Dichten was te bourgeois

Sonja Prins (94) stamt uit een geslacht van kunstenaars en intellectuelen dat sympathiseert met de jonge Sovjet-Unie. Haar vader Apie Prins, Nederlands laatste bohémien, zwerft over de wereld, vertaalt Steinbeck en Shaw, heeft een affaire met Mata Hari en schrijft de autobiografie Ik ga m'n eigen baan....

Tekst Lidy Nicolasen

Foto Stephan Vanfleteren

De kale wintertakken geven De Boshut met moeite prijs. Het huisje ligt weggedoken in de bossen bij Baarle-Nassau en oogt als de bouwval van een kluizenaar. Romantisch bijna. Achter de ramen brandt licht. Het bos is er tot aan de voordeur, waarop een briefje waarschuwt dat de bel het niet doet. Waar het bos stopt, nemen boeken en paperassen de orde over. Stapel na stapel, zo ver het oog reikt.

Sonja Prins zwaait vanachter het raam. Binnen gaat ze voor door een uitgespaard gangetje naar haar stoel in de verste hoek van de kamer, onder een felle lamp, naast de telefoon. Overal lampen en kachels. ‘Neem die stoel maar’, zegt ze wijzend naar de enige stoel zonder boeken maar met een kussen. ‘Dat heeft mijn grootmoeder nog geborduurd.’

De stoel past naadloos in het gangetje, pal bij haar stoel. Sonja Prins ziet niet goed meer. De vragen moeten in grote letters opgeschreven. Ze hardop stellen heeft geen zin, want haar gehoor is nog slechter. Maar de versterker in haar telefoon doet wonderen. ‘Met Sonja Prins’, neemt ze haar ouderwetse hoorn op, lacherig kijkend in de richting waar ik zit, omdat ik de beller ben – met m’n mobiele telefoon. En dan voltrekt zich, knie aan knie, aan de telefoon het interview. ‘Alles staat in mijn gedichten. Beter dan dat kan ik het eigenlijk niet verwoorden’, zegt ze met een onderkoeld soort humor en net zo weinig omfloerst als de taal in haar gedichten.

Ik wil zeggen wat alle mensen willenzeggen

ik wil hun stem zijn

Uit: Glanzend koren

Sonja Prins is 94 jaar. Ze schreef haar hele, turbulente leven lang. Ze was net 20 toen Marsman haar ‘oorspronkelijk talent’ bejubelde, maar van een doorbraak lijkt nu pas sprake. Dit jaar verscheen haar bundel Het boek van de cineast als prelude op het verzameld werk, dat klaar is gedrukt te worden. Gerrit Komrij nam drie van haar gedichten op in de Dikke Komrij. ‘Die gedichten verzin ik niet, die komen vanuit een emotie. Mijn moeder bewaarde mijn eerste gedichten als kind, omdat ze erdoor getroffen was zoals moeders al gauw zijn. Het meisje dat je ziet in die gedichten is een ernstig meisje met gevoel voor kunst.’

Kind in diverse landen is de titel van de serie jeugdgedichten, die overal ter wereld ontstonden. Tot haar 13de leidde het gezin een zwervend bestaan, dat begon met een reis per pakketboot naar Amerika. ‘Mijn vader kon absoluut niet lang op een plaats blijven. Hij was een echte avonturier. Het kon hem niks schelen dat hij niks verdiende. Mijn moeder dacht dat hij een groot schrijver zou worden, daarom zorgde ze voor alles. Zijn vader kwam uit een arme familie. Hij kon op kosten van het leger medicijnen studeren en genoot een heel goede reputatie als huisarts. Uit bewondering voor hem ging ook mijn vader medicijnen studeren.

‘Toen zijn vader plotseling stierf, moest hij zijn moeder en vijf zusters onderhouden. De burgemeester, een oom, raadde hem aan naar de Oost te vertrekken en daar op een koffieplantage te gaan werken. In die tijd had hij een briefwisseling met mijn moeder. Ze kenden elkaar van de dansclub. Hun ouders hadden afgesproken dat Apie, zoals mijn vader Adriaan Pieter werd genoemd, mijn moeder Ina na die dansavonden naar huis in Bloemendaal moest brengen.

‘Zij waren wat je in die tijd progressief noemde en liberaal. Het woord links was er nog niet bij. Op een dag kwam een afvaardiging van de Vrijheidsbond in Haarlem bij mijn grootvader van moeders kant om hem te vragen voor de gemeenteraad. Hij had daar weinig zin in en zei: waarom nemen jullie mijn vrouw niet? Zij was een actieve feministe en heeft als raadslid voor de rechten van vrouwen en kinderen gevochten. Mijn moeder was, net als haar vader, advocaat. Zij had de ideeën, de belangstelling voor geschiedenis en sociale onderwerpen. Mijn vader niet. Ik had altijd ruzie met hem.

‘Hij was niet betrouwbaar, dat was mijn voornaamste grief. Hij was dol op andere vrouwen. Ik dacht destijds, ik was 16, dat ze op mijn aandrang uit elkaar gingen. Hij kwam op een dag uit Amsterdam, ze woonden allang apart, en hij bracht een grote taart mee met daarop een zinkend schip. Hij wilde laten zien dat het huwelijk mooi was geweest en dat de scheiding dat ook kon zijn.

‘Ik ben woedend de kamer uitgelopen, ik kon het niet aanhoren, vooral omdat bleek dat ik dat helemaal niet had gearrangeerd. Er veranderde ook niks, zij bleef hem gewoon helpen, zoals met de publicatie van het nieuwe tijdschrift Nederland-Nieuw Rusland. Hij heeft buiten de eerste jaren nooit iets bijgedragen aan de kosten voor de kinderen. Jij hebt ze gemaakt, dus jij moet er maar voor zorgen, zei hij altijd. Zij was daar wel trots op.’

U bent bezig met een familiekroniek.

‘Ik kan het nu niet combineren met het verzameld werk, dat in vijf delen zal verschijnen. Ik ga nu nog niet dood omdat het werk niet af is, maar het is toch niet echt prettig om op oude leeftijd door te leven met alle gebreken die het leven heeft. Maar goed, ik ben afgedwaald, waar waren we? Wil je niet een krentenbol?’

U was 16.

‘Ik moest natuurlijk wel naar de universiteit. De jongste broer van mijn moeder betaalde de studie voor alle kinderen van zijn zusters. Hij was homo, evenals zijn vader, hij had geen huwelijk en geen kinderen. Hij was architect, en soms curator in een museum, hij verdiende niet zo erg veel, maar er moesten wel een heleboel kinderen van zijn geld studeren. Mijn moeder verwachtte dat ook, iedereen in haar familie zou studeren.

‘Ik zat op het gymnasium in Baarn als vakleerling, dat kon toen nog, eerst op 3 hbs en daarna op 4 bèta voor wiskunde, natuurkunde, Grieks en Latijn. Vanwege een fascistische leraar ben ik er vertrokken. Hij zei dat Joden stonken, ik weet niet meer in welk verband. Toen vroeg ik: hoe komt het dan dat u mij nooit geroken hebt? Hij had absoluut geen antwoord.

‘Ik heb wel m’n best gedaan voor het staatsexamen; dat had ik mijn oom beloofd. Mijn moeder had een kamer voor me gevonden in Amsterdam, die was mooi want keek uit op het Stedelijk, maar was te duur. Ik verhuisde naar iets goedkoops in de Jodenbuurt, pakhuizen zonder licht en water, waar ik ’s avonds in het donker mijn pot moest legen in de gracht en bij kaarsen moest werken. Maar ja, het was vreselijk goedkoop, ik geloof tien gulden in de maand. In die tijd ben ik lid geworden van de Communistische Jeugd. Voor het eerst in mijn leven kon ik in een groep opgaan.’

Op haar 18de kreeg Prins een legaat van duizend gulden van haar grootmoeder. Ze wilde daarvan haar droom verwezenlijken: een literair kwartaalschrift in drie talen. Geen Nederlands, de 18-jarige miste in Nederland de progressieve literatuur die ze kende uit het buitenland. Ezra Pound en John Dos Passos stonden in het blad dat Front heette, ze weigerde de gedichten van haar leraar Dick Binnendijk. Na vier afleveringen was het geld op. Een paar jaar later debuteerde Prins met Proeve in Strategie onder pseudoniem van Wanda Koopman, want in CPN-kringen (toen nog CPH) was het schrijven van gedichten te bourgeois.

Ze werd verliefd op een partijman ‘die niet wilde deugen’, hij zat met zijn hand in de partijkas. De partij dreigde met royement als ze toch met hem zou doorgaan. Halverwege de zwangerschap van haar jongenstweeling trouwde ze, om haar moeder gerust te stellen, een man die op het punt stond naar de Oost te vertrekken. Zij was 22. Toen hij na drie jaar terugkeerde, genoot het huwelijk een kortstondige opleving en verwekte hij haar derde kind, een dochter die later autistisch bleek en zelfmoord zou plegen.

‘Toen ik net de tweeling had gekregen, woonden we in Rotterdam, maar ik ben halsoverkop naar Amsterdam gevlucht, omdat de vader me stond op te wachten. Hij wilde zijn kinderen. Ik belandde op een kleine kamer aan de Achtergracht. Uiteindelijk zijn mijn moeder en ik naar Schiedam gegaan, daar vonden we een huis met uitzicht op de Maas.

‘Toen ik zelf een huis kreeg, scholden de buren me uit voor hoer, omdat ik alleen ’s avonds mannenbezoek kreeg. Het was de tijd dat je vergaderde, maar wisten zij veel. Ze wierpen geregeld vuil naar binnen, dus daar moest ik ook weg.

‘We zaten in Vlaanderen op een kinderkamp toen de algehele mobilisatie werd afgekondigd. Ik was een van de leidsters. In ruil voor mijn salaris konden mijn drie kinderen, in een eigen tentje, gratis mee. Het was verstandig niet naar Rotterdam terug te gaan, ik was daar te bekend en we wisten dat de Rotterdamse politie zou collaboreren met de Duitsers. Ze kenden me van het schilderen van leuzen als ‘Tegen oorlog en fascisme’ op de muren van huizen. Ik ben twee keer gearresteerd, ze noemden me de Teerkwast. We zijn ondergedoken bij de leidster van het kinderkamp in Hilversum, zij was links en Joods.

‘Als je onderduikt, kun je nooit lang op een adres blijven. We gingen later naar Bilthoven waar de kinderen naar de Werkplaats van Kees Boeke konden, een vroegere minnaar van mijn moeder. Ik was er eindelijk in geslaagd haar bij ons te laten wonen. Toen kon ik ook werk zoeken. Eerst in een wasserij, later als secretaresse bij Demka, dochter van Hoogovens, waar ik van een heleboel andere vrouwen een intelligentietest won. Ik denk eigenlijk omdat mijn broer me had gezegd: denk niet dat de nadruk ligt op snelheid, die ligt op nauwkeurigheid.’

Een half jaar werkte Prins bij Demka, toen werd ze opgepakt vanwege haar CPN-lidmaatschap. De Duitsers wisten niet dat ze in het verzet zat en de verzetskrant De Vonk maakte. In november 1941 belandde ze, net als haar ouders, in het ‘Oranjehotel’ in Scheveningen. Haar ouders kwamen snel vrij. Zij werd op transport gesteld naar de vrouwengevangenis van Ravensbrück, waar ze de rest van de oorlog zou doorbrengen.

Ik kan niet slapen ’s nachts want als ik slaapis het mijn eigen stem die kermt, en vaakkomt dan de dag nog onverwachts en haalt ons uit het grafvan onze korte nacht.

Uit: Ravensbrück

Haar enige roman, De Groene Jas, verhaalt over het alledaagse kampleven, over de zware dwangarbeid maar ook over het toneelstuk dat ze schreef op het karig aanwezige papier. ‘We zaten daar met Poolse en Nederlandse meisjes. Wij waren goed in de winter als er bomen gehakt moesten worden, zij in de zomer voor de wegen- en huizenbouw. De Hollanders waren politieke gevangenen, die keken neer op de Polen, meestal huisvrouwen. Het schokte me, die minachting.

‘In de kersttijd hebben we Midzomernachtdroom van Shakespeare opgevoerd. Ik had dat stuk gezien in Londen, toen ik een jaar of 10 was. Afgaande op m’n herinnering heb ik een Duitse versie geschreven. In normale omstandigheden lukt je dat nooit, dat het nu wel lukte, moet een gevolg zijn van de staat waarin ik verkeerde. Ik gaf de Polen dingen te doen die ze beter konden dan Hollanders, zoals dansen. Dat heeft erg geholpen voor de verhoudingen. Mensen vergeten weleens dat in de kampen een heleboel dingen goed gingen, het waren niet alleen gruwelen.’

De verbittering slaat pas echt toe na terugkeer in Nederland. ‘Vreselijk. Ik heb de hele dag aan de grens gewacht of iemand mij zou komen halen. Er was geen trein of tram, geen auto of bus. Je wist niet waarom niemand kwam. Het Rode Kruis heeft gezorgd dat ik werd afgehaald op een motorfiets, het was al avond toen ik thuiskwam.

‘Mijn moeder zag er uit als een hele magere, doodzieke vrouw, heksachtig, het was donker, er was nergens goed licht. Ik schrok zo dat ik vluchtte in een kamer achter haar. Tenminste, dat is mij later verteld en daar werd toen vreselijk om gelachen. Niet door mijn moeder, die moet een verschrikkelijke schok hebben gekregen.’

Eens hoorde ik bij hen die voor elkander zorgen,elkaar beschermen, keer op keer,voor hun beminden alle dagen werken.Ik ben geen moeder meer!

Uit: Weer een winter in

Wat ze in Ravensbrück misschien had gevreesd, werd werkelijkheid. De ontvangst was kil, haar kinderen waren van haar vervreemd, veel vrienden waren gesneuveld, de Jodenbuurt bestond niet meer. ‘De terugkeer was te erg.’ Ze verkeerde jarenlang in een shocktoestand. Haar gehoor was ernstig beschadigd. ‘Ik ben op veel kantoren geweest, gewoon typiste. Het was zo’n chaos in die tijd, daardoor verkeerde ik nog meer in een shock dan door het concentratiekamp. In vergelijking hiermee was dat juist een gezonde samenleving, dit was pas echt chaos.’

Via de communistische boekhandel Pegasus werd ze secretaresse van partijleider Paul de Groot en secretaresse van het partijblad Politiek en Cultuur en braken gelukkiger tijden aan. Maar de kans dat ze ooit opnieuw een vaste baan zou vinden, leek definitief verkeken toen ze in 1956 na de bekendmaking van Stalins misdaden forse kritiek uitte en na de inval in Boedapest de CPN definitief vaarwel zei.

Voor niet-communisten was ze al verdacht, van nu af aan was ze dat ook voor communisten, in wier kringen ze niet meer terecht kon. In de gewone wereld mislukten sollicitaties steevast en hielden uitgevers de deur dicht ‘door ingrijpen van de BVD’, zodat ze jarenlang met uitzendwerk de kost moest verdienen. Toen ze 58 jaar was, kreeg ze een verzetspensioen.

‘Ik heb dit huisje kunnen kopen, een verwaarloosd huisje, goedkoop, achtduizend gulden. Ik vond de omgeving prachtig, al die jaren was ik nooit meer in de natuur geweest. Vroeger heb ik nooit een huis gehad, ik heb geleefd in hele karige omstandigheden maar eigenlijk heb ik dat nooit echt beseft.’

Er is een slijtprocesin mij dat afscheid neemtvan alles wat mijn jeugd verdroeg

Uit: Tot ook het ik verdwijnt