Dit is waarom sterrenkundige Govert Schilling bij het kijken van 2001: A Space Odyssey alle gevoel van tijd verloor

Deze maand is het 50 jaar geleden dat Stanley Kubricks sciencefictionklassieker 2001: A Space Odyssey uitkwam. Volkskrants huissterrenkundige Govert Schilling was overdonderd, de eerste keer dat hij hem zag, en is altijd devoot fan gebleven. En dit is waarom.

Beeld uit de laatste scene van 2001: A Space Odyssey. Foto RV

Ik weet niet meer precies wanneer ik 2001: A Space Odyssey voor het eerst zag. Ergens midden jaren zeventig moet het geweest zijn, toen ik al compleet verslingerd was geraakt aan het heelal. In elk geval niet in 1968, toen de film uitkwam, want toen was ik 11, en bij ons thuis deden we niet aan bioscoopbezoek. Ik weet nog wél dat die eerste keer, in de Utrechtse Catharijnebioscoop, een verpletterende indruk op me maakte. En dan vooral, bijna aan het eind, de Stargate-scène – een hypnotiserende reis door ruimte en tijd. Drugs heb ik nooit gebruikt, maar ik heb het idee dat ik met het ondergaan van die scène aardig in de buurt kwam.

Beeld uit de laatste scene van 2001: A Space Odyssey. Foto RV
Beeld uit de laatste scene van 2001: A Space Odyssey. Foto RV
Beeld uit de laatste scene van 2001: A Space Odyssey. Foto RV

1968 was een jaar van angst, omwentelingen en verwachtingen. Van Koude Oorlog en kernwapendreiging, van studentenprotesten, anti-Vietnamdemonstraties, Hare Krishna, lsd en de musical Hair. De ruimterace tussen Amerika en de Sovjet-Unie was in volle gang; eind 1968 vlogen er voor het eerst astronauten richting de maan. Een uitgelezen periode dus voor een bijna spirituele film over de plaats en de toekomst van de mens in het universum. Zo was er nog nooit sciencefiction gemaakt. Sterker: zo was er nog nooit film gemaakt.

Steven Spielberg noemde 2001 de big bang van zijn generatie. ‘Kubrick nam je voor het eerst écht mee de ruimte in’, vertelt hij op de bonus-dvd van Kubricks laatste film, Eyes Wide Shut. ‘Geen enkele documentaire, speelfilm of IMAX-ervaring heeft dat ooit op die manier teweeggebracht.’ Maar behalve door de technische perfectie onderscheidde 2001 zich ook door zijn ongrijpbare filosofische onderstroom. De film oversteeg niet alleen de individuele kijker, maar de hele menselijke soort. Martin Scorsese omschreef het slot zelfs als ‘een van de beste religieuze momenten in de filmgeschiedenis’.

De veelzijdige en eigenzinnige perfectionist Stanley Kubrick was 37 toen hij met de opnamen begon, eind 1965. Kubrick had al de nodige faam verworven, onder andere met de gladiatoren-epos Spartacus, de absurdistische Koude Oorlog-satire Dr. Stragelove en de Nabokov-verfilming Lolita. Stuk voor stuk films die een nieuwe norm definieerden voor het betreffende genre. En dat was precies wat hij met 2001 ook bewerkstelligde voor de sciencefiction.

In april 1964 had Kubrick de negen jaar oudere SF-auteur en futuroloog Arthur C. Clarke ontmoet, die hij zeer bewonderde. Clarke was een wandelende kristallen bol. Hij voorspelde onder andere de communicatiesatelliet, de personal computer, internet, zoekmachines, de 3D-printer en de space elevator – een manier om zonder raket de ruimte in te gaan, via een tienduizenden kilometers lange verticale ‘liftkabel’. Allemaal spot on; alleen die ‘ruimtelift’ is er nog steeds niet. Clarke schreef ‘harde’, wetenschappelijk verantwoorde sf, vaak met een filosofische invalshoek. Samen met Kubrick schreef hij het filmscript voor 2001: A Space Odyssey, losjes gebaseerd op zijn korte verhaal The Sentinel uit 1948, waarin aardbewoners een kunstmatig buitenaards object aantreffen op de maan.

Beeld uit de laatste scene van 2001: A Space Odyssey. Foto RV
Beeld uit de laatste scene van 2001: A Space Odyssey. Foto RV
Beeld uit de laatste scene van 2001: A Space Odyssey. Foto RV

Voor een beschermd opgevoede tiener was het zien van 2001 een overrompelende ervaring. Een groep mensapen op de Afrikaanse steppe staat plotseling oog in oog met een kolossale buitenaardse monoliet – een raadselachtig, inktzwart blok. De monoliet lijkt bij de mensapen de ontwikkeling van intelligentie op gang te brengen. We zien hoe onze verre voorouders de kracht van gereedschap ontdekken – en van wapens. Vervolgens verandert een omhoog geworpen dierenbot in een split second in een sierlijke PanAm-ruimteshuttle, en zijn we dik vier miljoen jaar vooruit in de tijd beland, in het jaar 2001.

Dat jaar graven wetenschappers precies zo’n zelfde monoliet op in de maankrater Tycho. Zodra het mysterieuze gevaarte voor het eerst licht van de zon vangt, stuurt het een snerpend radiosignaal richting Jupiter. Als kijker begrijp je dat dit een soort boodschap moet zijn aan de bouwers van de monoliet: de trigger van vier miljoen jaar eerder heeft gewerkt, en de mens is zijn vleugels aan het uitslaan. Maar de wetenschappers in de film hebben natuurlijk geen idee. Er wordt een onderzoeksmissie opgetuigd, en twee astronauten, Dr. David Bowman en Dr. Frank Poole, reizen het signaal achterna in het ruimteschip Discovery One. Hun metgezel: supercomputer HAL, uitgerust met menselijke gevoelens en een over-empathische stem.

Maar HAL saboteert de missie en Poole komt om het leven. In een onvergetelijke scène schroeft een gewichtloze en zwaar ademhalende Bowman een voor een HAL’s geheugenkaarten los en maakt hij de computer onklaar – ‘will you stop, Dave? […] My mind is going… I can feel it.’ Daarna duikt Bowman, moederziel alleen, de Stargate in – een mysterieuze psychedelische tunnel in de lege ruimte, vol licht, kleur en beweging, waarin je onverbiddelijk wordt meegezogen naar een realiteit ver buiten ons eigen universum. Ik verloor die eerste keer alle gevoel voor tijd; na afloop kon ik onmogelijk zeggen of het twee of twintig minuten had geduurd. Niet voor niets werd de film aangekondigd als the ultimate trip. Het was wel eind jaren zestig, natuurlijk.

De huidige generatie computer graphic wizards sleutelt zo’n Stargate-scène op een achternamiddag even in elkaar. Maar het team van special effects supervisor Douglas Trumbull deed het allemaal zonder computers en digitale technieken. In plaats daarvan werd gebruik gemaakt van de zogenaamde slit scan-techniek van John Whitney, beroemd uit de intro van Alfred Hitchcock’s Vertigo. Nadeel: je moest frame voor frame belichten, ongeveer een minuut per beeldje. Aan de Stargate-scène – 10 minuten in de film – werd in totaal een half jaar gewerkt.

Het werkt op zich simpel. De basis is een van achteren verlicht, verticaal opgesteld glaspaneel van 4 meter lang, met allerlei abstracte voorstellingen. Daarvoor staat een ondoorzichtig scherm met een verticale spleet. De camera bevindt zich op een horizontale rail, haaks op de spleet. Voor elk afzonderlijk frame beweegt de camera tijdens de belichting van voor naar achter. Voor elk volgende frame schuif je het glaspaneel steeds een piepklein stukje op. Een geduldwerkje, maar wel met een verbluffend resultaat, dat ik inmiddels zo vaak heb gezien dat ik het me moeiteloos voor de geest kan halen.

Beeld uit de laatste scene van 2001: A Space Odyssey. Foto RV
Beeld uit de laatste scene van 2001: A Space Odyssey. Foto RV
Beeld uit de laatste scene van 2001: A Space Odyssey. Foto RV
Chronologische reeks beelden uit de laatste scene van 2001: A Space Odyssey. Foto RV

Witte stippen, groene lijnen, paarse vlakken en flikkerende rasterpatronen spatten op me af en schieten langs me heen, alsof ik een oneindig diepe, nauwe tunnel in word gezogen, een regenboog aan tinten die op me af raast, om me heen wentelt en op mijn trommelvliezen beukt, terwijl structuurloze buitenaardse muziek van de Hongaarse componist György Ligeti op mijn netvlies brult, en even later zinderen er pulserende kristallen – buitenaardse ruimteschepen? – boven een golvende rode wereld met eilanden en bergen in donkerbruine en kobaltblauwe tinten – alles in onwezenlijke, apocalyptische groothoekbeelden, en continu afgewisseld door een extreme close-up van Bowmans wijd opengesperde oog. Welkom in een ander universum.

Aan het eind van zijn reis staat Bowman drie maal oog in oog met zijn oudere ik. Uiteindelijk, op zijn sterfbed, is daar weer die zwarte monoliet. Dan zweeft de aarde in beeld, begeleid door de magistrale klanken van Also sprach Zarathustra van Richard Strauss en vergezeld van nóg een blauw oplichtende sfeer: een hemelse foetus, met grote ogen en een zorgzame blik. Het is de slotscène van een film die na een halve eeuw niets van zijn magie en zeggingskracht verloren heeft: het Sterrenkind dat je recht in de ogen kijkt, alsof het wil vragen: ‘Dit is mijn boodschap; wat doe je ermee?’

Ik heb 2001: A Space Odyssey minstens vijftien keer gezien. Ik kan elke scène dromen, maar nog steeds word ik erdoor gegrepen – veel meer zelfs dan die eerste keer, lang geleden – zoals het Requiem van Mozart steeds mooier wordt hoe vaker je het hoort. Wat de werkelijke boodschap is van de film, of van die krankzinnige Stargate-scene, daarover hebben Kubrick en Clarke zich nooit uitgebreid uitgelaten, hoewel de regisseur in interviews met Rolling Stone en Playboy ooit zinspeelde op iets als de zoektocht naar God. Iedereen zal er zijn eigen betekenis aan toekennen. Wie weet is de Stargate wel het wedergeboortekanaal van de mensheid – de weg naar een nieuw, kosmisch bewustzijn. De volgende stap in de evolutie.

2001 viel bij mij als jong sterrenkunde-nerdje natuurlijk vooral in de smaak omdat vrijwel alles klopt, wat je van Star Trek niet altijd kunt zeggen. Het ongemak van gewichtloosheid, de elegante traagheid van koppelmanoeuvres in de ruimte, de doodse stilte van de kosmos, het oeverloos saaie leven van astronauten. Maar wat moest ik met dat overweldigende einde, waar de film de ratio onder me vandaan sloeg? Het ontregelende besef dat er dingen bestaan die ons begrip te boven gaan, overvalt me nog steeds bij het zien van Kubricks meesterwerk. Het is een haast mystieke ervaring, alsof je getuige bent van een visioen, een openbaring. En verrassend genoeg is er vrijwel geen exacte wetenschapper te vinden die daar immuun voor is.

Chronologische reeks beelden uit de laatste scene van 2001: A Space Odyssey. Foto RV

Ja, het is een schitterend verhaal: die mysterieuze monoliet als het instrument van een barmhartige buitenaardse beschaving die homo sapiens aan de hand neemt en stapje voor stapje leert lopen. Maar voor mij markeert het ondoorgrondelijke zwarte blok tegelijkertijd de confrontatie met het destructieve in de mens. Op de Afrikaanse steppe verandert een stuk gereedschap meteen in een wapen; vier miljoen jaar later maakt ruimtevaarttechniek een wereldwijde kernoorlog mogelijk. Technologie heeft de mens volwassen gemaakt, maar daarvoor betalen we wel de tol van het risico op zelfvernietiging.

Om ons voortbestaan veilig te stellen, moeten we onze duistere kant onder ogen zien. De inktzwarte monoliet vormt onze toegang tot de veelkleurige Sterrenpoort, en aan het eind staan we – net als David Bowman – oog in oog met onszelf. Uiteindelijk moeten we de verwoestende volwassenheid van homo sapiens afleggen en opnieuw beginnen, onschuldig als een ongeboren baby, onszelf bewust van onze plaats in de kosmos en van onze verantwoordelijkheid jegens de aarde en de ander.

In 2001 waren we nog niet zover. Anno 2018 ook nog steeds niet. Ik ben benieuwd hoe er over nóg eens vijftig jaar wordt aangekeken tegen 2001: A Space Odyssey. Van mij mag de Stargate open.

Hal

De intelligente boordcomputer in 2001 is de HAL 9000, in gebruik genomen op 12 januari 1992 – dat was anno 1968 nog ver in de toekomst. HAL heeft een invoelende stem (die van acteur Douglas Rain) en kent menselijke gevoelens, wat alleen maar tot narigheid leidt. Officieel staat HAL voor Heuristically programmed ALgorithmic computer, maar al snel werd ontdekt dat je de letters maar één plaats in het alfabet hoeft op te schuiven om bij IBM uit te komen. Volgens Kubrick en Clarke puur toeval.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.