ColumnSylvia Witteman

Door Oorlogswinter steeg Jan Terlouw nog hoger in mijn achting

Als ik het gezicht van Jan ‘touwtje’ Terlouw zie, moet ik altijd aan Paul McCartney denken: charmant doch seksloos jong gebleven, de ogen dapper-vriendelijk en een tikje treurig, zoals bij sommige brave honden, maar vooral die algehele uitstraling van tomeloze rechtschapenheid en integriteit. Je ziet het meteen: zo iemand kán niks slechts doen (nee, Paul had nooit met dat eenbenige loeder moeten trouwen, maar ook dat deed hij met de nobelste bedoelingen).

Jan en Paul doen hun hele leven dan ook alleen maar goede dingen, al maak ik een uitzondering voor Pauls walgelijke lied Wonderful Christmas Time (met die vieze arresleebelletjes, u weet wel) en al moet ik eerlijk toegeven dat ik van Jan na Oosterschelde windkracht 10 niets meer gelezen heb. Maar alles daarvóór wel. En hoe. Koning van Katoren was voor mij lange tijd het boek dat alle andere boeken overbodig maakte ( ik was 6 toen ik het voor het eerst las, en dan komt een goed boek hard aan); de hoofdpersoon Stach is een soort verbeterde versie van Jezus Christus, die geen lijken tot leven roept en hoeren vergiffenis schenkt, maar een einde maakt aan actuele problemen als geluidsoverlast, milieuvervuiling en religieuze conflicten. Op het eind wordt hij nog koning ook en zoiets zie je graag als je 6 bent.

Daarna kwam Oorlogswinter en Jan steeg zo mogelijk nog hoger in mijn achting. Gisteren heb ik het herlezen en ik begreep nog steeds waarom. Die guitige piloot Jack, met zijn koeterwaals! (‘Kun jij haar trusten, I mean betrouwen?’) Die frisse, kordate zus Erica, die de hele tijd haar haar staat te borstelen maar intussen niet te beroerd is om een gewonde soldaat te verplegen (en méér dan dat!); de uiterst beschaafde maar o zo onverzettelijke barones Weddik Wansfeld; de verzetsheld oom Ben en de schoft Schafter (werkelijk verbijsterd was ik toen de rollen omgedraaid bleken); vader en zoon Kleerkooper, koddig vermomd als boerinnen; ruwe-bolster-blanke-pit Dirk, met zijn door de moffen kapotgeslagen tenen (daar lag ik wakker van) en die verrassende, Oscarwinnende bijrol voor die bloes van parachutestof.

En Michiel zelf, natuurlijk. In het boek is hij bijna 16, even oud als nu mijn jongste zoon, die ik vooralsnog geen gewonde parachutist zie verzorgen in een vochtig bos. Bij verschijning van Oorlogswinter was ik zelf 7, en vond ik iemand van 16 een volwassen man, van wie het volstrekt voor de hand lag dat hij al die heldhaftige dingen durfde. Maar spannend werd het er niet minder om. En nog steeds niet.

Er bestaat geen zwart-wit in goed en kwaad, daar hamert Terlouw op, met die Duitse soldaat die Michiels kleine broertje uit de dakgoot redt (‘Nou kroipen we zusammen verder’) als opzichtige symboolfunctie enerzijds, en die geweldig aardige oom Ben die alles blijkt te hebben verraden anderzijds. Heel mooi. Veel mooier dan De Aanslag, eigenlijk.

Het enige dat mij als 54-jarige zuurpruim een beetje stoort: de écht goede mensen in het boek zijn ook wel écht alleen maar goed. Michiel, zijn moeder, zijn zus, Jack, Dirk, ze zijn stuk voor stuk net zo smetteloos integer als Jan Terlouw zelf. Ik vraag me af: was het boek misschien nóg beter geweest als die zus Erica niet alleen een verhouding had gekregen met een Engelse soldaat, maar ook met een Duitse? Als die reddende Duitser na gedane zaken dat jongetje een heel klein beetje dubieus betast had? Als dappere Dirk een drankprobleem had gehad?

 Maar ja, dan was het niet zo’n heerlijk ouderwets kinderboek geweest.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden