Doemdenken over westerse cultuur

ER ZIT EEN onverteerbare tegenspraak in het lot van elke beschaving. Alle pogingen om de aarde leefbaar te maken, lopen uit op de eigen ondergang....

Toch proberen we het steeds weer opnieuw, zelfs met een optimisme en vooruitgangsgeloof dat bij enig nadenken nogal ridicuul aandoet in het licht van de twintigste-eeuwse verschrikkingen. Maar onvervaard beschaven we door, net zolang tot er niets meer te beschaven valt.

Dat optimisme laat zich het best aflezen aan de doorgaans positieve waardering die in begrippen als beschaving en cultuur opgesloten ligt. Toch benoemen ze beide een fundamentele aanslag op de natuur en dus het veranderen van Gods schepping. In de Middeleeuwen wordt 'cultuur' dan ook voortdurend opgevat als een ongeoorloofde exploitatie van aardse voorzieningen, geregisseerd door de duivel.

Renaissance en Barok plaatsen de mens als schepper naast God, met als voornaamste taak de ruwe aardklomp te ontwikkelen voor beter leven. Tegelijkertijd genereren progressieve bewegingen een navenante cultuurkritiek, die niet zelden de gedaante aanneemt van onverkort pessimisme of zelfs doemdenken.

Daarover gaat De pijn van Prometheus, een bundel van negen opstellen van Groningse (cultuur)historici. De titel is gelukkig gekozen, al doet de uitleg daarvan in het voorwoord meteen de deur dicht voor niet-ingewijden. 'Men kent het verhaal', staat daar, waarna enigszins tegenstribbelend in herinnering wordt geroepen hoe volgens een antieke mythe Prometheus het vuur stal uit de hemel en aan de mensen schonk. Daarmee kon de beschaving beginnen. Maar de tol was hoog. Prometheus werd aan een rots geketend, waar een adelaar hem dagelijks de steeds weer aangroeiende lever uitpikte. En zijn pijn staat voor de prijs die de mens voor de vooruitgang moet betalen.

Van enige publieksvriendelijkheid is ook voor vakgenoten in de bundel nauwelijks sprake. Het is een zeldzaam allegaartje van op zichzelf degelijke verhandelingen, die echter evengoed in een andere bundel hadden kunnen staan. Het belangwekkende onderwerp kan overal aan opgehangen worden, en dat gebeurt hier dan ook uitbundig. De uitgenodigde auteurs hebben hun favoriete onderwerpen voor de gelegenheid toegesneden op cultuurkritiek. Ze hadden dat desgewenst ook kunnen doen op utopieën, machtsvorming of gewoon worst, en dan zouden er niet eens zo heel veel verschillende artikelen zijn uitgekomen.

Braaf wordt uitgepakt over humanistische geschiedschrijving, de pastorale, Spengler en de Nederlandse literatuur van het interbellum, Freud, de historicus P.J. Bouman (en Huizinga), zedelijkheid en seksualiteit, het holisme van Hans Freyer, en cultuurkritiek tussen dialectiek en deconstructie. Dat levert dan de bekende hutspot op, niet alleen door het veelvuldige kutopdirken, maar ook door de meest onverwachte overlappingen en herhalingen.

De Groningers staan hierin overigens zeker niet alleen. Vooralsnog is dit type bundel het voornaamste resultaat van de vaderlandse pogingen het onderzoeksbeleid te moderniseren en vooral te stroomlijnen. Waarom staat er in zo'n midden niet een charismatisch voortrekker op die orde schept, directieven uitvaardigt en - in dit geval - de blik ook buiten de collega's naast de deur laat vallen?

Elk artikel geeft aanleiding tot het verzinnen van een eigen bundel. Zo zou de bijdrage van Wessel Krul over de pastorale als uiting van kritiek de opmaat kunnen zijn voor een bundel over droomwerelden in de westerse cultuur, die rebelleren tegen de verwording van de samenleving. Want daar heeft beschaving huisgehouden, belichaamd in het even gecompliceerde als onnatuurlijke bestaan van hoveling en stadsbewoner. Vrolijk dansende herders houden een alternatief voor van ongedwongen eenvoud, onbevangenheid en harmonie te midden van een overweldigende natuur.

In het pre-industriele tijdperk zijn de voorstellingen van zulke arcadia's in literatuur en beeldende kunst buitengewoon populair. Maar na de Franse Revolutie verliest het genre zijn betekenis als instrument voor kritiek op de eigen beschaving en ontaardt het in een wezenloze roes die elk contact met de werkelijkheid verliest. Chateaubriand merkt dat op als hij vaststelt hoe bloeddorstige revolutionairen regelrecht van de guillotine het theater binnenstormen, om hier te genieten van onschuldige herders en maagdelijke herderinnetjes te midden van bloemrijke velden, kabbelende beekjes, lammetjes en duiven. Zelfs de breed opgezette inleiding van Remieg Aerts, alweer zeer gedegen en geschraagd door een benijdenswaardige eruditie, voert naar een bundel die in feite niet volgt. Zijn schematische overzicht en pogingen tot hanteerbare omschrijvingen van enkele kernbegrippen horen de leidraad te vormen voor het uitgezette traject. Die richt de aandacht namelijk vooral op een meer begripsmatige uitwerking van het thema.

Hoe zit het in de loop der eeuwen met de ontwikkeling van negatieve en positieve connotaties van het begrip cultuur? En dezelfde vraag kan gesteld worden voor hoffelijkheid, beschaving, emotie, rede, verstand en gevoel, telkens te koppelen aan cultuurpessimisme aangezien al deze begrippen als motor van vooruitgang, maar ook als onheilsbrenger gezien zijn.

Heel anders is het dan weer om Oswald Spengler behandeld te krijgen in een aantrekkelijke bijdrage van de neerlandicus Arie Pos. Daarin wordt Spenglers invloed geschetst op H. Marsman en A. Roland Holst. Eerst maakt Pos duidelijk hoe hevig intellectuelen en kunstenaars twijfelden aan de houdbaarheid van de westerse beschaving na de verbijsterende ontluistering door de Eerste Wereldoorlog.

Hun verzet, niet zelden onder het aanroepen van Spengler als profeet, heeft vaak een anti-democratisch karakter. Was de wereldoorlog niet het onvermijdelijke gevolg van massificatie, nivellering en de suprematie van een burgerlijk materialisme dat de kritische geluiden van het individuele intellect had weggevaagd?

Democratie betekende voor hen vervlakking, alledaagsheid en een reductie tot een tweedimensionaal bestaan, dat zich alleen korte-termijnvoorstellingen kon maken van een steeds overdadiger behoeftenbevrediging. Velen van die critici raakten gecharmeerd van het Italiaanse fascisme sinds 1922, dat immers weer een elite aan de macht wilde brengen van krachtige denkers en doeners.

Oswald Spengler liet in zijn Ondergang van het avondland (1918-1922) meeslepend zien hoe elke cultuur gedoemd was na een periode van bloei ten onder te gaan. Zo ver was het nu ook in het Westen. En de tekenen daarvan wees hij met verve aan. Toch zag hij nog een mogelijkheid tot redding van de oude waarden. Maar met dat toekomstconcept vervreemdde hij zich weer van menig intellectueel.

Volgens Spengler was de enige hoop op redding namelijk in Pruisen gelegen. Daar bestonden nog eergevoel, opofferingsgezindheid, discipline, roeping en plicht. En deze moesten door een nieuwe Caesar vanuit Pruisen aan het vermolmde Europa opgelegd worden. Zo'n Imperium Romanum, dat rond het jaar 2000 gestalte zou krijgen, ging echter menigeen veel te ver.

Wel zeer duidelijk openbaart zich in Spenglers werk wat Klaas van Berkel in zijn bijdrage over de historicus P.J. Bouman de paradox van de cultuurpessimist noemt. Hoe indringend de ondergang van de eigen cultuur ook beschreven wordt, aan het slot houdt elke auteur de deur toch op een kier voor een laatste reddingspoging.

Daarmee ondergraaft elke doemdenker in feite zijn eigen betoog. Het pessimisme blijkt juist voertuig te zijn van een zeker optimisme, dat zelfs de meest beroerde tijdsomstandigheden nog in een toekomstig tegendeel vermag te zien. Meedenkend met Van Berkel zou men al die cultuurkritiek dan kunnen opvatten als een vorm van retoriek.

Maar ook rond deze paradox zal de lezer zijn eigen bundel moeten samenstellen met brokstukken uit de overige artikelen. Want het blijft een highbrow-hutspot, rond een thema dat als een veel te wijde jas om al die stukken heenslobbert.

Maar wie een leeswijzer voor modern pessimisme zoekt, kan hierin veel van zijn gading vinden, niet in de laatste plaats dankzij de uitvoerige bibliografie aan het eind, die ten slotte toch nog de zo gemankeerde eenheid weet te scheppen.

Herman Pleij

Remieg Aerts & Klaas van Berkel (redactie) - De pijn van Prometheus - Essays over cultuurkritiek en cultuurpessimisme.

Historische Uitgeverij Groningen;

301 pagina's; ¿ 65,-.

ISBN 90 6554 052 0.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.