Boekrecensie Dagboek van Meneer B.

Drie seconden verliefdheid in jaren van tegenwind: Alfred Birney bedrijft een vermakelijk soort verbaal lummelen ★★★★☆

Voordat Alfred Birney glorieerde met De tolk van Java bracht hij jaren sappelend in de luwte door, waarover hij vermakelijk schrijft in zijn Dagboek van Meneer B.

Beeld Max Kisman

Dat was een glorieus moment, toen Alfred Birney (1951) de Libris Literatuur Prijs 2017 won voor zijn semi-autobiografische roman De tolk van Java, de culminatie van dertig jaar schrijverschap. Het grote verhaal over zijn moeizame jeugd, waarin hij als 13-jarige werd ‘gedeporteerd’ naar internaten, omdat het thuis niet meer ging, door toedoen van zijn agressieve en getraumatiseerde vader met wie hij een leven lang in de weer is geweest, ook twintig jaar na diens dood.

Herinnering aan een herfstliefde

Aan de jaren van sappelen in de luwte leek twee jaar geleden een einde gekomen, al bleef Birney ook na het verkoopsucces en de feestelijke signeertournee niet gespaard voor de ernstige hartproblemen waar hij al jaren aan leed. Als om ons en zichzelf te herinneren aan de lange jaren van voorbereiding verschijnt nu Niemand bleef, het dagboek dat ‘Meneer B’ bijhield in de jaren 2005-2011. Vrijgezelle vijftiger in Den Haag, twee kinderen, een dochter die hij niet ziet en een puberzoon die hij geregeld in huis heeft, een man die moet leven van reclameteksten in opdracht, een schrijver die op de fiets naar Scheveningen en in de supermarkt goed kijkt – en niet alleen naar de lucht, de zee, de haring en de boodschappen, maar ook naar de heupen en billen van jonge meisjes, op pleintjes en achter de kassa. Zou er nog een nieuwe liefde in zitten voor deze al wat oudere man, of moet hij het hebben van herinneringen aan de vele voorbije liefdes, die misschien wel mooier zijn dan die liefdes zelf waren? ‘Zelfs de herinnering aan een herfstliefde kan mooi zijn, tenzij het buiten zo guur is als de afgelopen dag. Het plein was van de wind, niet van de mensen. Gail en Rachel kwamen in de herfst van 1970. De winter bracht blues en jaloezie, geen jas was warm genoeg. Ik verloor hen uit het oog in de vroege lente van 1971. Mijn lied over deze twee Amerikaanse meisjes begon dus in de herfst en eindigde in het voorjaar. Geen lied voor klassieke tenoren, eerder een popsong die nooit doorbrak.’

Alfred Birney: Niemand bleef

Het is een vermakelijk soort verbaal lummelen dat Birney hier bedrijft, hij laat ons de jaren zien waarin hij permanent tegen de wind in moest fietsen, in zijn eentje en met een zwak hart, schrijvend maar vooral de dijkdoorbaak verbeidend die De tolk van Java zou betekenen. Zoals filmacteurs altijd beweren dat hun werk grotendeels uit wachten bestaat, de uren die ze wel klaar moeten zitten maar waarin niet wordt gedraaid, zo is schrijven voor bepaalde auteurs vooral geconcentreerd wachten op het ware schrijven, met een sigaretje in het raamkozijn zitten en naar buiten koekeloeren, op het oog niets uitvoerend maar beschikbaar blijvend voor de muze die zich vaak goed verbergt en zich pas aandient als ze daar ten langen leste zin in heeft.

Winterdepressie

Om zich een houding te geven noemt Birney zich Meneer B, een man die depressief door het leven scharrelt, lezend in Modiano (herinneringskunstenaar) en Japanse klassiekers (die met een fijn penseel de natuur en de liefde schilderen), die klaagt over het Hollandse hondenweer, die in de buurt van de Scheveningse gevangenis de markante schrijfster Helga Ruebsamen ziet fietsen (en dat kan heel goed, ze gaf daar schrijfcursussen aan delinquenten), en die zelf niet in de gaten heeft dat zijn altijd verzorgde en behaagziekvrije gemopper hem buitengewoon sympathiek maakt.

Op zekere morgen in augustus 2007 vreest hij voor een nieuw hartinfarct, en besluit te gaan fietsen, richting Scheveningen. Een zonloze dag. ‘Toen opeens, nadat ik rechtsaf was geslagen richting zee, zag ik haar mij tegemoetkomen. Iemand. Ze liep naast haar vriend, maar die deed er helemaal niet toe. Onze ogen hadden elkaar gevonden en hielden elkaar lang vast, zo lang totdat het niet meer kon, omdat ik nu eenmaal door moest fietsen. Haar ogen waren doorschijnend, ze glinsterden als sterren, waren leeg en vol tegelijk. Ik weet niet wat ik erin zag, of wat zij in de mijne zagen, er was alleen die raadselachtige, zeldzame herkenning van twee mensen die elkaar passeren, drie seconden van hevige verliefdheid doormaken en elkaar dan nooit meer terugzien.’ De kennismaking kon niet korter zijn, zou Piet Paaltjens zeggen in het gedicht ‘Aan Rika’ uit Snikken en grimlachjes (1867), dat begint met: ‘Slechts éénmaal heb ik u gezien’. Lachwekkende romantiek? In het geheel niet. Het kunnen kervende momenten zijn, om nog lang op te teren.

Begin januari 2011 probeert Meneer B. uit zijn winterdepressie te kruipen. In de vroege ochtend staat hij op zijn balkon te roken. Beneden ziet hij het krantenmeisje geluidloos haar werk doen. Muts, gekleurde jas, broek. Het zou een jongen kunnen zijn, maar daar beweegt ze te vrouwelijk voor. Misschien een studente. ‘Ik zag haar al eens eerder en bewonder haar. Ze kijkt niet op of om, ze doet haar werk, stil, secuur, alleen.’ Soms is oogcontact niet eens nodig voor een besef van herkenning. Zoals het krantenmeisje te werk ging, heeft Alfred Birney zelf ook vele jaren aan zijn schrijftafel gezeten.

Niemand bleef – Dagboek van Meneer B. 2005-2011

Alfred Birney

Dagboek

Vier sterren

De Arbeiderspers; 359 pagina’s € 24,99.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.