Recensie De grote angst in de bergen

Deze roman van minder dan 200 pagina’s over eenvoudige mensen is een epos van bijbelse proporties ★★★★★

Een belediging van ‘het goede Frans’, zeiden tijdgenoten. Maar wát een boek schreef Charles-Ferdinand Ramuz met De grote angst in de bergen.

Charles-Ferdinand Ramuz. Beeld UIG via Getty Images

Wat een ontdekking, De grote angst in de bergen van de Zwitserse schrijver Charles-Ferdinand Ramuz (1878-1947). Om te beginnen is er het verhaal zelf, dat bloedstollend spannend is en waarvan je al op de eerste bladzijde begrijpt dat het niet goed zal aflopen. Het gaat over een alm met sappig gras, hoog in de bergen. En over de voorzitter van de dorpsraad die graag wil dat die in gebruik wordt genomen, zodat het vee uit het dorp daar ’s zomers kan grazen. Op de alm hebben zich twintig jaar eerder raadselachtige toestanden afgespeeld. Van degenen die er toen bij waren, heeft maar één man het er levend van afgebracht. De ouderen in de raad zijn tegen het plan van de voorzitter, maar de jongeren zijn in de meerderheid: de hut op de alm wordt opgeknapt, er wordt volk geworven en op een feestelijke junidag doen de dorpsbewoners de kudde vrolijk uitgeleide. Ze begeleiden de zeventig koeien, waarvan de hoorns zijn versierd met bloemenkransen, de berg op, een wandeltocht van een paar uur. Eenmaal boven op de weide rusten ze uit en vieren ze feest. ‘Er werd gedanst, er werd gedronken tussen het dansen door; de jongens en de meisjes dansten en dronken, de mannen dronken.’

Dan is er die buitengewone stijl van Ramuz, waar aan het begin van de 20ste eeuw veel om te doen is geweest. Ramuz komt uit de Vaud, een kanton in het zuidwesten van Franstalig Zwitserland. Voor zijn romans ontwikkelt hij een gestileerde versie van de streektaal, een ‘geschreven openluchtfrans’. Geen plattelandsdialect met aanhalingstekens, maar een stijl waarin hij het ritme van het Vaudois gebruikt voor zijn eigen esthetiek. In Parijs, waar hij tot het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog zo’n twaalf jaar heeft gewoond, is niet iedereen daarvan gecharmeerd. Collega’s en critici verwijten hem met opzet slecht te schrijven, ze zien het als een belediging van ‘het goede Frans’. Zijn boeken worden weggezet als streekromans. Maar andere schrijvers die ook breken met de heersende opvattingen, onder wie Louis-Ferdinand Céline, vinden hem juist origineel. Céline voorspelt dat naast zijn eigen werk en dat van twee anderen alleen Ramuz nog zal worden gelezen in het jaar 2000.

Wat betreft Ramuz heeft hij gelijk gekregen. In 2005 is zijn complete oeuvre opgenomen in de Pléiade-reeks; een literaire zaligverklaring. In het Nederlands was er lange tijd niets van hem in druk, maar daar komt met deze vertaling van Rokus Hofstede verandering in.

Wat meteen opvalt, zijn de herhalingen, die de zinnen een bepaalde cadans geven. Ook wisselt het perspectief: soms verwijst ‘wij’ naar de dorpsgemeenschap als geheel, soms naar een stille getuige van de gebeurtenissen. Daardoor ben je als lezer soms deelgenoot, dan weer kijk je toe vanaf grote hoogte. Een vergelijkbaar effect bereikt Ramuz door de werkwoordstijden steeds af te wisselen. In het Frans heeft hij een heel arsenaal aan tijden tot zijn beschikking. Zijn vertaler houdt het bij twee, wat doeltreffend genoeg is. De onvoltooid verleden tijd weerspiegelt de eeuwigheid van de bergen, maakt het verhaal tot een tijdloze mythe, terwijl je met de tegenwoordige tijd opeens weer midden in de actie zit.

Met deze procedés versterkt Ramuz de rol van het landschap: een verticaal, boosaardig landschap, waarin personages plotseling kunnen opduiken, maar ook uit het zicht verdwijnen op de bochtige wegen, tussen de hoge pieken, de menshoge rotsblokken en dennenstammen, in de mist en de sneeuw. ‘Hoe hoger hij kwam, des te dieper zonk het onderste deel van de gletsjer. Meer en meer zakte de gletsjer langs een van zijn uiteinden in en tegelijk was hij op gelijke hoogte van Joseph, hij was evengoed boven als onder hem. En hijzelf werd ondertussen steeds kleiner, je had hem kunnen zien stijgen en tegelijk verdwijnen – als er iemand was geweest om hem te zien. De lucht was grijs en bleek, de rotsen hadden dezelfde kleur als de lucht en de hemel, terwijl alles in een soort van warme nevel vermengd raakte. Joseph zet behoedzaam zijn voet in lawinegangen die voor de helft gevuld zijn met fijnkorrelig kiezelgrind dat meegaf onder je zolen.’

De Joseph op de gletsjer is een van de zes mannen die voor drie maanden met het vee op de alm zouden blijven. Dit is op ruim tweederde van het boek, de catastrofe die de dorpelingen vergelijken met de tien plagen van Egypte, is zich aan het voltrekken. De ouderen hebben ervoor gewaarschuwd: op sommige plekken dulden de bergen geen indringers. Ze straffen de hoogmoedige maar nietige mens voor zijn drang om te heersen over wat sterker is dan hijzelf. Er zijn zaken die de mens niet kan begrijpen, en daar kan hij zich maar beter bij neerleggen, wil Ramuz zeggen. Zo is deze roman van minder dan 200 pagina’s over eenvoudige mensen een epos van bijbelse proporties.

Charles-Ferdinand Ramuz: De grote angst in de bergen
Uit het Frans vertaald door Rokus Hofstede.
Van Oorschot; 190 pagina’s; € 21,50.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden