DINGEN KUNNEN OOK MISLUKKEN

Hij bouwde een vliegtuig dat echt opsteeg, en een houten auto die op hout liep. Het oeuvre van Joost Conijn is doordrenkt van heroïek....

De kunstenaar is zojuist neergestort. Daar ligt zijn zelf gebouwde vliegtuigje op een Tsjechische akker: de kop geknakt, de neus in de grond geboord. De kunstenaar kijkt zijn reisgenoot aan die het ook overleefd heeft en die wonder boven wonder blijft filmen. Een blik vol uitzinnige opluchting. ‘We hebben helemaal niks, man’. Adrenaline bruist. Zulke ogen zie je alleen bij jonge vaders – of bij een net aan de dood ontsnapte.

Dan, in de film OK-KUL 09 (2006), zit de kunstenaar in een ambulance, waar het besef over wat er zojuist gebeurd is, in hem zinkt als een steen in een rivier. Hij wordt er bleek van, wrijft zich over het gezicht, leunt achterover, voorover. Jaren ouder lijkt hij ineens. Want hij en zijn vriend hebben het dan wel overleefd, zijn kunstwerk is mislukt. Al die moeite, al die plannen en al dat blinde vertrouwen in de goede afloop: weg. Alles is nu anders.

En het leek nog wel zo eenvoudig in elkaar te steken, voor Joost Conijn en zijn publiek. Er zijn denkers en doeners. Praters en makers. Thuisblijvers en reizigers. De ‘misschien’-zeggers en de ‘ja’-zeggers.

Zo duidelijk lijkt de wereld te worden ingedeeld door het werk van de Nederlandse kunstenaar Joost Conijn, bouwer van voertuigen en maker van films. Bij uitgeverij Valiz verscheen vorige week het boek IJzer en Video, tegelijkertijd met zijn eerste grote solotentoonstelling in museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam. Boek en tentoonstelling tonen een oeuvre dat doordrenkt is van dadendrang.

De maker vindt uit, observeert, last, schrijft verhalen en gaat op avontuur onder de noemer van beeldende kunst – omdat dat een terrein is waar je heel veel verschillende dingen in vrijheid kunt doen. En doen is het middel en het doel.

Joost Conijn (Amsterdam, 1971) bouwde een fiets die achteruit reed en een brommer met zijn eigen lichaam als chassis. Hij maakte een een poort van autodeuren die vanzelf openging als je er op afreed; het ding staat nog steeds ergens in de woestijn, in Marokko. Hij bouwde eigenhandig een vliegtuig dat echt opsteeg, en een houten auto die op hout liep. Met die auto reed hij door voormalig Oost-Europa tot in Tsjernobyl, waar hij vis at uit het verdoemde water daar.

‘De slagboom van het grootste gebied afgesloten voor de mens ten gevolge van een ramp, gaat voor ons open. We praten niet terwijl we over de rechte weg rijden die ons naar het hart van de zone leidt. We speuren om ons heen, bang als we zijn voor de straling, maar die is niet te zien.’

(uit: De zone, 2001)

Daarna reed hij als outsider de wielerronde van Senegal. Vervolgens bleef hij thuis, rond zijn woonwagen op het afgelegen ADM-terrein in Amsterdam, om daar een stel buiten de wet en maatschappij levende kinderen op video vast te leggen. En begon daarna aan een nieuw vliegtuig.

Conijns voertuigen zijn mooi in hun eigen recht: eenvoudig, handgemaakt, zonder prefab oplossingen maar altijd functioneel. Van die werken en reizen maakte hij films, die eenvoudig Vliegtuig of Houtauto heten. Ze werden vertoond in zowel highbrow kunstinstellingen als op het documentairefestival IDFA, de televisie, in buitenlandse galeries en manifestaties en tijdens voorstellingen op gekraakte terreinen aan de rand van de stad. Ze zien er verleidelijk ongecompliceerd uit. Geen muziek, de camera dicht op het onderwerp, af en toe een eenvoudige vraag. Net zo eenvoudig als Conijn over zijn eigen werk spreekt. ‘Nou, waarom niet, ik denk dat iedereen een vliegtuig kan bouwen’ zei hij tegen de makers van een televisiedocumentaire in 2000, terwijl hij olie in zijn eigen vliegtuig goot.

Maar iedereen weet dat dat niet zo is. Terwijl Conijn het luchtruim kiest, blijf je als kijker achter aan de denkende, thuisblijvende, ‘misschien’-zeggende kant van een gapende kloof. De kant waar geen vliegtuigen gebouwd worden, de klokthermostaat zijn werk doet en de premie voor de begrafenisverzekering op tijd betaald wordt.

‘We liggen languit in het gras naast de baan. Ik moet nog veel oefenen, maar het gaat perfect, hele mooie landingen, zegt Jelle. Ik zeg tegen Jelle: ‘Wil jij niet een rondje?’ Jelle antwoordt dat het niet mag van zijn vrouw, mocht hem iets overkomen, dan moet zij het hele stuk rijden naar Nederland.’(Politieman, 2006)

Zo’n kloof is misschien een diepromantische voorstelling van zaken, daarom is hij nog niet onwaar. Eerder klassiek. Hij werd bijvoorbeeld in het geboortejaar van Joost Conijn op de radio gebracht door Godfried Bomans en Jan Wolkers die na elkaar op het verlaten waddeneiland Rottumerplaat verbleven. Waar Bomans koortsig en bang voor de krijsende meeuwen een week lang in zijn tent schuilde en het bijna bestierf van eenzaamheid, liep Wolkers ‘in zijn naakte donder’ rond, leefde van zelf gevangen garnalen en zelf geplukte zeesla en redde een jonge zeehond het leven. Luister naar de opnames (uitgegeven als luisterboek) en je weet met wie je je het liefst identificeert – maar ook op wie je waarschijnlijk het meeste lijkt.

Er schuilt nu eenmaal romantiek in de eenvoud, in het opheffen van obstakels en bezwaren en in die hang naar vrijheid, die zich overigens maar al te graag laat beschrijven. Auteur Tommy Wieringa zocht bij de kunstenaar de informatie en de finesses voor de hoofdpersoon in zijn roman Joe Speedboot, die een vliegtuig bouwt en daarmee de bewoners van het verstikkende romandorpje Lomark schrik aanjaagt.

Van een afstandje bekeken lijkt Joost Conijn zelf ook wel een beetje een romanpersonage. Inclusief details als een atletisch en tegelijk keurig uiterlijk, een voorkeur voor witte broeken en een stoet aan mooie meisjes en handige jongens die zich korter of langer bij hem aansluiten. En het gerealiseerde voornemen om nooit van zijn leven één druppel koffie te drinken, omdat dat tot de rituelen van de volwassenheid behoort (haalt auteur A.L. Snijders aan in het boek IJzer en Video).

Dat laatste verbindt hem met de kunstenaar Panamarenko, meer nog dan het feit dat die ook vliegtuigen, vliegende schotels en onderzeeboten bouwt. Die zullen nooit echt bewegen, iets wat voor de kunstenaar Conijn onvoorstelbaar is. Maar beiden hebben het vermogen behouden om nieuwsgierigheid en vastberadenheid, die bij vrijwel alle mensen in de puberteit gesmoord wordt, over de grens naar volwassenheid te tillen. Als ‘kinderdromen die volwassen worden in hun eigen recht’ zoals Panamarenko in 2000 tegen de Volkskrant zei.

Er zijn ook andere verwante geesten. Zelf noemt Conijn John Körmeling, de al even onorthodoxe ingenieur-kunstenaar, vanaf hun eerste ontmoeting zijn grote voorbeeld en beste criticus. Ook Körmeling mystificeert niet en presenteert oplossingen die zo voor de hand liggen dat niemand ze durft te bedenken: maak van het Museumplein een stuk snelweg, of zet het woord THEE op een theehuis.

De vanzelfsprekende schwung waarmee alles lijkt te lukken bij dit soort kunstenaars maakt jaloers. Acteur Frank Lammers, onlangs met de kunstenaar samen in de talkshow De wereld draait door, verwoordde de meest primaire reactie op het fenomeen met een zucht: ‘Ik wou dat ik Joost Conijn was.’

Maar hoe lang blijft een kunstenaar een held uit een jongensboek?

‘Wielrenners bezitten de gewoonte hun benen te scheren. Dit is het brandmerk van een echte coureur. Ik ben met mijn ongeschoren benen een schaamteloze vertoning. Mijn val is de bevestiging dat ik, hoewel ik het wiel kan houden van een Italiaanse prof, zeker niet moet denken dat ik een wielrenner ben.’(uit ‘Egoïsten van het zuiverste ras – de wielerronde van Senegal’, 2003)

In de binnentuin van het museum Boijmans Van Beuningen ligt het vliegtuigje OK-KUL 09, waarmee Conijn en zijn reisgenoot John Treffer in 2005 neerstortten. Van de schroef is niets meer over. In de rest van de film bevragen de kunstenaar en zijn co-piloot elkaar tot vervelens toe: wat ging er mis? Na een week begint de kunstenaar een beter model vliegtuig te schetsen, maar het heilige vuur is eruit. De grote wens om op te stijgen maakt plaats voor meer praktische wensen als beter zicht en een noodparachute. Weg heroïek.

Een eerdere gebeurtenis is daarvoor minstens zo belangrijk geweest. In 2004 maakte Conijn de film Siddieqa, Firdaus, Abdallah, Soelayman, Moestafa, Hawwa, Dzoel-kifl, waarin hij het dagelijks leven vastlegde van de in totale vrijheid levende broers en zussen uit de titel. In feite een ode aan het ongerijmde, het niet gecontroleerde. De zeven kinderen speelden op hetzelfde terrein waar Conijn woonde dag in dag uit in de modder. Ze stookten vuren, bakten eieren, sloopten caravans met een bijl en leerden zichzelf wat nodig was. In de film worden ze niet geobserveerd, maar word je een van hen. ‘Joost waar was ju de heele tijt’ schreven ze op een briefje aan de kunstenaar.

Kort nadat de film voltooid was, overleed de moeder van het gezin en werden de kinderen in een wilde actie van Jeugdzorg en de gemeente Amsterdam van hun bed gelicht, uit elkaar gehaald en in tehuizen en gezinnen geplaatst – de kranten en televisie hielpen een handje. De idylle die Conijn misschien wel al te naïef geschetst had, bestaat inmiddels niet meer. Het moet een harde dobber zijn geweest.

Dingen kunnen mislukken, óók als je ze heel graag wilt. Toch zijn het juist deze twee voorvallen die ervoor zullen gaan zorgen dat Joost Conijn zich zal ontwikkelen tot meer dan een tweedimensionale held. Tot een volwassen kunstenaar die toch niet bij de praters, de ‘misschien’-zeggers gaat horen.

Want de kunstenaar is sindsdien als held uit zijn eigen verhaal verdwenen en de ware drijfveer wordt daardoor des te duidelijker. Die drijfveer is oprechte interesse voor, en de wil om de wereld te begrijpen. Zowel de werking van een houtvergasser, als de mensen die hij langs de weg tegenkomt. In eerder films werd de aandacht vooral getrokken door de spectaculaire voertuigen, maar de weg en de mensen waren altijd al minstens zo belangrijk.

In de meest recente film Olland, volgende week op televisie, gooit Conijn het over een sociaal-politieke boeg. Met carte blanche van de Humanistische Omroep vertrok hij met vrienden John Treffer en Rogier Walrecht naar het Rifgebergte en maakte daar een lange, zware fietstocht.

In de film, waarbij de kunstenaar zelf nauwelijks in beeld is, worden de drie fietsers tot in de verste uithoeken van het gebied verlegen makend gastvrij ontvangen door mensen met een middeleeuws werk- en leeftempo. Die koken voor hen, zetten thee, bieden hun salon als slaapplaats aan – en diepen vrijwel allemaal, uit alle generaties, woorden Nederlands uit hun geheugen op uit hun tijd als legale of illegale arbeider.

Het is zeker niet Conijns beste film. Maar zoals Conijn eerder de kijker meenam naar de vergeten randen van Oost-Europa, waar zijn houten auto hem bracht naar oorden ver van bezinepompen, trekken we nu met hem en zijn vrienden mee een gebied in waar heel bestuurlijk Nederland de mond vol van heeft, maar het nauwelijks kent. Opnieuw werkt de film als een oproep om achter de krant, de computer, de koffie vandaan te kruipen en te doen. Want wie echt iets wil begrijpen, die blijft niet thuis.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden