Dichten als een jazzmusicus

'Het leven heeft zin als je er zin in hebt' is een uitspraak van de dichter Jan Eijkelboom...

Een zin als een veer: alles achter je voorhoofd gaat even de hoogte in. Meteen hierna zegt hij over de gedichten uit de bundel Het arsenaal: 'Het zijn eigenlijk allemaal weerberichten. Eliot of Auden, dat weet ik niet precies meer, heeft eens gezegd dat over het weer praten eigenlijk de primaire vorm van poëzie is, 'the crudest form of poetry'. Zelfs het weerbericht komt soms over als poëzie.'

De dichter heeft of had in meer dingen zin: 'Als je het 's zomers naar je zin hebt, dan denk je aan hoe je het vroeger als kind naar je zin had, dat doet iedereen. Er is niet steeds iets nieuws. Je leeft in een tamelijk horizontale lijn, met pieken omhoog en omlaag.'

Ik verliet met heel goede zin het interview dat Eijkelboom werd afgenomen over zijn gedicht 'Een ijzersterke mist' (een heel mooi gedicht). De vitaliteit van het gesprek had mij goed gedaan. Die levenslust die de taal van de antwoorden bezielde, was het extra van het interview. Niet ver van Eijkelboom staat Hugo Claus. Ook hij wordt over een gedicht ondervraagd. Hij heeft er altijd zin in. Het plezier van het maken, het fijn ingewikkelde maken bij deze soms onvermoeibare rederijker, wordt mooi zichtbaar in zijn antwoorden waarin hij elke korst van zware ernst afsnijdt. Hij houdt ervan over zijn werk te spreken. Van de auteurs die over hun werk werden ondervraagd in Scheppen riep hij gaat van Au vanH.U. Jessurun d'Oliveira (1965) was hij een van de gretigste (Louis Paul Boon was de weerbarstigste).

Eijkelboom en Claus zijn twee van de veertig dichters die Marjoleine de Vos enkele jaren als een zomerattractie voor NRC Handelsblad heeft geïnterviewd over een enkel gedicht. De vraaggesprekken zijn nu bijeengebracht in Dichtersgesprekken . Het is een mooi idee met vragen over een gedicht naar de dichter toe te gaan. De interviewster houdt zich natuurlijk van de domme; haar eigen interpretatie, haar oordeel ook over het gedicht verzwijgt ze; die laten zich enigszins uit de vragen raden. De aanwezigheid van veel bekendewegvragen is onvermijdelijk; er is altijd de hoop op een oorspronkelijk antwoord. Zo'n antwoord geeft Willem Jan Otten, die ineens buiten zijn gedicht gaat: 'De winter is een bange tijd, ik ben bang voor de wijdheid waar ik me op momenten van poëzie voor openstel. Boutens heeft het over de hemel als een muur, Pascal over een afgrond, Ida Gerhardt heeft het over een 'mist'. Angst voor verlies, terwijl je er ook in op kunt willen gaan.'

Hier wordt een enkele regel ineens verwijdt tot in de wereld van anderen. Ik houd daarvan, van die lichte ernst ook. Wat moet ik met de diepzinnigheid van de Vlaamse dichter Leonard Nolens? Op de eerste vraag: 'U begint elke regel met een kapitaal, ook als de zin doorloopt', antwoordt hij: 'In het gedicht 'Paranoia' heb ik al over die kapitalen geschreven, ik noem ze daar: 'de solsleutel van mijn dwarse notenbalken'. De hoofdletter dwingt mij om te beseffen dat ik aan de nieuwe regel ga. Een gedicht schrijven is steeds opnieuw een manier om het schrijven te beginnen en ook om je leven te beginnen. Maar misschien stoort het ook wel, alsof je de drempel voor de lezer verhoogt.' Hierna verraadt zich de bescheiden aangeversrol van de interviewster, zij vraagt niet door, zij beheerst zich zelfs bij deze eikenhouten onzin - ze stelt gewoon een volgende vraag.

Alle veertig dichters krijgen heel veel kansen in dit boek. De aardigste zijn zij die met die kansen een beetje op de loop gaan, althans soms prachtige gedachten buiten de regels om hebben. Gerrit Krol bijvoorbeeld; hij wordt ondervraagd interover 'Ruimte', dat bij de dood van Herman de Coninck werd geschreven. Hij zegt onder meer: 'Even is iedereen verbluft, want hij is dood. Maar na tien jaar is hij door zijn werk meer levend dan dood. Dan ben je de schrik van zijn dood te boven, zo'n dichter doet dan weer zijn mond open.' Anton Korteweg is ook een van de oorspronkelijken (vertegenwoordigd met een heel goed gedicht ook); wat hij over Gezelle vertelt is even amusant als waar.

Ik denk dat al die fraaie opmerkingen - er zijn nog andere in het boek - dit gemeenschappelijk hebben of dit verraden: dichters spreken graag in beelden; daarin kunnen zij veel meer kwijt dan in theorieën - die zijn voor de critici. Dat sommige vraaggesprekken wat dor uitvallen doet vaak het gedicht al verwachten: het is weinig vitaal en meer een droogbloem. Voor het tegenovergestelde - een origineel gedicht en een origineel vraaggesprek - leze men K. M i ch e l over zijn gedicht 'Vers twee', of H.C. ten Berge over zijn gedicht 'Spreeuwen in het stadsmoeras'. Een van de mooiste opmerkingen over de macht van het ge dicht komt van Antoine de Kom: 'Ik heb bij dit gedicht weinig in te brengen gehad'. Het subtielste gesprek is dat met de in 2003 overleden dichter C.O. Jellema , die gewoon in proza nog een gedicht naast zijn gedicht schrijft.

De vragen van Marjoleine de Vos gaan over de vorm en over de inhoud. Veel van de vragen zijn milde handreikingen. Enkele vragen keren steeds terug: die over het gebruik van het enjambement bijvoorbeeld. Zoveel vragen, zoveel antwoorden. De mooiste verantwoording van zijn enjambementen komt van Erik Menkveld: 'Ik maak eigenlijk nooit een enjambement zó dat de regel eerst het ene betekent en bij doorlezen iets anders. Dat is wel vaak heel mooi gedaan, maar zelf vind ik het een beetje flauw. Ik wil het meer zoals een goede jazzmusicus doet, die een noot even kan uitstellen en hem dan pas plaatst.'

Dat laatste is heel mooi. Een tweede steeds terugkerende vraag is die naar de muzikaliteit. Muzikaliteit wordt door bijna alle dichters essentieel geacht. Alle gesprekken wijzen uit hoe ernstig de dichters hun dichten nemen (de in Voorzoviewster is niet minder ernstig). Er wordt nergens maar wat aangerommeld. Dat er bij zoveel wikken en wegen nog zoveel schijn van spontaniteit ontstaat, is een wonder. Er is een tweede wonder: geen van de veertig komt bij het 'nader inzien' tot negatieve opmerkingen over het eigen gedicht. Wij hebben in dit land tevreden dichters.

De troostrijkste reeks paradoxen staat in het gesprek met Anna Enquist. Zij schrijft de regel: 'Er komt tijd voor wie tijd is gekomen.' De interviewster merkt op: 'Als iemands tijd gekomen is heeft hij juist geen tijd meer.' De dichteres antwoordt: 'Door de dood krijgt degene die gaat sterven een oneindige hoeveelheid tijd. Dat is een manier om uitdrukking te geven aan de opluchting van het stikken, zal ik maar zeggen. Het is meer de sfeer van de wensdroom, want zelf ben je er dan niet meer om die oneindigheid mee te maken. Ik vind het een troostrijke gedachte dat de tijd niet ophoudt met het verdwijnen van je bewustzijn.' O ja, het derde wonder: er is geen enkele knorrige dichter bij.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden