Die specht roffelt mij er nog steeds dik uit Han Bennink ontdekte dat je kunt drummen op alles

Hij kan verschrikkelijk 'powerful' zijn, maar houdt ook van fluisterzachte jazz-brushes. Slagwerker Han Bennink hoort tot de wereldtop op zijn instrument - geliefd en gevreesd om zijn grilligheid en rabiate energie: 'Drie concerten met Percy Sledge, dan lul je niet meer.' Augustus is een drukke maand: Hamburg, Italië, een tourneetje...

STEEDS MAAR weer voorwaarts, stukje bij beetje de weg verkennend volgens een fictief stratenplan. Zo stelt Han Bennink zijn drumstudie in eenzaamheid voor, als hollen en stilstaan van straat naar straat, met de oefen-pat om het bovenbeen. 'Ik speel en situeer mezelf in een omgeving die ik ken, ik ken de huizen, ik weet waar de bakker zit, ik voel me thuis in die straat. Ik speel en vorder steeds weer een beetje. Op een gegeven moment merk ik dat ik halverwege ben, en ik realiseer me dat er op het eind van de straat een zijstraat is. Die zie ik alleen maar, ik hou me er verder helemaal niet mee bezig, ik blijf maar doorspelen in diezelfde lange straat. Vervolgens doet zich de gelegenheid voor dat ik even om de hoek kan kijken - dat klinkt merkwaardig, maar het is echt zo.

'En dan, maanden later, dan speel ik en ben ik ineens in die andere straat. En dan krijg je weer hetzelfde verhaal; het is een richting, ik zet mezelf in gang als het ware, als in zo'n lift, een paternoster. Meer kan ik er niet over zeggen.'

Moedig voorwaarts dus, luidt het devies. De weg terug is best te doen, maar niet interessant, zegt Han Bennink. Waar het hem om gaat, is wat hij vindt op zijn pad. Of hij het waarneemt voor wat het waard is, besluit het op te rapen en mee naar huis te nemen of juist niet - 'man, al die keuzes', dat is het soort gezeik dat hij voortdurend in zijn kop heeft.

De drie lipsticklippen op het hoesje van de recente cd Love Henry van Trio Clusone, het trio dat Bennink met saxofonist Michael Moore en cellist Ernst Reijseger vormt? Heeft hij gevonden. Op een briefje, 'in 1977 in de Dorp

straat'.

Han Bennink (Zaandam, 1942), drummer/beeldend kunstenaar, verzamelt van alles en nog wat, muziek in hoofd en gestel, etnografische kunst om zich heen en duizend waardeloze dingen, 'objets trouvés'. Hij vindt gewoon een saxofoon, een klein gekreukt papiertje in de vorm van een saxofoon. 'Is toch schitterend? Dat ga ik zelf niet zitten maken. Die dingen bestaan gewoon. Je moet kijken. Die vorm van kijken, naar een object kijken en proberen erachter te kijken, dat is een hele kunst.'

Stijlloos noemt hij zijn manier van drummen. Als hij maar herkenbaar is, zoals alle groten, Charlie Parker, Thelonious Monk, Kenny Clarke, John Coltrane, herkenbaar zijn. Door hun manier van timing, van fraseren, 'van alles, van in het leven staan'.

Staat erom bekend dat hij ontzettend powerful kan spelen, maar kan ook heel zachtjes met 'jasbezems', jazzbrushes. Hij kan swingen en 'abstract spelen', maar is geen echte swinger en ook geen echte abstracte. Han Bennink is een pendelaar, hij wil 'erin en eruit manoeuvreren' met z'n 'merites'. Nam ooit binnen een week een soloplaat op met Cecil Taylor en speelde drie concerten met Percy Sledge, waarvan eentje in Berlijn op een tennisgala. 'Kijk, dan lul je niet meer. Dat vind ik leuk. En dan speel ik in mijn solo's bij Percy Sledge ook gewoon mijn eigen oude rare shit. Ga ik ook van mijn drumstel af, no problem.'

Het moet bij hem wel een beetje 'van het ene doosje in het andere gaan'. Hij kan ook niet te lang naar één soort ding luisteren. Bopmuziek die maar doorgaat of iets Hongaars, van die stereotypen, als het die kant uitgaat, dan háát hij muziek. En als hij een oorwurm heeft, een melodie die blijft doormalen in zijn kop, na studio-opnamen.

Vroeger was hij een fanatieke platendraaier - 'maar dat is thuis totaal afgelopen'. Dierengeluiden draaide hij onder het eten, of pygmeeënmuziek. Vonden zijn kinderen vreselijk. Maar nu heeft hij van Femke, zijn jongste dochter, gehoord dat er tegenwoordig ook housemuziek bestaat met junglesounds. 'Dan denk ik: het kruipt dus toch wel weer terug.'

Het hek zit dicht, had hij door de telefoon gezegd. Daarachter is het, daar moet je wezen, je kunt het erf gewoon oprijden. Hoe nors is de ontvangst; staat daar een dandy-boer op klompen met een gezicht van misprijzen naast het portier van zijn auto. Jazeker, zegt hij nog steeds aangebrand, hij was bezig weg te gaan; op te laat komen staat bij hem de doodstraf.

Dan is het oké. Koffie toebroek kan hij maken, is dat goed? Eigenlijk woont hij een eindje verderop aan de Vecht, met vrouw Masje en 'prachtmeid' Suki, oudste dochter van dertig, die geestelijk gehandicapt is en heel prachtig tekent. Maar de stal is van hem, dit is Han Benninks privé-domein. Hier is hij in zijn eentje, hier woont hij ook wel voor korte of langere tijd, en werkt hij aan zijn rugzak met muzikale bagage.

De ruimte heeft het effect van kerkbezoek op een schelle zomerdag. Het zijn niet alleen de kilte en de duisternis die je losmaken van het gedoe van alledag. De stal heeft op zijn eigen manier iets religieus. 'Vind ik een compliment', zegt de eigenzinnige plattelander, die in zijn beste humeur ontwapenend als een jong knaapje blijkt te zijn. 'Sjamanisme, magie, die kant moet het op.'

Wat oppervlakkig gezien de indruk van een uitdragerij wekt, blijkt de orde van een museum te hebben. Slecht verlicht - dat wel, met dichtgeschilderde ramen en een schemerig peertje. Vanaf deze plek, waar bureau, stoel en potkachel staan, is het exposé divers gecomponeerd: een rechthoek omzoomd door een looppad. 'Vanaf de andere kant vind ik er geen zak aan.' Keurige stapels boeken (Red Man's Religion, iets van Ezra Pound) zijn er uitgestald, een Tibetaanse klankschaal, andermans kunstwerken aan de muur (Lucebert, naamloze exotica) en eigen kunst, naïef, op het dadaïsme geënt knutselwerk: een vogelveer die op een trekveer danst, uit sommige composities steken kapotte drumstokken.

'Kijk', zegt hij, 'deze foto moet je even zien. Louis Armstrong, dat is mijn absolute held, en Gert Timmerman. Door beiden gesigneerd. Die heb ik gestolen uit de oude Philips-studio in Hilversum.' En hier, een meesterlijk briefje van een kind naar aanleiding van een schoolconcert dat hij gaf: besten Han, het was leuk maar kan u niet wat meer biet spelen en wat minder hart. dat was wat ik kwijt wilde. doei, groeten Maikel.

Jazeker, hij weet precies waar alles ligt, orde moet er wezen. Dat had zijn vader ook, 'op het neurotische af', die kon thuis de plooien van de gordijnen nog niet scheef zien hangen. Fijne man was dat en 'zo creatief, dat hield je niet voor mogelijk, ik kan helemaal niks, ik kan geen spijker in de muur slaan, maar mijn vader had gouden handen, schilderde ook voor zijn plezier, een beetje Haagse-Schoolachtig'.

Tien was hij toen zijn vader, Rein Bennink, als slagwerker een vaste baan bij De Zaaiers kreeg, het orkest van de AVRO, en het gezin van Zaandam naar Hilversum verhuisde. Vanaf zijn twaalfde mocht Han Bennink mee naar Studio 1, waar De Bonte Dinsdagavondtrein werd opgenomen, en ging dan naast zijn vader zitten, 'kijken hoe het moest'. Was het pauze, dan klom hij achter het drumstel. 'Zat ik daar helemaal in mijn eentje, een ongelooflijk gevoel was dat.'

Zijn vader heeft hem ook aan de jazz geholpen; Tiger Rag van Louis Armstrong en Sing Sing Sing van Benny Goodman en Gene Krupa waren zijn eerste platen. Piekfijne spullen kocht hij voor hem, hij timmerde een oefenplek op zolder en de bekende studiodrummers uit die jaren, die wél verstand hadden van het moderne werk, stuurde hij naar boven om te luisteren of het wat voorstelde wat die jongen daar deed.

En het was ook zijn vader die hem leerde de vloer als klankbron te gebruiken. De eerste keer was in La Cortine, eind jaren vijftig. Voor Nederlandse soldaten traden ze daar op ('ik ben nooit in het leger geweest, dat wilde ik niet, maar ik speelde wel voor het leger, dat maakt me niks uit, ik speel voor christelijk-gereformeerden, voor alle kleuren, maar niet voor de rednecks, dat verdom ik').

Met een parachutistenvliegtuig waren ze opgestegen vanaf Soesterberg. Ze maakten deel uit van een showprogramma met André van Duin, de Weekend Showgirls, Rita Corita, Ria Zamora. En Sing Sing Sing was de kroon op de avond; Rein Bennink voor de gelegenheid op klarinet, zoon Han op drums. 'En dan nu, de jongste van de band, hij zal de avond besluiten. . .', zo ging dat. Maar door de hitte waren de vellen van zijn tom-tom gebarsten.

'Ik heb gehuild, dat weet ik nog. Zeventien was ik, en mijn vader heeft me getroost. Ik zei: ''Maar dat kan ik helemaal niet alleen met mijn snare.'' Toen zei mijn vader: ''Dan doe je het toch gewoon op de vloer.'' Dat werd een enorm succes. Toen heb ik ontdekt dat je kunt drummen op alles.'

Naderhand, toen hij steeds meer de abstracte kant op ging en met pianist Misha Mengelberg ging spelen, is zijn vader nooit meer wezen kijken. 'Met (altsaxofonist) Piet Noordijk vond hij het nog wel leuk, maar daarna - hij vond het vreselijk mij te zien spelen. Hij kreeg het er benauwd van, weet je dat? Ik heb het nooit echt begrepen, maar wel gerespecteerd.

'Hij was teleurgesteld in het vak, daar had het mee te maken. Hij had zijn creativiteit verkocht voor een vaste baan in het orkest. En na jaren van hard werken, toen het orkestenbestand van de omroepen op de helling ging, werd hij er gewoon uitgesodemieterd, zoals iemand bij Philips in de fabriek. Dat heeft hem ontzettend pijn gedaan.

'En hij had totaal geen feeling meer met de muziek. Dat vind ik wel jammer, maar je kunt het hem niet kwalijk nemen. Mijn zoon draait ook platen waar ik geen reet aan vind; ik hou niet van rap, belachelijk hè, dat vind ik nou totaal achteruit swingen. Maar wat mijn vader wel tof vond: dat het financieel goed ging met mij.'

Vroeger, om precies te zijn vanaf zijn tweede tot zijn vierentwintigste, had Han Bennink een spraakgebrek. 'Alle zinnen moesten met Maar beginnen, anders kwam het er niet uit.' In Hilversum zat hij op het Nieuwe Lyceum, daarna op de Ulo. Werden er leesbeurten gegeven op de rij, gooide hij een pot inkt over zijn kleren om er onderuit te komen, 'ja, echt wel heavy'. Afzonderen, in zijn uppie fietsen in de natuur, maar wel hippe kleren aan en naar Little Richard luisteren, zo'n jongen was hij. Op de 'kunstschool', de voorloper van de Rietveld Academie, ging het al veel beter. Toen hij eenmaal getrouwd was, was het stotteren zo goed als over.

Pas was hij weer in Calgary, op een korte Canadese tournee. Met trombonist Ray Anderson speelde hij er op het jazzfestival. Dan gaat de 'Peterson' mee, gids voor Western Birds. Een drummer die vogelspotter is, 'dat kan helemaal niet joh', en toch is het zo. Van Europese vogels weet hij redelijk wat, maar in Canada moest hij alles naslaan.

Zoekt steevast de parken en de rivieren op in de grote wereldsteden. Voor de dieren, maar ook voor de mensen; het zijn plekken met een bepaalde aantrekkingskracht, voor een homoachtige scene bijvoorbeeld. Nu was het een beetje koud bij de Bow River. Er gebeurde weinig. Maar hij vond toch een red shafted flicker. 'Heel merkwaardig, geen homo maar een vogel, een prachtige vogel, hij behoort tot de familie van de sap suckers. Dat soort dingen schrijf ik dan op in mijn dagboek.'

Wandelen is goed voor het 'systeem', zegt hij. Dat moet in orde zijn, want alles is gericht op het spelen 's avonds. Heel belangrijk ook dat hij gelijk gaat kakken als hij opstaat, 'net zoals Louis Armstrong'. Han Bennink zweert bij een lekkere groffe vezel. 'Ik moet er niet aan denken dat ik moet spelen met een drol in mijn lijf, dat swingt voor geen meter.'

In Vancouver gaat hij altijd naar Stanley Park, rolschaatsen of fietsen en naar de kolibri's kijken. Daar zag hij ook voor het eerst de palliated woodpecker, een zwarte specht met een grote rode snavel. 'Nou zul je zeggen: wat zit ie nou te lullen over spechten. Maar ik studeer nu al bijna vijfendertig jaar op een roffel en die spechten die roffelen mij er natuurlijk nog steeds dik uit. Die hebben zo'n ontzettende steady roffel. Dat zijn mijn favoriete drummers, spechten.'

Maakt ook in hotels zijn bed keurig op. Zes soorten body-lotion en een showercap in de badkamer, en dan zo'n kaart die je in een gleuf moet steken, ook voor tv, koelkast en lift - 'het is een totaal waanzinnige wereld aan het worden voor mij'. Hij wast zich altijd heel ouderwets bij een teiltje en stromend water. Houdt niet van zwemmen, 'daar krijg ik dooie vingers van'.

Het liefst is hij gewoon thuis in Loenen, in zijn dagelijkse doen. 'Nescio-achtige ritjes maken' met zijn vrouw, van Abcoude langs het Gein naar Amsterdam, wat drinken en dan weer terug. Of 'tempo fietsen', op een heel klein verzet, naar Kockengen, Haarzuilens, Nieuwkoop.

Voordat je het weet word je door nieuwbouw omsloten, zegt hij. Het is al moeilijk genoeg om alle ruis op een afstand te houden. Daarom trekt hij zich terug in zijn stal. In wat hij maakt, als drummer en als beeldend kunstenaar, mag hij aandoenlijk lijken - 'een raar, groot kind' - intussen is hij nogal zorgelijk van aard.

Over zijn muziek heeft hij geen twijfels, het denken gaat altijd wel door. Of er ook brood op de plank komt is wat anders. Zeker, hij heeft een bevoorrechte positie en is beroemd tot in Japan ('Ik heb er wel eens vijfenvijftig cd's van één iemand moeten signeren'). Maar dat hij op zíjn leeftijd nog steeds geen poen op tafel kan leggen, dat vindt hij erg, daar heeft hij de laatste tijd wel eens wakker van gelegen, 'ik zweer het je'.

'Ik heb natuurlijk heel veel commerciële jobs gedaan, en ik doe ze nog steeds, want ik hou niet van armoede. Maar ik zou bijvoorbeeld veel intensiever met Trio Clusone willen spelen. En dat kan niet. Er zijn misschien vijftien podia in Nederland. En ik zit in een aantal groepjes. Als ik ergens heb gespeeld, hoef ik niet nog een keer met Instant Composers Pool of Clusone aan te komen. Dan zeggen ze: ''Han Bennink is al bij ons geweest''. Zo zit dat in mekaar en dat is vervelend. Want als ze opbellen, pak ik die job, begrijp je? Je kan niet zeggen: misschien krijg ik wat anders.'

Treedt hij met punkgroep The Ex op, krijgt hij nota bene vijfhonderd gulden voor een concert, terwijl hij anders, volgens de BIM-norm, met 250 gulden naar huis gaat. 'Dat is ook de reden waarom ik geen BIM-lid meer ben; 25 jaar bestaat die BIM en ik ga niet eens in prijs omhoog.'

Hij gaat vaak opgefokt naar een gig, maar wel altijd op tijd, zodat hij op zijn gemak kan parkeren en de akoestiek kan uitproberen. Die rituelen zijn belangrijk. Soms is hij er van tevoren al zo mee bezig geweest dat hij het idee heeft dat hij een concert al veertig keer heeft gespeeld. Want het móet goed gaan.

Welzeker, beaamt hij, iets kwaadaardigs, demonisch is hem niet vreemd. Als hij zichzelf soms terugziet op een video-opname met dat rare, rode, kwade gezicht, helemaal vertrokken alsof er iets uit moet, dan schrikt hij ook wel van zichzelf. 'Als ik niet zou drummen, zou ik staatsgevaarlijk zijn.'

Han Bennink speelt op de Available Jelly Music Summit 1997 (Felix Meritis, Amsterdam, 12-16 augustus), met het Trio Clusone (Parade, Den Bosch, 15 augustus) met het kwartet Willem Breuker/ Arjen Gorter/ Henk de Jonge (Dizzy, Rotterdam, 28 augustus), en in diverse bezettingen tijdens de Zomerjazzfietstour Groningen (30 augustus).

De recente cd van het Trio Clusone heet Love Henry en verscheen op het label Gramavision.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden