Dolle kermis van bordkarton

Toen Carlos Ruiz Zafón (Barcelona, 1964) ergens in de twintig was, nam hij de benen naar Los Angeles, hunkerend naar afstand tot zijn geboortestad en gedreven door zijn liefde voor de Amerikaanse film, literatuur en muziek. Hij verdiende er zijn brood met het schrijven van filmscripts en pende ook vier jeugdboeken neer, waarvan sommige het helemaal niet slecht deden.

Maar, zei de schrijver later, de films waarvoor hij de scripts schreef kun je maar beter niet gaan zien. En die vier jeugdboeken: ach, dat was een nuttige leerschool maar meer ook niet. Nee, tot volle wasdom kwam hij naar eigen zeggen pas in La sombra del viento (De schaduw van de wind), het eerste deel van een vierluik dat zich in Barcelona afspeelt en ruwweg de eerste helft van de 20ste eeuw omvat.

Weinig verwachting
De uitgever verwachtte in 2001 weinig van De schaduw van de wind en had de presentatie daarom sober gehouden. Zafón maakte van de gelegenheid gebruik om uit te halen naar de ‘literatura light’ die kenmerkend zou zijn voor de Spaanse literatuur van nu en brak een lans voor wat hij de klassieke roman noemde.

De schaduw van de wind was in Zafóns optiek dus een serieus boek voor een kleine kring van fijnproevers. Maar dat bleek een misrekening van jewelste. De Spaanse critici lieten het boek links liggen, maar binnen en buiten Spanje werd het dankzij mond-tot-mondreclame een enorme publiekslieveling. Acht jaar later is er nog maar één Spaanse roman waarvan meer exemplaren zijn verkocht dan de dertien miljoen van De schaduw van de wind: Don Quichot.

Cervantes en Zafón: vier handen op een buik
Zo ziet Zafón het graag: Cervantes en hij, vier handen op één buik. De fijnproevers die De schaduw van de wind hadden genegeerd, hadden er niets van begrepen. Snobs waren het, voor wie literatuur gelijk staat aan moeilijk doen en die succesvolle romans per definitie afdoen als pulp. Allemaal de schuld van het modernisme en al die andere nieuwlichterij uit de twintigste eeuw, aldus Zafón. Navel staren was het motto geworden, en daarmee was de ziel uit de literatuur verdwenen. Verhalen vertellen, daar ging het om. Verhalen over liefde, passie, verraad en ander menselijk ongemak die in de 19de-eeuwse roman hun ware literaire vorm hadden gevonden.

Maar Ruiz Zafón kan beweren wat hij wil, de lang verwachte opvolger van zijn megasucces, El juego del ángel (Het spel van de engel) – brengt iets anders aan het licht. Aan 19de-eeuwse bouwsteentjes geen gebrek, te beginnen bij hoofdpersoon en verteller David Martín: arm milieu, op jonge leeftijd in de steek gelaten door zijn moeder, opgevoed door een onmachtige vader maar taai en slim genoeg om zich op eigen kracht door het leven heen te slaan.

Bepalend voor het boek is echter de passie die David Martín deelt met Daniel Sempere uit De schaduw van de wind en die het verhaal danig in de weg staat: de literatuur. Zo borduurt het Kerkhof der Vergeten Boeken – vertrekpunt van De schaduw van de wind, rode draad door Het spel van de engel – niet voort op de 19de-eeuwse literatuur maar op Borges en Eco. En het leven dat de plot van een boek lijkt te volgen: ook daarin klinkt de echo van Borges door, om nog maar te zwijgen van de groeiende twijfel over wat er nou eigenlijk ‘echt’ gebeurt in de roman.

Geen werkelijkheid maar fictie
Elke pagina van Het spel van de engel schreeuwt van de daken dat wat hier staat geen werkelijkheid is maar fictie. Dit literaire zelfbewustzijn hoort niet bij de 19de-eeuwse vertelkunst maar bij het 20ste-eeuwse postmodernisme. Ook het andere vaatje waaruit Zafón graag tapt – de film – is helemaal 20ste-eeuws.

Zafón wil de traditionele vertelkunst voortzetten maar betoont zich een gretige postmoderne graaier in de grabbelton van literatuur en film. Zou deze gespletenheid kunnen verklaren waarom ook Het spel van de engel zo’n onevenwichtig boek is dat stuurloos zwabbert tussen Harry Potter en Borges?

Zeker is in elk geval dat Zafón geen pure verteller durft te zijn maar voortdurend naar de grote jongens uit de literatuur verwijst en zich om de haverklap van een andere stijl bedient. Avonturenroman, feuilleton, thriller, gothic novel, fantasy, James Bond: Zafón hopt van genre naar genre in zijn Faust-achtige verhaal over een schrijver die in ruil voor een langer leven belooft een duivels boek te zullen schrijven.

Postmodernisme light
Het plezier dat Zafón bij al dit ‘postmodernisme light’ moet hebben beleefd is aanstekelijk. Maar dat is dan ook zo ongeveer de enige reden om door te blijven lezen, want de rest is vooral ergernis. De plot is een rommeltje dat tegen het einde zelfs ronduit potsierlijk wordt en dat uit zijn voegen barst van de voorspelbaarheid en de overbodige passages. Schreeuwt iemand in woede dat hij een ander dood wenst, dan kun je er donder op zeggen dat deze korte tijd later vermoord zal worden en er meteen een hoofdverdachte is. Gaat iemand een leegstaand huis binnen dan weet je zeker dat hij al snel het gevoel krijgt niet alleen te zijn. Settings, personages, plotwendingen: ze voegen zich niet samen tot een eigen stem of stijl maar vormen een dolgedraaide kermis van bordkarton.

Het spel van de engel is niet, zoals Zafón beweert, een hommage aan de tijdloze literatuurlezer, maar bedient een nieuw soort lezer: de zapper die spectaculaire momenten niet als ingrediënten van een hoofdgerecht beschouwt, maar ze aanziet voor het hoofdgerecht zelf.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden