Beschouwing Horrorfilm Us

Dubbelgangers en emotieloosheid: de beeldspraak van horrorfilm Us verklaard aan de hand van Invasion of the Body Snatchers

Het is moeilijk om het over Jordan Peeles griezelparabel Us te hebben zonder de boel te spoilen. Dus doen we dat met behulp van die andere film vol mensdubbelgangers, een van de vele films waar Us stevig naar knipoogt: Invasion of the Body Snatchers. 

Invasion of the Body Snatchers, 1956. Beeld rv

In de trailer van Jordan Peeles nieuwe horrorfilm Us zit een vrolijk, venijnig fragment waarin de regisseur en schrijver zich weer de scherpzinnige sociale-satiricus betoont die de kijker met zijn eerdere genreklassieker Get Out (2017) van de bioscoopstoel blies.

Op de oprijlaan van het vakantiehuisje van een vriendelijk zwart bourgeoisgezin staan vier vreemdelingen als onheilspellende silhouetten, dreigend hand in hand. De vriendelijke, tikkie uitgezakte vader voelt zich, licht onzeker, geroepen om te proberen het viertal van het erf te jagen – met een knuppel in de hand, mochten de vreemdelingen de boodschap onduidelijk vinden. Wanneer de griezels daarvan weinig onder de indruk blijken, schakelt hij soepel over op een vocabulaire dat we nog niet van hem hadden gehoord, een zwarte-rappersmachismo dat niet bepaald past bij zijn zachtaardige middenklassehumeur – inclusief kortaangebonden knikjes en fixerende blik: ‘If you wanna get kray-zee… we can get kray-zee!’ 

Het is een even geestige, lichtvoetige als wrange sneer naar het stereotype van een verondersteld soort zwarte mannelijkheid en naar de bijna beklemmende onontkoombaarheid van dat cliché. De zenuwachtige spanning van de scène – je moet de hele film zien om het complete ongemak ervan te ervaren – maakt de kijker extra alert en dus ontvankelijk voor de satirische betekenis ervan. Je voelt de dreiging die het personage doormaakt; je doorleeft als het ware de reden waarom het personage zich opblaast als een derderangs gangsta, en dat allemaal in een tiental seconden.

Heb je een maatschappijkritisch punt te maken, dan is de genrefilm in het algemeen en de horrorfilm in het bijzonder daar een uitstekend vehikel voor. Peele weet dat als geen ander: in Get Out gebruikte hij een gevoel van verontrusting om de ene na de andere homerun te slaan in het veld van de oneindige hoeveelheid irritaties en hevige frustraties van alledaags racisme. Donker vriendje belandt in het overweldigend goedbedoelende sociaal-liberale witte milieu van zijn meisje, met alle zenuwachtigmakende awkwardness van dien – een betrekkelijk ernstig sociaal mechanisme, volstrekt vermakelijk opgediend en juist daardoor des te indringender.

Ook in Us laat Peele de kansen bepaald niet lopen om het fileermesje in maatschappelijke uitwassen te zetten. In interculturele gevoeligheden bijvoorbeeld: hetzelfde spookhuis dat in 1985 nog beschilderd is met indianenthema inclusief tooien en sjamanen, is in 2019 bijna ongemerkt overgeschilderd tot het veel politiek-correctere ‘Merlijns toverbos’. In het concurrentie-aspect in mannenvriendschappen: als de hoofdpersoon blij aan zijn vriend vertelt dat hij een boot heeft gekocht, weet die vriend met een korte doorvraagsessie nét op dat ontbrekende attribuut te komen (‘En heb je ook een alarmpistool?’) dat de nieuwbakken bootbezitter toch nog tot sukkeltje reduceert. In Hollywoodvooruitgang: het blote feit dat je je realiseert hoe gênant zeldzaam een mainstreamfilm met een zwart gezinnetje in de hoofdrollen nog steeds is.

Maar anders dan in Get Out zet Peele in Us óók in op een ander gekend middel van de griezelfilm-die-iets-te-vertellen-heeft: beeldspraak. In interviews over Us  wilde Peele er niet te dik over doen en vertelde hij dat het hem ditmaal niet zozeer om een boodschap te doen was, maar evengoed: het duurt niet lang voordat je doorkrijgt dat de film eigenlijk een parabel moet zijn. Je noemt je film natuurlijk niet voor niets ‘Us’, ‘ons’, of zelfs: US, United States. Dat heeft enige pretentie van algemene geldigheid. Het lijkt er vooral op dat Peele de kijkervaring van tevoren niet wilde verpesten door de kijkers bij voorbaat al met allerlei betekenisgeving op te zadelen. Een deel van het kijkplezier is tenslotte ook dat je zélf een beetje aan het puzzelen slaat.

Het lastige voor een stuk als dit is: je kan de mechanismen van de parabelfilm niet goed uittekenen zonder de plot te verraden. En in Us zitten nogal wat verrassingen en scherpe bochten die spoilen een nogal boosaardige bezigheid zouden maken. Om te laten zien hoe geschikt de griezelfilm is als parabel doen we daarom een stap opzij, naar Invasion of the Body Snatchers, oorspronkelijk een sciencefictionroman van Jack Finney (1955). Niet alleen omdat dit verhaal een van de eerste als parabel bedoelde sciencefictiongriezelfilms opleverde, maar ook omdat het, net als in Us, om dubbelgangers draait. Een heerlijke trailer vol paniek:

Finneys boek gaat over buitenaardse peulen die mensen dupliceren en de paranoia die daarop volgt. De duplicaatmensen zijn nauwelijks van echt te onderscheiden en slagen er daardoor bijna in de wereld over te nemen. 

Het is een variant op de ‘gothic double’, het veelvoorkomende element van de dubbelganger dat sinds de gotische horrorliteratuur een middel is om een moreel of psychisch betoog op te bouwen over de condition humaine. Een Freudiaans idee: de dubbelganger lijkt unheimlich veel op onszelf, maar bevat een uitvergrote kwalijke menselijke eigenschap, waarmee hij een personage wordt dat nauwelijks verholen kritiek op onszelf bevat. Net als Invasion of the Body Snatchers is Us vergeven van de dubbelgangers.

In het geval van de Body Snatchers is het verschil met echte mensen dat ze geen emoties kennen – geen ambitie, geen liefde, geen woede. Een vruchtbaar uitgangspunt om een maatschappelijk punt mee te maken: de roman werd dan ook vier keer verfilmd, in 1956, 1978, 1993 en 2007. En dat zijn alleen nog maar de officiële versies.

Het aardige is dat het kernverhaal van The Body Snatchers krachtig en spannend is en tegelijkertijd rekbaar genoeg om er je eigen maatschappijkritische draai aan te geven. Neem de doodenge versie van Philip Kaufman uit 1978, met een geweldige Donald Sutherland. Geheel conform de babyboomerstijdgeest die in dat decennium rondwaarde is het een pleidooi tegen het conformisme, en laat het de loodzware druk zien die het individu ondervindt om zich over te geven aan groepsdenken, aan wat iedereen al doet en vindt, met – dit zijn de post-Nixonjaren – mogelijk kwalijke gevolgen van mentale corruptie van dien.

Zoals het in dit type parabels hoort, zit ook in Snatchers ’78 zo’n typische scène waarin het morele kompas van de film wordt afgesteld, en waaraan de kijker dus kan afmeten waar die zielloze dubbelgangers metaforisch gezien voor zouden moeten staan. De scène speelt zich af op een boekpresentatie, met Jeff Goldblum op zijn Jeff-Goldblumst als springerige, eigenzinnige schrijver.

Goldblum-de-schrijver loopt geagiteerd rond op de presentatie van een collega en fulmineert over de lopende-bandkwaliteit van diens werk. In plaats van soms wel een half jaar te doen over één perfecte zin, zoals Goldblum zelf, scheidt deze verachte auteur in dezelfde tijd een heel boek af, vol met dingen die de mensen graag willen horen. En het publiek vreet het, foetert Goldblum – wat ook te zien is aan de zombie-achtige aanwezigheid van de honderden feestgangers. Boodschap: probeer jezelf te blijven en loop niet als een robot achter de massa aan, hoe groot de groepsdruk ook is en hoe moeilijk je het jezelf daarmee ook maakt – want Goldblum kan, geheel volgens het romantische ideaal van die tijd, uiteraard nauwelijks van zijn artistieke, authentieke schrijfsels rondkomen. 

De versie uit 2007, The Invasion, van Oliver Hirschbiegel (Der Untergang) ziet het gevaar van de buitenaardse duplicaatmensen net iets anders, zoals is te zien in de kernscène met hoofdpersonage Nicole Kidman, een psychiater die op een dinertje naast een cynische Russische diplomaat is komen te zitten.

De mensheid heeft maar een flinterdun laagje beschaving, stelt de Rus, en daaronder zijn we voltijds egoïstische en barbaarse wezens. Mag zijn, vind Nicole, maar: hoe dun dat laagje ook is, de mens is wel degelijk een compleet ander wezen dan, zeg, 1.000 jaar her. Kijk naar mij, zegt ze in een dialoog niet geheel vrij van bespottelijkheid, 500 jaar geleden had je nog geen postmodern feminisme, en hier zit ik! Oftewel: dat laagje beschaving is, met alle tekortkomingen die we hebben, precies wat de mensheid hoop geeft. Het zijn de alien-dubbelgangers die die beschaving inruilen voor 100 procent zielloze overlevingsdrang en dat is fout, hoe aanlokkelijk hun bevrijding van menselijke emoties (haat, oorlogszucht) ook moge lijken.

In Abel Ferrara’s verrassend gehaaide Body Snatchers (1993) doen de buitenaardsen ineens dienst als indringende aidsmetafoor. In zijn versie is de hoofdpersoon een pubermeisje - hét ultieme personage om je zorgen over te maken, als ware het je dochter die tot je schrik weleens de verkeerde keuzen op seksueel vlak zou kunnen maken. In een sleutelscène wandelt ze romantisch door het bos met de knappe piloot die ze heeft leren kennen op de legerbasis waar haar vader is komen te werken. 

Ze doen een spelletje intieme-vragenstellen (een metafoor voor dé hiv-vraag: draagt mijn bedpartner een geheim met zich mee?) dat uitmondt in een verliefde kus. Daarop zwenkt de camera naar verderop in het bos, waar we voor het eerst zien dat de peulen waaruit de duplicaatmensen voortkomen zich vanuit een moeras verspreiden. In de lucht hangende seks en kliederige besmetting in één scène – op het hoogtepunt van de aidsangst in de jaren negentig was niet mis te verstaan dat deze film ging over de zieke gevolgen van de maatschappijbrede paranoia rond de toen nog ongeneeslijke aandoening.

Of?

Als je de film nu ziet, nu de aidsangst bij het grote publiek wat over het hoogtepunt heen is, kun je er ook een waarschuwing in ontwaren tegen al te heetgebakerd militarisme, bijvoorbeeld. 

En wat zou je tegenwoordig denken van déze sleutelscène, uit de eerste versie van Don Siegel uit 1956?

We bevinden ons tegen het eind van de film, als de hoofdpersoon en zijn vlam bijkans nog de enige echte mensen zijn die er in hun suburbia rondlopen. Twee van hun oude vrienden, inmiddels al getransformeerd tot peulmensen, komen hen vertellen dat hun zaak verloren is en dat de peul-staat-van-zijn alleen maar voordelen heeft, want: ‘Liefde, verlangen, ambitie, geloof, zonder dat alles is het leven zo eenvoudig, geloof me.’

Midden in de red scare van de jaren vijftig zag een groot deel van het bioscooppubliek hier een metafoor in voor de agressieve gelijkschakeling van het communisme en het gevaar daarvan. Een ander deel zag, opmerkelijk genoeg, juist een waarschuwing tegen het McCarthyisme: de hysterische Amerikaanse klopjacht op iedereen die ook maar de lichtste verdenking van communistische sympathieën op zich had geladen. Regisseur Siegel liet doorschemeren dat het hem meer om dat laatste ging en kijk je de film met die bril, dan is dat best overtuigend. Al kun je ook denken dat het beide waar is: een waarschuwing tegen het mechanisme dat de maatschappij, als die gerechtvaardigde angst voor een totalitaire dreiging voelt, op een vergelijkbaar totalitaire manier reageert. 

Het laat tegelijk de kracht en de zwakte zien van de horrorfilm-als-parabel. De parabelvertelling nodigt de kijker op talloze manieren uit om uit te vogelen wat de film ons wil vertellen en die actieve kijkhouding maakt de boodschap des te indringender. Aan de andere kant: als die puzzel tot totaal tegengestelde interpretaties kan leiden, wat heeft het dan nog voor zin er een boodschap in te stoppen?

Filmbeeld uit Body Snatchers, de 1993-versie.

In dat opzicht begeeft Us zich op een drassiger terrein dan Get Out, dat geen metafoor was, maar directe sociale kritiek. Al is Peele waarschijnlijk een te briljante filmmaker om de zaken onhelder te laten. Want hij betoont zich een meester in dat andere grote voordeel van de horror-film-als-parabel: het metaforische beeld.

In het begin van Us wordt gerefereerd aan een grootscheepse liefdadigheidsactie uit 1986, Hands across America, waarbij door het hele land mensen een snoer vormden door hand in hand te gaan staan, zogenaamd van kust tot kust, om al doende geld in te zamelen. Een actie die later bekritiseerd zou worden vanwege leegte en hypocrisie. Later in de film duikt het beeld van eindeloos hand-in-hand-staande mensen opnieuw op, op onverwachte manier. Het doet je onmiskenbaar denken aan een ander indringend beeld uit hedendaags Amerika. 

Ga de film zien en laat ons weten welk.

Reuzenmieren

Us zit, zoals het een gewiekste griezelfilm betaamt, tjokvol referenties aan andere griezelklassiekers, van Funny Games tot A Clockwork Orange tot Invasion of the Body Snatchers – ook dat is een leuke puzzel voor de kijker. En omdat de film nu eenmaal Us heet, vraag je je onwillekeurig af of er ook gerefereerd wordt aan het schoolmakende Them!, uit 1954, over door straling gemuteerde reuzenmieren. En ja hoor: het hele idee dat er iets in ondergrondse gangenstelsels rondkruipt, lijkt van die film geleend.

Lees hier de recensie van Us:

Waar Peele zijn maatschappijkritiek in Get Out kerfde met een scalpel, hanteert hij in Us de honkbalknuppel ★★★★☆
Us is niet zomaar een horrorfilm: het regent culturele referenties.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden