met alle namen van de Opera in Basel.’ Die speelt zijn enscenering van Léhars Das Land des Lächelns. ‘Géén Chinese operette, haha. Dat vergnügte geglimlach, dat is Wenen. Hypocrisie van hier en nu.’

Soldatenkadavers dansten in Konwitschny’s Dresdense enscenering van Kálmáns operette Die Csardasfürstin. Vrouwen met spinnewielen in Wagners Fliegende Holländer werden fitnessdames op hometrainers. In Wagners Lohengrin regeerde een stokzwaaiende bovenmeester (koning Heinrich) over zeeverkenners en gymnasiasten met houten zwaardjes.

Relativering en omkering zijn de werktuigen van de voormalige ‘Ossi’ en assistent van het Berliner Ensemble Konwitschny. Zijn cocktails van onderkoelde humor en rauwe overdrijving waren goed voor de Berlijnse theaterprijs 2005, en vijfmaal goed voor de onderscheiding ‘regisseur van het jaar’ van het tijdschift Opernwelt.

In Richard Strauss, een coryfee van de nazi’s die het met nazi’s aan de stok kreeg, ziet hij ‘een mens die de barbarij om hem heen niet verdroeg, maar er ook niet tegen ageerde. Strauss trok zich terug in de bergen. Letterlijk en figuurlijk. Hij verschanste zich in de Alpen en in de arabesken van zijn muziek.’

Ook in Dahpne gaan Strauss’ thema’s voor een goed deel schuil achter zijn harmonische modulaties, vindt Konwitschny. Feministische thema’s? Ecologische? ‘Er bestaat een fantastisch gezegde, helaas niet van mij maar van Heiner Müller: een stuk is altijd intelligenter dan zijn auteur.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden