INTERVIEW

Dit is de grootste blueskenner ter wereld

Interview Guido van Rijn

Hollander Guido van Rijn maakte een complete discografie van het blueslabel Paramount. Zo behoedt hij uniek materiaal voor de vergetelheid. V bezocht de grootste blueskenner ter wereld.

Guido van Rijn Beeld Daniel Cohen

In 1920 hebben de bazen van Paramount, een meubelfabriekje in Wisconsin dat sinds een paar jaar ook grammofoonplaten uitbrengt, een helder inzicht: een groot afzetgebied ligt zo goed als braak. Dat van de zwarte Amerikaan. Weliswaar geen volwaardig medeburger, maar soms wel met genoeg geld om een grammofoon aan te schaffen.

De blues was er al lang: meegenomen uit Afrika en doorontwikkeld in het diepe zuiden van de Verenigde Staten. Maar niemand wist ervan. Blues werd gespeeld op plantages en veranda's, in kroegen en op straten waar amper een blanke kwam. Pas als Paramount, en in het kielzog daarvan andere labels, iets gaan uitbrengen wat ze race music noemen, komt de zwarte muziek aan de oppervlakte. Ma Rainey, Blind Lemon Jefferson, Bukka White, Skip James - allemaal komen ze naar Paramount, drinken een slok, slapen een nacht in het plaatselijke hotel en duiken de studio in om - doorgaans à l'improviste - de blues te zingen. En als na tweeënhalve minuut een rood lampje gaat branden, zetten ze er een punt achter.

Het is een kleine eeuw later. De blues groeide, werd elektrisch, liet ook de harten van blanken niet onberoerd. Voor 78-toerenplaten van Charley Patton of Skip James worden nu tienduizenden dollars geboden. Als ik tegen Guido van Rijn (65) zeg dat hij de stervensbegeleider van de blues is, knikt hij instemmend. De grote artiesten zijn dood, die kun je niet meer zien of spreken. En laat je - onverhoopt - zo'n 78-toerenplaat van Paramount, Decca of Okeh uit je handen vallen, dan breekt-ie in duizend stukjes. Zo verdwijnen wereldwijd dagelijks handenvol opnamen. Juist daarom heeft Van Rijn haast. Alles wat die bluesmensen deden, en dan vooral in die glorietijd tussen 1927 en 1932, moet worden vastgelegd. 'Dat gevoel van urgentie, ja, dat heb ik wel.'

Beeld .

Piemel

De administratie en catalogi van Paramount gingen verloren, in de oorlog werden platen vanwege het bakeliet omgesmolten. En de meeste zwarte artiesten waren ongeletterd, ze noteerden hun teksten niet en hadden geen dagboeken. Zo dreigde het grote blueslabel letterlijk te vergruizelen.

Vandaar het jongste project van Van Rijn: het samenstellen van de discografie van Paramount. Het resulteerde in vijf boeken met gouden opdruk en zwarte harde kaft waarin - voor het eerst - is uitgezocht wie wat wanneer opnam. Veel opnamen van bluesartiesten werden opgespoord, met als bijvangst ook een macht aan showorkesten, feestzangers, noveltysongs, hawaïgitaristen, countrysterren, jazzmuzikanten - alles waar de meubelmakers geld in zagen. Wat de boeken feestelijk maakt, zijn de afbeeldingen: op de linkerpagina's staan labelshots, maar ook krantenadvertenties en omslagen van bladmuziek, vaak in prachtige art-decostijl. 'Here is the bluest of the Blues', staat er dan bij Ma Rainey. 'So blue that you and the whole world will forget all other Blues.' Die advertenties zijn altijd door blanken gemaakt, gniffelt Van Rijn. 'Ze hadden geen idee waarover de blues gaat. Hilarisch vaak. Zo'n Black Snake Blues, dat gaat over de piemel van een concurrent. Maar zij laten dan iets uit de dierentuin tekenen.'

Samen met Alex van der Tuuk, een jonge Nederlandse blueskenner, is hij de opnamegeschiedenis gaan reconstrueren. Hun hele netwerk hebben ze uitgekamd om labelshots te vinden, en dan met de matrijsnummers scherp in beeld. Elke ochtend keek Van Rijn op eBay om te zien wat er aan Paramountplaten werd aangeboden. Dan mailde hij de aanbieder: interessant, kun je me ook het matrijsnummer geven? Berouwvol: 'Ik heb heel wat mensen valse hoop gegeven, maar alles in belang van de wetenschap. Mensen zijn trots als ze kunnen zeggen: zoek je die? Nou die heb ik.' Uiteindelijk hebben ze zo 52 procent kunnen reconstrueren van Paramount en de aanhangende labels Broadway en Puritan.

De tekst gaat verder onder de foto

Beeld x

Robert's Blues

Robert Johnson die z’n ziel aan de duivel zou hebben verkocht om beter te kunnen zingen, dat vindt Van Rijn flauwekul. ‘Hysterisch, en ook nog een historische vergissing.’ Toch, vraag je hem naar de grootste blueszanger, dan noemt hij Johnson, vanwege zijn intense zang. Zijn naoorlogse favoriet is Elmore James. ‘Die hysterisch snerpende stem, die prachtige teksten, die snoeiharde gitaar. Ongeëvenaard.’ Moet hij blanke blues noemen, dan wordt het Canned Heat. ‘Die heel oude opnamen vind ik leuk. En wat Alan Wilson (zanger van Canned Heat) met John Lee Hooker maakte, dat is echt goed.’

Beeld Maria Austria Instituut

Cajun, jazz, country

We zitten op de bank in een woonkamer in Overveen, de Bloemendaalse duinen zijn vlakbij. Op de schoorsteen prijkt de piramide die Van Rijn in januari in Memphis kreeg: de Keeping The Blues Alive Award. Daarachter de oorkonde die vertelt dat hij in 2013 Bloemendaler van het jaar was. Om de hoek is het Kennemer Lyceum, waar Van Rijn Engels gaf, dit voorjaar voor het laatst. Elke schooldag het tuinhekje door, schuin het sportveld over en dan was hij op zijn werk. Voor zijn afscheid mocht hij een bluesartiest laten overkomen. Het werd Super Chikan, een zanger-gitarist uit Clarksdale, Mississippi, hometown van veel van de laatste bluesartiesten. Geweldig was het, Van Rijn heeft 'm nog een kleine tournee door Nederland en België bezorgd. Volgend jaar wil-ie weer komen.

Het verhaal van zijn bekering tot de blues heeft hij vaker verteld. Hoe hij als jochie van 12 bij muziekles in de brugklas een stukje boogiewoogie hoort en meteen verkocht is. Het blijkt dat hij Pinetop's Boogie Woogie heeft gehoord, een opname van Pinetop Smith uit 1928. Het ep-tje, dat uit Australië moet komen, wordt per post thuisbezorgd.

Zo'n beetje vanaf dat moment staat zijn muzikale wereldbeeld vast: rock 'n' roll is imitatie, blanke blues het verschrikkelijkste wat er bestaat: ze kunnen niet zingen en geen harmonica spelen. Van die overtuiging is hij niet meer af te brengen. Blues is zwart voor Van Rijn. 'Breed maar zwart', vat hij samen. Zijn enige uitstapjes naar witte muziek zijn cajun, sommige jazz en vooroorlogse country - inclusief Hank Williams.

In 1967, bij het American Folk Blues Festival in het Amsterdamse Concertgebouw, ziet hij Son House, Bukka White en Skip James. Twee jaar later, in België, volgen Earl Hooker en Magic Sam. 'Wie dat heeft gezien, vergeet het nooit meer. Ze deden krankzinnige dingen. Sam, een geweldige gitarist, ging kort daarna dood. Hij experimenteerde met balsemingsvloeistof op z'n sigaretten.'

Big Bill Broonzy

Een groepje jazzliefhebbers dacht in 1953 met Big Bill Broonzy zo'n beetje de laatste grote blueszanger naar Amsterdam te halen, vertelt Van Rijn. Maar laatste grote blueszangers, daar waren er veel van. Filmer Louis van Gasteren legde de concerten vast en bedacht op zijn oude dag dat het zonde zou zijn niets met die opnamen te doen. Hij vroeg Van Rijn hem te helpen ze uit te geven en het bijbehorende boekje te schrijven. Die spoorde Pim van Isveldt op, een Amsterdamse dame die als meisje een relatie met Broonzy kreeg. Jij bent blank, ik ben zwart, had Broonzy tegen haar gezegd: geen zorgen, daar komen geen kinderen van. Een zoon werd geboren: Michael, 2.02 meter lang en 2 centimeter kleiner dan zijn vader. 'Ik heb schoenendozen vol met brieven gelezen', vertelt Van Rijn. 'En foto's gevonden van Broonzy achter de kinderwagen in Amsterdam. Geweldig.'

Verschrikking

Van Rijn richt de Nederlandse Blues en Boogie Organisatie op, gaat concerten organiseren, eerst voor tachtig man in jongerencentrum de Bajes in Amstelveen. Veel later groeit dat uit tot de Bluesestafette in Utrecht, misschien wel het grootste bluesconcert van de wereld. Intussen begint hij ook Agram Blues Books, dat werk van vooroorlogse artiesten uitbrengt en ook zijn boeken uitgeeft.

Al die jaren ziet hij de blues wegkwijnen: muzikanten krijgen witte begeleiders, er sluipt meer soul in, blazers en piano worden vervangen door synthesizers. Blues is een stervende kunstvorm, weet hij. 'Wie nu als helden worden vereerd, zijn eigenlijk derderangs.' De grote tijd, dat was 1927 tot '32. 'Nu keert de zwarte bevolking zich af van de blues. Slavernij, ze willen er niks mee te maken hebben. Terwijl blues de enige originele cultuur is die Amerika voortbracht. De hele popmuziek is er op gegrondvest.'

De Verenigde Staten noemt hij een verschrikking. 'Ik denk weleens: woonde ik daar maar, dan kon ik lekker elke dag op platenjacht. Maar ik moet er niet aan denken. Het zijn rare puriteinen. Kijk wat er gebeurt in Ferguson: met een zwarte huid ben je nog steeds minderwaardig, dat zit zo diep.'

Blues draait om de tekst, vindt Van Rijn. Een regel, nog een keer dezelfde en dan de rijmregel - dat is het stramien. Heel praktisch: heb je het de eerste keer niet goed verstaan, dan krijg je een tweede kans. Het gaf de artiesten in de studio ook de kans na te denken: hoe laat ik dit rijmen? En dat mensen denken dat blues somber is, berust op een misverstand. 'Het gaat om het leven zoals we dat elke dag meemaken, de mooie dingen, de slechte dingen van het aardse leven. Zoals de gospel, in wezen dezelfde muziek, gaat over het leven na de dood. Dat geeft rust, en het relativeert: o, dus ik ben niet de enige die dat meemaakt.'

The Rise and Fall of Paramount

Onder de piano in Guido van Rijns woonkamer staan twee enorme koffers. De een oogt als een ouderwetse koffergrammofoon in streamline stalen design, in de ander is berkenblad verwerkt. Het zijn deel I en II van The Rise and Fall of Paramount Records, verschenen bij Third Man Records, de firma van Jack White, bekend van The White Stripes en meer. Die had zich in het hoofd gehaald een eerbetoon aan het label Paramount uit te brengen. Van Rijn en Van der Tuuk vroeg hij de discografie en de biografieën te schrijven, illustraties te zoeken en te helpen bij de bloemlezing. Gniffelend maakt Van Rijn de boxen open. In velours gevat: zes gemarmerde 78-toerenplaten, diverse boekwerken en gestileerde usb-sticks met nog veel meer Paramount-muziek. Prijs? 400 dollar per stuk. 'Leuk hè', grijnst hij. 'Het is natuurlijk flauwekul, maar er staat lekker veel blues op.' The White Stripes? Nee, daarnaar heeft Van Rijn nog nooit geluisterd.

Beeld .

Blueskamer

We gaan de trap op, naar wat Van Rijn zijn blueskamer noemt. Overal boeken, opbergmappen met tijdschriften, rijen lp's, cassettebandjes, 78-toeren platen. De gitaar en mandoline die er staan, zijn voor bezoekers - Van Rijn zelf speelt niet. Even later schalt Jimmy Reed uit de boxen. Jakkerige elektrische gitaar, jubelende, vlijmscherpe harmonica. Moet je horen, zegt Van Rijn, die enthousiast zit mee te wippen. '1953, begin van de basgitaar. Later maakte Elvis daarmee goeie sier.'

Nu wacht een ander project: de geschiedenis van het Kennemer, dat net als de blues in 2020 zijn eeuwfeest viert. Hij laat de eerste pagina's zien: foto's van deftige heren, ministers, tennisvedetten uit de jaren twintig, een eindeloze stoet bussen voor een schoolreisje. Maar ook Jac. P. Thijsse en Anton Pieck, die er les gaven. 'Heerlijk toch, weer zo'n hele eeuw om doorheen te gaan.'

De vijfdelige compilatie over het Paramount 78-label van Guido van Rijn en Alex van der Tuuk kan worden besteld bij agramblues.nl

President's Blues

'Het blijft een raadsel waarom de zwarte bevolking massaal op Roosevelt stemde', schreef de Leidse historicus Alfons Lammers in zijn boek Roosevelt, koning van Amerika. Dat raadsel wil ik oplossen, dacht Van Rijn. Het antwoord werd Roosevelt's Blues, zijn eerste boek over Amerikaanse presidenten en de blues die over hen werd gezongen; het was meteen ook zijn promotieonderzoek. Nog vijf boeken zouden volgen, telkens met bijbehorende cd's.

'Historici baseren zich op geschreven bronnen, maar ik gebruikte de orale traditie. Dat was een nieuwe manier van geschiedenis schrijven. Die bluesmannenwaren ongeletterd; ze gingen gewoon de studio in en begonnen. Ik heb die teksten helemaal ontcijferd. Het is als met moderne poëzie: je leest de regels en vraagt je af waarom die sprong is gemaakt. Je kruipt in de huid van de zanger.'

Voor een Amerikaanse editie van Roosevelt's Blues kon hij kiezen uit tal van universitaire uitgevers. Het werd de University Press of Mississippi, dicht bij de bron van de blues. Later durfden de Amerikanen het niet meer aan, vanwege de copyrights. Nu geeft Van Rijn de boeken zelf uit.

The Carter, Reagan, Bush sr., Clinton, Bush jr. & Obama Blues verscheen in 2012: zes presidenten in één boek, dat weerspiegelt heel goed de stand van zaken. Van Rijn moest soepel zijn om dat boek te vullen. 'Ik heb de grenzen wat opgerekt naar de soulkant, maar het moet wel zwart zijn.' De boeken worden nu aan Amerikaanse universiteiten gebruikt, bij lessen over burgerrechten, Vietnam of de roaring twenties.

Beeld .
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.