Dood van een gezonde roker

Zelfgenoegzaam Holland, verongelijkt zodra het even tegenzit

De Brits-Nederlandse schrijver en essayist Ian Buruma , in 1975 als twintiger uit Nederland vertrokken, heeft de afgelopen jaren waarschijnlijk vaak aan Engelse en Amerikaanse vrienden moeten uitleggen wat er allemaal aan de hand is in zijn homeland.

De moord op Fortuyn, de moord op Van Gogh en het vertrek van Hirsi Ali verstoorden in enkele jaren het beeld van een progressief en tolerant landje. Een Amerikaans tijdschrift stuurde Buruma in november 2004 op onderzoek uit en mag met het resultaat tevreden zijn. Murder in Amsterdam is goed opgebouwd, soepel geschreven en, zoals dat heet, 'goed geïnformeerd'. Wie dit leest is weer helemaal bij: van de hondjes van Pim, de bretels van Theo, tot de hand van Rita.

Enkele dagen voor de Engelse editie verschijnt vandaag de Nederlandse vertaling: Dood van een gezonde roker - Nederland na de moord op Theo van Gogh. Hetzelfde boek, maar met één belangrijke troef minder. In Nederland zijn we al behoorlijk goed geïnformeerd.

De weken en maanden na 2 november 2004 waren vol met de personages die Buruma aan zijn buitenlandse publiek voorstelt. Aboutaleb, Bolkestein, Cohen, Ellian, Hirsi Ali, Mak, Scheffer - we zagen, hoorden en lazen hen uit en te na. Weliswaar zet de auteur ook licht op enkele onbekendere figuranten in het polderdrama, zoals een gevangenisimam en een islamitische studentactiviste. Dat versterkt echter nog de indruk dat we te maken hebben met een uitstekende, wat lange journalistieke reportage, gepubliceerd twee jaar na de feiten.

Gelukkig zijn er momenten dat Buruma daar bovenuit komt. Dan biedt zijn blik van goed ingevoerde buitenstaander ook voor Nederlandse lezers nieuwe doorkijkjes. Aardig is de vergelijking tussen de zelfgenoegzame burgerkoppen op de 17de-eeuwse schilderijen van Frans Hals en de al even tevreden tronies die in de jaren negentig de concertzalen of stadion-skyboxen bevolkten. 'Ons Soort Mensen', toen en nu.

Behendig ook springt Buruma van een duiding van de Amsterdamse Provo's, die protesteerden bij het monument voor Van Heutsz, naar de brute heldendaden van deze generaal zelf in de Atjeh-oorlog begin twintigste eeuw. Door bovendien de betreffende Atjeh-rebellen, waarvan er meer dan honderdduizend sneuvelden, te betitelen als 'jihadis', opent hij een lijn naar de ideologie achter de moord op Van Gogh. (De vertaler mist deze vooruitwijzing en spreekt van 'moslim-opstandelingen'.)

Eveneens kan niet vaak genoeg worden verteld hoe kort geleden Nederland nog een diep-religieuze natie was. Buruma noemt het rumoer na een uitzending van een satirische tv-programma uit 1964, waarin Peter Lohr in een gebedspersiflage het Televisiescherm eerde als nieuwe God. Dit leidde tot een ontstemde premier, Kamervragen en duizenden brieven van razende kijkers. Buruma lijkt te zeggen: de ophef in de Nederlandse moslimwereld over Van Gogh's en Hirsi Ali's film Submission, directe aanleiding voor de moord, had nog maar veertig jaar eerder plaats in christelijke context. Behalve natuurlijk - essentieel verschil - dat het bleef bij brieven en niet kwam tot pistool en mes.

Over de Nederlandse volksaard maakt Buruma rake opmerkingen. De 'verongelijktheid' die de zelfgenoegzame Hollander overvalt dra het even tegenzit. De uiting van woede als teken van morele eerlijkheid. De verzengende ironie als vrijbrief voor onverantwoordelijkheid. Het diep doorgesijpelde moralisme van de theologen, dat zowel de milieu-activist van 6 mei 2002 als de jihadi van 2 november 2004 tot moord dreef. Deze losse plukjes verdienen ordening in een kort en krachtig essay.

Als verklaring voor de 'Moord in Amsterdam' schieten deze verspreide kanttekeningen tekort. Waarom ging Mohammed B. over tot zijn daad? Hier heeft Buruma geen helder antwoord. Enerzijds krijgt B. typisch Nederlandse trekken, anderzijds is hij geïnspireerd door een Syrische imam en dvd's met terroristisch geweld uit Irak. Ook ontkomt Buruma niet aan de vergelijking tussen

de goed geïntegreerde B. en de Britse moslims - meisjes, cricket en de pub - die vorig jaar de Londense metroaanslagen pleegden. Als Bouyeri symbool staat voor een Europees probleem met de islam, dan ligt de sleutel niet in 'Holland'.

In het maatschappelijk debat over integratie dat na de moord op Van Gogh ontbrandde, neigt Buruma naar de kant van de appeasers. Uit beide Amsterdamse grijze krullenbollen verkiest hij Geert Mak boven Paul Scheffer. In het debat tussen Job Cohen en Ayaan Hirsi Ali over de (on)wenselijkheid van integratie via religie, geeft hij Cohen 'het voordeel van de twijfel'. Buruma ziet namelijk niet in hoe een 'officiële aanval op de islam' zou kunnen bijdragen aan een oplossing van het probleem.

Deze - weliswaar voorzichtige - stellingname verrast enigszins. Twee jaar geleden publiceerde Buruma met Avishai Margalit het mooie boekje Occidentalisme; het Westen in de ogen van zijn vijanden. Het eindigt in een pleidooi voor de verdediging van de politieke, religieuze en intellectuele vrijheid tegen haar vijanden. Ook Mohammed B. en zijn medestrijders zijn doordrongen van eenzelfde antiwesterse haat, maar dan binnen het Westen. Toch laat Buruma na om even helder als toen te kiezen voor de waarden van de vrijheid.

Bovendien is er inzake integratie van moslims meer dan een keuze tussen Ayaans 'aanval' en Cohen's idee van integratie dankzij de eigen zuil. Je kunt bijvoorbeeld de religie-in-ieders-hoofd buiten haakjes plaatsen en alle focus richten op werk, school en taal. De staat zou burgers niet moeten aanspreken op hun geloof maar op hun gedrag. Godsdienstvrijheid én strenge handhaving van de leefregels: daar lijkt de Nederlandse samenleving na vier eeuwen wel aan toe.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden