Boekrecensie

Door de emotieloze manier van beschrijven is dit portret van een martelgevangenis uit te lezen ★★★★☆

Mustafa Khalifa zat dertien jaar opgesloten in de beruchtste martelgevangenis van Syrië en schetst een misselijkmakend portret van het leven aldaar. Door zijn bijna emotieloze toon houd je het als lezer vol.

Jarl van der Ploeg
null Beeld Typex
Beeld Typex

‘Ruim een jaar geleden stond een van de sergeanten een keer tijdens het luchten van een barak in de schaduw van een muur. Er liep een muis voor hem langs en hij verpletterde het dier met zijn soldatenlaars. De muis werd vermorzeld en stierf. Daarop haalde de sergeant een papieren zakdoekje tevoorschijn, pakte het beest met het zakdoekje op aan zijn staart en liep naar de gevangenen die in rijen om het plein liepen. Hij greep een willekeurige gevangene vast en dwong hem de muis door te slikken. Dat deed hij. Sinds die dag besteedden de sergeanten en de politiemannen een belangrijk deel van hun tijd aan het jagen op muizen, kakkerlakken en hagedissen.’

Het bovenstaande is een passage uit het pas vertaalde De schelp van de Syrische auteur Mustafa Khalifa (1948), dat zich afspeelt in een van de vele martelgevangenissen in zijn geboorteland. Dat zijn plekken die vanaf de jaren zeventig uit de grond werden gestampt en bedoeld waren om politieke tegenstanders van vader en zoon Assad, de presidentiële dynastie van het land, te doen verdwijnen.

Dat betekent dat er op papier vooral leden van de Moslimbroederschap en communisten zouden moeten worden opgesloten, maar de praktijk blijkt duizenden malen willekeuriger. Naast onterecht opgepakte chirurgen, hoogleraren en zelfs kinderen van 15 komt daar in kamp Tadmor, een van de beruchtste gevangenissen van het land, in 1982 ook het hoofdpersonage van de roman van Khalifa terecht. Een jongeman die de jaren daarvoor in Frankrijk heeft gestudeerd en bij terugkomst in Damascus wordt aangezien voor iemand van de Moslimbroederschap.

In deze gevangenis zat ook schrijver Khalifa dertien jaar opgesloten. In De schelp schetst hij het misselijkmakende portret van wat een van de verschrikkelijkste plekken op aarde moet zijn. Tijdens zijn gevangenschap is het voor Khalifa onmogelijk om aantekeningen te maken, maar in een poging de waanzin te verdrijven, begint hij in zijn hoofd een dagboek bij te houden waarvan hij de tekst iedere dag zin na zin in zijn hoofd begint te herhalen, als een soort mantra.

Na zijn vrijlating begon hij die zinnen op te schrijven. Zo is te lezen dat de dagen in het kamp zijn opgesplitst in twee delen: twaalf uur gedwongen slapen, twaalf uur gedwongen zitten, altijd zonder te bewegen en in stilte. Wie wel beweegt, krijgt zweepslagen. Van de driehonderd gevangenen die samen in een cel van vijftien meter lang en zes meter breed zitten, mag er maximaal één bewegen, namelijk om richting de latrine te lopen. Op dinsdagen en donderdagen mogen de gevangenen naar de luchtplaats, maar dat is geen reden tot blijdschap, omdat op die dagen ook de executies plaatsvinden.

‘Door te luisteren naar het ploffen van de neervallende lijken op de bodem van de truck, weten we hoeveel doden er die dag zijn gevallen’, schrijft Khalifa.

Dat is geen fictie. Alleen al in de militaire Saydnaya-gevangenis zouden tussen 2011 en 2015 tussen de vijf- en tienduizend gevangenen zijn geëxecuteerd. En dan is Saydnaya nog niet eens de beruchtste militaire gevangenis van Syrië. Dat is Tadmor.

Als dit boek een film was geweest, zou je hem het liefst door je oogwimpers heen bekijken, zo veel bloed, marteling en geweld spatten er van de bladzijdes af. Maar door de geserreerde, bijna emotieloze en afgestompte manier waarop Khalifa alles beschrijft, die waarschijnlijk nodig is om te overleven in zo’n kamp, blijven je ogen als lezer niet alleen open, ze flitsen in verbazing en afschuw over steeds weer een nieuwe bladzijde, op zoek naar een moment om alsjeblieft eventjes te ademen.

‘Mijn reserves raakten uitgeput, mijn vermogen om te schreeuwen nam af (...) Heer, laat me sterven. Laat me sterven. Bespaar mij deze kwelling’, schrijft Khalifa wanneer zijn hoofdpersonage voor de eerste maal wordt gemarteld met de zweep en de vellen op zijn voeten er zo los bijhangen dat hij zijn eigen botten ziet.

Tussen de afranselingen door beschrijft Khalifa de onderlinge relaties tussen de gevangenen, die soms klein en teder zijn, soms zelfs liefdevol, maar net zo vaak wreed en beestachtig. Ze leven nu eenmaal onder omstandigheden waarin de woorden ‘familie’, ‘liefde’ en ‘vriendschap’ langzaamaan plaatsmaken voor ‘zweep’, ‘honger’, ‘haat’ en ‘sadisme’. Het is een georkestreerde vorm van ontmenselijking die doet denken aan kampliteratuur van Alexander Solzjenitsyn over over de Sovjet-goelags en Primo Levi over de nazikampen in Polen.

Zelfs lezers die goed op de hoogte zijn van het tirannieke regime van Assad, zullen zich tijdens het lezen van De schelp daarom dikwijls afvragen hoe dit toch in godsnaam mogelijk is. Hoe kan het dat er zelfs op dit moment – nu, tijdens het lezen van dit boek of tijdens het lezen van deze recensie over dit boek – duizenden mensen opgesloten zitten onder omstandigheden die je het liefst onbeschrijfelijk zou noemen. Tot je erachter komt dat Khalifa ze 310 pagina’s lang wel degelijk beschrijft.

Mustafa Khalifa: De schelp – Memoires van een gevangene. Uit het Arabisch vertaald door Djûke Poppinga. Jurgen Maas; 310 pagina’s; € 24,50.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden