Droombeelden van iedere burger in vogelvlucht

Wat op de tentoonstelling Aardse Paradijzen. De tuin in de Nederlandse kunst 1770 tot 2000 het meest verrast, is dat de nadruk zo sterk op tuin ligt en niet op kunst....

Mooie schilderijen zijn er in de Haarlemse Vleeshal natuurlijk wel te zien, zoals die winterkille Tuin in de winter van Carel Willink, het zonnige Weelde van Ferdinand Hart Nibbrig en De tuin van Jacobus van Looy met zijn overweldigende zee Oostindische kers. Er hangen zelfs vijf werken van Van Gogh, van kale pastorietuinen in Nuenen tot weelderige volkstuintjes op Montmartre.

Maar het meerendeel van wat in de Vleeshal is te zien, is om andere dan puur esthetische redenen de moeite waard. Het gaat hier om de natuur en de kunst is er op een prettige manier ondergeschikt aan gemaakt. Van veel aquarellen en schetsen is het onderwerp, een park of tuin als ontwerp of in zijn volle glorie, duidelijk belangrijker dan de artistieke kwaliteiten. Die consequente aanpak van het thema maakt de tentoonstelling minder voor kunstliefhebbers een must dan voor tuingekken.

Was het eerste deel van Aardse Paradijzen - De tuin in de Nederlandse kunst, 15de tot 18de eeuw, drie jaar geleden in het Noordbrabants Museum - vooral een cultuurhistorische tentoonstelling, het tweede deel is eerder een sociaal-culturele benadering. De tentoonstelling in Haarlem toont hoe de geïdealiseerde natuur van de elite uit de zeventiende en achttiende eeuw zich ontwikkelde tot een ideaal voor iedere burger.

'De tuin als beschavingsoffensief' heet dat in de catalogus. De tuin is de afgelopen tweehonderd jaar volledig gedemocratiseerd en bereikbaar geworden voor iedereen - is het niet als stadspark, dan wel als een weelderig in struiken gestoken begraafplaats, volkstuin, rijk beboomde dierentuin, sportpark of speeltuin. Er kwamen zelfs stadswijken waarin het tuintje voor en achter als belangrijkste uitgangpunt van het stratenplan gold - de tuinsteden of -dorpen van de opkomende moderne architectuur.

Wat de tentoonstelling bijzonder maakt zijn de talrijke minutieus uitgewerkte tekeningen en aquarellen van buitenplaatsen, villa- en volksparken door vermaarde landschaps- en tuinarchitecten, vaak in vogelvlucht of als plattegrond. Veel van deze ontwerpen zullen zelden de archieven van bibliotheken of musea verlaten of berust in privécollecties. Er is door de samenstellers grondig research gedaan - dat de tentoonstelling twee jaar later klaar was dan gepland, is niet verwonderlijk.

De expositie is ingericht rond vijf thema's. 'Privé en openbaar' laat de villatuinen zien tegenover het openbaar groen, zoals het Amsterdamse Bos en het Volkspark in Enschede. De afbeeldingen variëren van schilderachtige litho's, zoals de Haarlemse architect L.J. Ritter die in 1882 maakte van zijn ontwerp voor de villawijk Het Bloemendaalsche Park, tot fotografische kleurenreproducties van originele ontwerpen zoals die van de buitenplaats Hamlet in Schoonebeek uit 1995. Maar er is ook een schilderijtje op karton van de Amsterdamse tuinarchitect Leonard Springer, een impressie van zijn eerste tuinontwerp in 1872 - als zeventienjarige mocht hij de tuin van zijn ouderlijk huis aan de Overtoom ontwerpen.

Naast een Volkskrant-cartoon van Stefan Verwey over de vernietigende sociale controle op privétuintjes, hangt een foto van het toenmalige Amsterdamse Provoraadslid Roel van Duyn, leunend tegen een auto met daktuin: zijn eigen, milieuvriendelijke variant op de 'groene golf' in de stad.

De afdeling 'Tuin en seizoenen' biedt een grote verzameling tuintijdschriften, met titels als Onze Tuinen en Buiten, en boeken van Mien Ruys (Het vaste plantenboek) en Louis Le Roy's Natuur uitschakelen, natuur inschakelen, waarin hij voor wilde tuinen pleit waarin de natuur zichzelf ordent.

Het onderdeel Kleur en droom toont de meeste moderne kunst: impressionistische en abstracte schilderijen, maar ook fotowerken van Paul de Nooijer en Paul den Hollander en een installatie van Fortuyn/O'Brien, If you go down in the woods today, waarin tuinelementen - twee poorten en twaalf bomen - teruggebracht worden tot decorstukken.

Je gaat je afvragen wat iets tot een tuin maakt. Beleef je twaalf bomen bij elkaar als een tuin? Kan een tuin ook als gedachte, slechts overdrachtelijk, bestaan? En kan een tuin een kunstwerk zijn? Fortuyn/O'Brien probeert sinds een aantal jaren daarop een antwoord te formuleren door stadsparken te ontwerpen. Bezoekers van Aardse Paradijzen krijgen genoeg informatie om daarin mee te kunnen denken.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden