LijstjesHigh fidelity

Door Spotify is de grens tussen foute en deugende muziek verdampt

Sander Donkers herlas de ultieme muziekroman High Fidelity (1995) en verbaast zich over de popfans van toen.

John Cusak als de alles in lijstjes gietende popliefhebber in High Fidelity.

Ik dacht dat ik er al heel lang totaal, volledig en compleet overheen was gegroeid, wat op je 52ste natuurlijk ook hoog tijd is, maar toen kwam het virus dat alles veranderde en keerde Het Lijstje in volle hevigheid terug in mijn leven (top-3 van gebeurtenissen in mijn bestaan die me deden beseffen deel uit te maken van de wereldgeschiedenis: 1. de val van de Muur 2. 11 september 3. met stip: corona).

Het speelde zich af op sociale media, met die merkwaardige, ietwat hypocriete omweg die de mores van de online wereld verlangen: via een ‘challenge’. Het is niet langer oké om je voorkeuren in lijstjesvorm ongevraagd op Facebook te slingeren, je moet ertoe worden ‘uitgedaagd’. Plechtig zeggen: ‘Mij werd de taak toebedeeld om tien albums te kiezen die mijn muzieksmaak het meest hebben beïnvloed’, en dan roepen: ‘Challenge accepted!’ Ja, me neus. Een hoogwerker huren om je oma even in de ogen te kunnen kijken, dát is een uitdaging. Wachten tot iemand je vraagt om over je favoriete platen te bomen, zoiets heet een excuus.

Maar het plezier was er niet minder om. In die vreemde periode waarin iedereen opeens thuis zat met te veel tijd omhanden wemelde het plotseling van de lijstjes van lievelingsplaten of -films, memorabele concerten en  bewonderde voetballers. Verhaaltje erbij, en daar dan over ouwehoeren, het er enorm mee oneens zijn, verontwaardigd reageren op andermans keuzen en soms iets moois ervan opsteken. Ik haakte gretig in, kreeg véél meer reacties dan ik normaal op mijn posts krijg en was er uren en uren zoet mee.

Wat het me opleverde? Fuck all natuurlijk, behalve dan de zware taak om binnenkort een bekende popprofessor te kidnappen, vast te binden aan een stoel en net zolang te bestoken met Astral Weeks, Moondance en Tupelo Honey  tot hij zijn dwalingen wat betreft de schoonheid van de stem van Van Morrison ten volle inziet (je bent nergens veilig, Leo B.).

Ik kon niet eens beweren dat het me van de straat hield, want dat deed het virus zelf al. Maar het was een prettige manier om met de buitenwereld in contact te blijven. Alsof je toch in het café zat, maar dan, eeh, anders. Sowieso tierde de nostalgie ineens welig, want iedereen was aan het opruimen geslagen. ‘Kijk nou eens wat ik tegenkwam: het concertkaartje van Prince in Galgenwaard!’ En hup, daar gingen we weer: beste Prince-plaat, -nummer, -concert. Around The World In a Day? Hoe kún je het zeggen?

Een en ander bracht me ertoe om Nick Hornby’s High Fidelity weer eens uit de kast te trekken, hét standaardwerk over mensen (beter: mannen, nog beter: jongens) met een complexe relatie tot popmuziek (Barry Levinsons film Diner, uit 1982, is een goede tweede) en tevens het startschot van een genre dat ‘lad lit’ werd genoemd. Toen het in 1995 verscheen was het onmiddellijk mijn bijbel. Zeggen dat ik me identificeerde met de personages is zwak uitgedrukt. Het had misschien chiquer geklonken om te beweren dat ik karakterologische overeenkomsten bespeurde met Goethes jonge Werther of Salingers Holden Caulfield, maar ja, ik zag gewoon zorgwekkend veel letterlijke overeenkomsten tussen mijn toenmalige zelf en hoofdpersoon Rob, een niet al te volwassen eigenaar van een slechtlopende platenzaak die op de eerste pagina zijn liefdesverdriet poogt te ontkennen met de vaststelling dat zijn kersverse ex niet eens voorkomt in zijn ‘Desert Island, All-Time, Top Five most memorable split-ups, in chronological order’. ‘Zie je jouw naam in dat rijtje, Laura? Ik vermoed dat je net de top-10 zou halen, maar in de top-5 is voor jou geen plaats.’

Haha, dacht ik. Die zit, Laura.

Popmuziek in lijstjesvorm als ordenend principe in het leven. Het immense belang van het maken van compilatiebandjes voor een nieuwe liefde, met alle regeltjes die daarbij komen kijken (geen ‘zwarte’ en ‘witte’ muziek door elkaar, hooguit gescheiden door kant A en B, geen twee liedjes van dezelfde artiest, ténzij je de hele tape in ‘paartjes’ samenstelt. Hornby: ‘Oh, there are lots of rules.’ Ik: ‘Weet ik toch, Nick’). Iets te serieus denken dat Bruce Springsteen, hoewel híj in een ’69 Chevy over de highways van New Jersey raasde en ík op een brakke fiets door de Wibautstraat, het toch exclusief tegen mij had. Existentiële kip of ei-vragen: luister ik zoveel naar popmuziek omdat ik me miserabel voel, of voel ik me miserabel omdat ik al jaren en jaren luister naar duizenden en duizenden liedjes over gebroken harten? Plus de hamvraag: wat doen al die liedjes, die je meestal een nogal geromantiseerd beeld van de liefde voorschotelen, met je besef van de realiteit?

Och, High Fidelity was destijds een feest der herkenning. Zozeer, dat ik net zo lang zeurde bij mijn toenmalige werkgever totdat ik Hornby een paar jaar na het verschijnen van het boek mocht interviewen, bij hem thuis in Londen. Met enige schaamte las ik dat stuk nu terug. Mede doordat zijn debuut Fever Pitch ook nog eens ging over zijn ziekelijke liefde voor voetbal (had ik ook, had ik óók – hij Arsenal, ik Ajax, twee A’s, serendipiteit!!!), kostte het me erg veel moeite om schrijver en boek te scheiden en dat terwijl Hornby de thematiek allang achter zich had gelaten. Ik vrees dat hij me een beetje een engerd vond. Maar hé, vanuit het raampje op zijn wc keek je mooi wel récht uit op Highbury, het stadion van Arsenal. Ik bedoel: hállo!

25 jaar later zat ik meteen weer te bulderen van het lachen om Rob en zijn twee employees annex  muzieknazi’s Barry en Dick. De verontwaardiging als Robs ex een compilatietape draait waarop zowel Art Garfunkels Bright Eyes als een nummer van soullegende Solomon Burke voorkomt. ‘Hoe kun je van Art Garfunkel en van Solomon Burke houden? Dat is als zeggen dat je de Israeli’s en de Palestijnen steunt.’ De passage waarin een keurige huisvader voor zijn dochters verjaardag Stevie Wonders I Just Called To Say I Love You wil kopen, en Barry meent volledig in zijn recht te staan als hij hem de winkel uit treitert, diep beledigd als hij is over zoveel slechte smaak. En bovenal de scène waarin de verlegen nerd Dick eindelijk een vriendinnetje aan de haak heeft geslagen. Die fan is van… Simple Minds.

‘Dit is, in ons universum, een verbijsterend stukje informatie. Wij haten Simple Minds. Ze stonden op één in de Top Vijf Van Bands Of Muzikanten Die Geëxecuteerd Moeten Worden Als De Muzikale Revolutie Komt (Michael Bolton, U2, Bryan Adams en, verrassing, Genesis maakten het lijstje compleet. Barry wilde The Beatles doodschieten, maar ik wees hem erop dat iemand dat al gedaan had).’

High Fidelity geldt inmiddels als een typisch Generatie X-boek, met name omdat Rob en zijn vrienden zich zo cynisch en doelloos door het leven lijken te bewegen. Ik heb een broertje dood aan allesverklarend generatiegeleuter, en volgens mij kan je net zo goed beweren dat het boek een poging is om met die levenshouding af te rekenen. Maar lezend met de ogen van nu kreeg ik de indruk dat de rol die popmuziek inneemt in het boek misschien toch wel generationeel is bepaald.

Mijn leeftijdgenoten en ik groeiden op met een muziekwereld vol onoverbrugbare kloven. Ik ben net iets te jong om de clash tussen hippie (progrock, middenscheiding, drumsolo’s, Genesis) en punk te hebben meegemaakt – een soort Zesdaagse Oorlog die in het voordeel van punk werd beslecht, zodat Johnny Rotten in deze analogie ineens een Israëli is geworden, wat, toegegeven, een beetje vreemd klinkt, maar hopelijk begrijpt u wat ik bedoel. Eind jaren zeventig was het schisma tussen ‘commercieel’ en alles wat gold als ‘alternatief’ (punk, new wave, ska) een doodernstige zaak. Het was niet ongewoon om op een muur de leus ‘disco moet dood!’ aan te treffen en wél ondenkbaar om als alternatieveling toe te geven dat je dat ene nummer van KC & The Sunshine Band toch wel lekker vond.

Vrienden van mij gingen naar een middelbare school die berucht was vanwege twee buitentrappen die naar één ingang leidden. De ene was bezet door de alternatievelingen, de andere door de kakkers (disco, soul, Spandau Ballet, etc.). Wie er voor het eerst naar binnen ging, moest meteen een keuze maken die voor de rest van zijn of haar schooltijd bepalend zou zijn.

Oh, there were lots of rules. En overal lagen ze weer net iets anders. Favoriete genres hingen samen met subcultuurtjes, die weer samenhingen met kledingstijlen, waar weer een politieke kleur aan vastzat, etcetera. Met muzikale voorkeuren kwam automatisch een setje aversies mee, die hartstochtelijk dienden te worden beleden. En niet alleen door pubers als ik, die foto’s van ‘foute’ artiesten op hun dartsbord prikten. De discussie woedde ook in serieuze muziekbladen en radioprogramma’s.

Lezend in High Fidelity besefte ik hoe definitief voorbij die tijden zijn. Spotify vermoordde het compilatiebandje of -cd’tje. Niet langer zijn er maar een paar platforms waar muziekliefhebbers haast wel moeten botsen, want internet biedt elke club een eigen hoekje voor hun haarkloverijen. Genres zijn al een paar keer over de kop gegaan en van hun oorspronkelijke connotaties ontdaan. Wie in het huidige muzieklandschap de Palestijnen zijn en wie de Israëli’s, is een onoplosbare puzzel geworden.

Dat lijkt me A: goed nieuws, want ik ben er geleidelijk in meegegroeid, ik vind het fijn om toe te geven dat ik dat ene nummer van KC & The Sunshine Band altijd al lekker vond, en inmiddels compleet belachelijk dat ik Stevie Wonder ooit indeelde bij ‘rechts’ omdat zijn muziek vaak gedraaid werd door Ferry Maat, die bij de Tros hoorde. En B: slecht nieuws, want tegenwoordig ontmoet ik weleens jongere mensen met een heel interessante muzieksmaak die tegelijkertijd met plezier naar het Songfestival kijken, en dan voel ik me eenzaam en oud, wil ik heel hard ‘Is er dan níks meer heilig?!?!’ roepen, en mis ik die gezellige tijden waarin wij muzieksnobs een gemeenschappelijke vijand hadden in dat door Satan bedachte Eurovisie-vehikel.

Begin dit jaar werd High Fidelity nieuw leven ingeblazen als een Amerikaanse serie rond dertigers van nu. Je kunt de serie hier niet (legaal) bekijken, maar ik zag een paar amusante trailers én een filmpje waarin de hoofdrolspelers vertellen een hekel te hebben aan ‘Desert Island, All-Time Top Five’-lijstjes. Een belangrijke premisse uit het boek – ‘what’s important is what you like, not who you like’ – wordt door een van de personages ‘problematisch’ genoemd.

Hnnngg, moeilijk. Want dat haal je de koekoek. Het hele boek draait erom hoe problematisch het is om je leven door zulk snobisme te laten beheersen. Dat is de grap – die nu kennelijk niet meer werkt. De afschuwelijkheid van I Just Called To Say I Love You is niet langer een vaststaand gegeven, en dus gaat het in de serie over de vraag of je als winkeleigenaar nog wel mag profiteren van het verkopen van muziek van vermeend kindermisbruiker Michael Jackson. (Antwoord: ja, zolang je maar heel hard focust op het feit dat Quincy Jones nog altijd lof verdient voor de productie van die platen.)

Zoë Kravitz in de nieuwe serie High Fidelity.

Slim bedacht, en begrijpelijk bovendien. Toch vraag ik me af of ik de serie wel ga bekijken als die hier te zien is. Ik vind het prima dat de drie witte hetero’s uit het boek (en de gelijknamige film uit 2000) nu bi, gay en ‘van kleur’ zijn, en ik vind het zelfs schitterend dat de nieuwe ‘Rob’ gespeeld wordt door Zoë Kravitz, want zij is de dochter van Lenny Kravitz en Lisa Bonet, die weer een belangrijke bijrol in de film speelde (Bovendien: top-5 van vrouwen die mijn vroege puberdromen beheersten: 1. Lisa Bonet 2. ...ach laat maar).

Maar wennen is het wel. Zowel het boek als de film dreef in hoge mate op de aanname dat een snobistische obsessie met popmuziek een typisch jongensding is – specifieker: een typisch ding voor een beetje onknappe, onzekere, onpopulaire jongens. High Fidelity werd aan de man gebracht met de slogan: ‘Keep this book away from your girlfriend. It contains too many of your secrets.’ Zoë Kravitz is, onnodig te zeggen, een vrouw. En geen onknappe.

Het boek was ooit mijn bijbel, maar ik ben heus ouder en wijzer geworden. Ik heb er an sich geen enkele moeite mee als Jezus van geslacht verandert, het lijkt me zelfs verfrissend. Maar de vraag is wel of ik dan nog in Hem/Haar kan geloven. Want ik ken geen vrouwelijke muzieknazi’s, toen niet en nu niet – twee uitzonderingen die de regel bevestigen daargelaten (you know who you are). Op al die Facebook-posts waar ik de afgelopen weken zo druk mee was, werd weliswaar veel gereageerd door vrouwen, maar het deel van de respondenten dat de berichten aangreep om in discussie te gaan, geïrriteerd raakte als ik de jaren tachtig uitriep tot een afschuwelijk muziekdecennium of mij met halve colleges onder de neus wreef dat ik verdomme de verkéérde Bob Marley-plaat tot allerbeste had uitgeroepen, was geheel mannelijk.

Ja, ik weet dat het in deze tijden ontvlambare kost is om iets genderspecifiek te duiden, en mogelijk ben ik gewoon een oude lul, maar ik stel toch voor om daar nu eens lekker ontspannen mee om te gaan. Een paar honderd reacties is geen wetenschappelijk bewijs, maar het wás wel zo. Zoals het ook opvallend was dat vrouwen vaak in een heel andere toonaard reageerden. Meer: ‘O, joh? Ik vind eigenlijk dat Bob Dylan best mooi zingt’, waarmee de kous dan meteen af was. Hun mening, geen behoefte om die aan de ander op te dringen. 

Kortom, een proefondervindelijke conclusie, waarmee we onvermijdelijk afstevenen op de Desert Island-, All Time-top-2 van geslachten, gerangschikt naar volwassenheid: 1. vrouwen  hele tijd niets – 2. mannen.

MEER LIJSTJES

Voor liefhebbers van lijstjes: de app Letterboxd biedt een filmlabyrint om nooit meer uit te willen ontsnappen
De lijstjesverslaafde cinefiel Mark Moorman kan geen dag zonder zijn app Letterboxd. Hij probeert er met terugwerkende kracht alle films in te zetten die hij ooit heeft gezien.

Lijstjes om je hoofd te legen
Niet iedereen is een geboren lijstjesmaker. Wat ben je zonder doorzettingsvermogen en een liefde voor precisie? De Volkskrant spreekt drie lijstjesmensen over hun (licht obsessieve) roeping. Wat blijkt? Ordenen is vooral erg leuk.

Is lijstjes maken vooral een mannending?
De aanname is dat het vooral mannen zijn die lijstjes aanleggen. Of het nu favoriete platen, films, gespotte zangvogels of vliegtuigen zijn. Maar klopt dit wel? En zo ja, valt daar evolutionair-technisch iets over te zeggen?

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden