Die blijvende drang om modern te zijn

De geschiedenis van Nederland in de twintigste eeuw is niet te begrijpen zonder een helder beeld van de ontwikkelingen in de techniek....

Hoe groot is de invloed van de ontwikkeling van de techniek op de Nederlandse geschiedenis in de vorige eeuw? Dat was de vraag aan het begin van de historische onderzoeksreeks Techniek in Nederland in de twintigste eeuw (kortweg TIN20), die in 1998 van start ging. Woensdag ontving de koningin in Amsterdam het zevende en laatste deel, met het antwoord. Dat luidt, niet verwonderlijk: heel groot.

Is dat een belangrijke conclusie? Jazeker, benadrukte programmaleider prof. dr. Johan Schot, hoogleraar geschiedenis van de techniek aan de Technische Universiteit Eindhoven, tijdens een speciale persbijeenkomst. Van Nederland is de politieke en economische geschiedenis wel bekend. Maar de maatschappelijke invloed van techniek, van de komst van de wasmachine tot de aanleg van Schiphol, is altijd onderbelicht gebleven. Hij weet inmiddels beter: 'Historische ontwikkelingen zijn niet te begrijpen zonder technologische ontwikkelingen mee te nemen.'

TIN20 was het afgelopen decennium een waar historisch deltawerk. Financieel gesteund door een waslijst aan subsidiegevers, van het Prins Bernard Fonds tot Shell, bogen tientallen techniekhistorici zich over de meest uiteenlopende technologische ontwikkelingen. De ponskaart, de spoel-wc, de radio, de scheepsbouw, het spoorwegennet, de chemie-industrie – van alles wat maar naar techniek rook, werden de ontstaansgeschiedenis en de gevolgen voor de Nederlandse maatschappij en het gedrag van de Nederlanders in kaart gebracht.

Dat alles resulteerde in zes dikke en rijkelijk gei¿llustreerde boeken vol casestudies. De onderwerpen: waterstaat en kantoor en informatietechnologie (deel I), delfstoffen, energie en chemie (deel II), landbouw en voeding (deel III), huishouden en medische techniek (deel IV), transport en communicatie (deel V) en stad, bouw en industriële productie (deel VI). De teksten waren soms wat weerbarstig, maar de compleetheid maakte veel goed: er was een encyclopedischnaslagwerk ontstaan.

Wie het gelezen heeft, kan geen voorwerp meer aanraken, geen apparaat meer aanzetten, geen gebouw meer aankijken, geen weg meer oprijden, zonder aan TIN20 te denken.

Maar waaráán moet je dan precies denken, is vervolgens de vraag. Wat stijgt uit al die feitjes op, wat verbindt al die techniek met de Nederlandse geschiedenis? Het antwoord, volgens Schot en medeauteur van het concluderende hoofdstuk in deel VII prof. dr. Arie Rip, hoogleraar filosofie van wetenschap en techniek aan de Universiteit Twente: modernisering.

Nederland wilde in de twintigste eeuw bovenal een modérn land worden, concluderen zij. Want modern betekende vooruitgang, de belofte van een betere wereld. En die zou bereikt worden dankzij de techniek. Technologischevernieuwing ¿is modernisering. Zie, ook nu nog, de populariteit van het mobieltje en de dvd.

De geschiedenis van de opmars van de techniek in Nederland is dus eigenlijk de geschiedenis van de Nederlandse modernisering. En volgens de auteurs verliep die niet in een rechte lijn; ze onderscheiden vier episodes.

Het 'project van de modernisering door techniek' werd in Nederland in de periode 1890-1918 ontdekt, schrijven ze. Nederland, een landbouw-en handelslandje, maakte de zogeheten Tweede Industriële Revolutie door. Technieken als elektrotechniek, de verbrandingsmotor, film, telefoon en synthetische chemie veranderden het land aanzienlijk.

Nederland werd een industrie-natie. Bedrijven als Philips ontstonden, overheden gingen nutsbedrijven oprichten, auto's verschenen op de weg, en er kwam een hele nieuwe klasse van deskundigen op.

Ingenieurs, stedebouwkundigen, medici, voedings-en huishoudexperts kregen grote invloed op de inrichting van het land en de leefwijze van de Nederlanders. Er heerste een sfeer van optimisme: rationalisering, planning en technologie gingen het leven verbeteren. 'De toekomst lag open, was maakbaar geworden.'

Tijdens de Eerste Wereldoorlog nam dat gevoel alleen maar toe. Het neutrale Nederland profiteerde economisch van de oorlog, de kieswet werd uitgebreid en de overheid begon grote projecten als Het Zuiderzeeplan en de oprichting van Hoogovens. Bovenal ontstond het gevoel dat er een nieuwe historische tijd was aangebroken, die van de modernisering.

Toch zette die ideologie niet meteen door. Tussen de twee wereldoorlogen ontstond discussie over hoe de modernisering er eigenlijk uit moest zien. Nieuwe techniek was bijvoorbeeld mooi, maar de oorlog had uitgewezen dat ze ook verschrikkelijke gevolgen kon hebben.

Massaproductie en -consumptie kwamen in deze periode ook op: mensen kochten stofzuigers, telefoons, een radio. Het dagelijks leven van de middenklasse veranderde daardoor aanzienlijk. Men ging zelfs op vakantie. De intellectuelen wisten niet wat ze ervan moesten vinden: ging hierdoor niet de 'volkskracht' teloor?

Met de massaproductie ontstond ook de schaalvergroting. Bedrijven als Shell, Unilever, Philips, DSM, AKU (later Akzo) en Hoogovens begonnen bovende kleintjes uit te torenen. Maar ook aan schaalvergroting, onderdeel van het efficiency-ideaal, werd getwijfeld. In de landbouw bleek kleinschaligheid juist prima te werken. Wat was nou modern om te doen?

Na de Tweede Wereldoorlog waren alle twijfels verdwenen. Tot in de jaren zestig groeide de economie, dankzij onder meer goedkope olie. Bezit van auto, koelkast, telefoon, wasmachine en centrale verwarming werd gewoon: men raakte gewend modern te leven.

Over de rol van de overheid was Nederland het ook eens: die moest het voortouw nemen. Megaprojecten als de Europoort, wegenplannen en de Deltawerken werden zelfverzekerd en onder leiding van de experts ter hand genomen. Toeristen trokken naar het nieuwe Schiphol om de wonderen der techniek te aanschouwen. Het was 'een hoogtij van modernisering', schrijven Schot en Rip.

Pas eind jaren zestig kwam daar een einde aan. Nederland raakt volgebouwd en iedereen was begin jaren zeventig via wegen, elektriciteit en telefoon met elkaar verbonden. Grote infrastructurele projecten werden steeds moeilijker, ook omdat de milieubeweging begon te wijzen op negatieve gevolgen. Er ontstonden problemen die ook nu nog optreden: zie de moeizame totstandkoming van de dure Betuwelijn.

De techniekhistorici constateren dat inmiddels ondanks alle technische vernieuwingen ook 'het welzijn' afneemt. Het milieu lijdt, de werkdruk neemt toe, de sociale ongelijkheid groeit: modern zijn lijkt niet meer de heilzame weg die het ooit was.

Toch beweren Schot en Rip dat de mythe van de moderniteit nog altijd springlevend is. In Nederland heerst nu alleen een 'reflexieve moderniteit': door overleg wordt geprobeerd, zoals bij de bouw van de Oosterscheldedam, negatieve gevolgen zo veel mogelijk te voorkomen.

Maar Nederlanders willen nog altijd koste was kost met behulp van techniek modern zijn. Daarom hebben we nu weer hoge verwachtingen van nano-en biotechnologie. Alleen, zegt Schot, 'voelen we er nu soms een soort schuldbesef bij.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden