Dichters doen te weinig dik

Hoewel aan de prijs de toch niet kinderachtige som van vijftigduizend gulden verbonden is, is er bedroevend weinig aandacht voor de VSB-poëzieprijs....

Nu heeft de poëzie het altijd wat moeilijker dan proza als het gaat om publiciteit en om het grote publiek. Toch werden juist dit jaar uiterst toegankelijke dichtbundels genomineerd. Geen al te hermetisch gepuzzel bij Frank Koenegracht, Leonard Nolens, K. Michel, C.O. Jellema, Piet Gerbrandy en Stefan Hertmans, maar mooie, leesbare poëzie.

Desondanks bleef het rustig in De Rode Hoed in Amsterdam, waar de zes genomineerde dichters vorige week donderdag optraden. Vooruitlopend op de uitreiking van de VSB-poëzieprijs op 8 juni lazen de dichters voor uit eigen werk, afgewisseld met 'muzikaal commentaar' van Polo de Haas. Maar zo swingend als de poëzierevue die 's middags voor kinderen was georganiseerd, zo braaf was de avond voor de grote mensen.

De dichters werden kort geïnterviewd door Mirjam van Hengel. Maar dichters, zo bleek maar weer eens, zijn lang niet allemaal vlotte praters. Van Hengels vragen naar de motieven, technieken en bedoelingen van de dichters, kregen niet altijd respons. Zo wilde Leonard Nolens weinig méér loslaten dan dat schrijven voor hem 'een avontuur' is.

Frank Koenegracht, net als collega-dichters Kopland en Anna Enquist in het dagelijks leven psychiater, was gelukkig minder spaarzaam met woorden. Hij wilde wel iets vertellen over zijn bundel Alles valt, waarin de herinnering aan zijn vader een belangrijke rol speelt: 'een monumentje', noemde Koenegracht het.

En C.O. Jellema lichtte toe waarom het lichaam een belangrijke rol speelt in zijn bundel Droomtijd: dat heeft te maken met het ouder worden en geconfronteerd worden met een lichaam dat 'zich aandient'. Pas nu dat lichaam hem steeds vaker in de steek laat, leert hij het op waarde te schatten. Het is ook het 'onbestuurbare' lichaam dat de gedichten opschrijft en de dichter zelf heeft daar weinig invloed op, blijkens deze slotregels van een gedicht van Jellema: 'Het staat er, maar wie/ is de schrijver. Wat/ schreef dit op'.

Ook voor Stefan Hertmans is gedichten schrijven in de eerste plaats iets wat buiten hem om gebeurt: dichten is een intuïtieve bezigheid: 'de Idioot zijn gang laten gaan', zoals hij het noemt.

Doet Hertmans al laconiek over het scheppingsproces, Piet Gerbrandy spant wat dat betreft de kroon en zijn toon is op het onverschillige af. Poëzie is niet iets waar hij bewust naar streeft, zij overkomt hem gewoon. Vooral wanneer Gerbrandy, leraar klassieke talen, naar zijn werk fietst, ontstaan er spontaan versregels. 'Dat kan ik ook niet helpen', voegt de dichter er verontschuldigend aan toe.

Die regels vragen er vervolgens om uitgewerkt te worden, de 'plooien moeten in het gareel geharkt', maar dat vindt Gerbrandy een beetje gênant werk: 'Ik doe dat zo min mogelijk.'

K. Michel ten slotte, aanmerkelijk loslippiger wanneer hij niet op een podium zit, wil pas na afloop van het programma wel iets loslaten over zijn werk. Praten over poëzie voor een publiek is zo moeilijk, vindt hij, omdat ieder woord in een gedicht het topje van een ijsberg is. Daaronder ligt nog een heel netwerk van betekenissen 'als een paddestoel, waar de wortels zich onder de grond eindeloos vertakken'. Michel wil vooral 'niet te dik doen' over zijn poëzie.

En dat geldt voor meer van de genomineerden. Maar hoe laconiek de dichters zelf ook zijn, wat meer dikdoenerij en rumoer rond de grootste poëzieprijs van Nederland zou toch aardig zijn. De poëzie is tenslotte wel wat opwinding waard.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden