Beschouwing

Dewulfs' kleine harem van verf en illusie

Zwijgerman leest Bernard Dewulf

De Vlaamse schrijver Bernard Dewulf schrijft op bewonderenswaardige wijze over kunst. Grote woorden zijn voor hem taboe.

Beeld Sanne de Wilde

'Ik kan het niet hebben wanneer mensen hoogdravend over kunst doen, maar ik kan het evenmin hebben wanneer mensen geringschattend over kunst doen.'

Was getekend Bernard Dewulf, de Vlaamse schrijver en essayist, in 2010 de winnaar van AKO Literatuurprijs met Kleine dagen, een reeks miniaturen over de alledaagse besognes van het gezin Dewulf. Al jaren schrijft Dewulf over beeldende kunst en het bovenstaande liet hij zich ontvallen in een televisie-interview naar aanleiding van de publicatie van Toewijdingen, zijn verzamelde beschouwingen over beeldende kunst en kunstenaars.

De titel van zijn verzamelbundel spreekt boekdelen: Dewulf schrijft toegewijd en secuur. Hij poogt maker en werk zo dicht mogelijk te naderen door een aantal kunstwerken, in een taal die soms neigt naar poëzie, bij te lichten, vrij naar twee eerdere titels van Dewulf: Naderingen en Bijlichtingen.

Soms ervaart Dewulf, zo blijkt uit Toewijdingen, bij het zien van bepaalde schilderijen een sensatie die raakt aan de roes en misschien wel epifanie en openbaring. Die drie woorden staan bij Dewulf op een officieuze Lijst van Verboden Woorden. Die Lijst is voorbehouden aan diegenen die hoogdravend over kunst doen. Dat nooit. Dewulf bijt nog liever zijn tong af en werpt zijn gouden pennetje weg dan dat er hoogdravendheid in zijn akoestische zinnen sluipt.

In de inleiding van het boek stipt Dewulf een klein schilderij aan dat, gemaakt door 'een geliefde schilder', in zijn werkkamer hangt en waarnaar hij dagelijks vele keren kijkt. Het werkje 1, niet groter dan zo'n 25 bij 25 centimeter, hangt er 'als een waarschuwing'. Die waarschuwing luidt: 'Kijk, er is nog iets anders te zien.'

Het schilderij hangt 'hier' in Dewulfs kamer maar belichaamt een 'daar' dat voor de schrijver diffuus en ongrijpbaar blijkt. Want: waar kan dat 'daar' dan wel zijn? Dat is een heikele vraag. 'Die kwestie heeft geleid tot even hopeloze als oeverloze diagnoses', stelt Dewulf vast in Toewijdingen.

Op een dag moest het schilderij in zijn werkkamer van de wand worden gehaald; de muur behoefde een nieuw laagje verf. Toen het weer op de vertrouwde plek hing, was ook weer direct dat 'daar' aanwezig, het 'daar' dat toebehoort aan een 'andere, onbereikbare tijd en ruimte'.

Het schilderij, zo bescheiden van formaat en zo vertrouwd aanwezig in Dewulfs leven van alledag, bevindt zich in de kern in een denkbeeldige wereld, 'ver achter alles'. Die wereld herinnert Dewulf aan 'een ander leven', zoals ook veel andere kunstwerken hem herinneren 'aan het bestaan van de maker in zijn atelier'.

Beeld Collectie de Pont

Een kleine harem

Tezamen vormt het aantal beminde en bewonderde kunstwerken dat hem ooit op het netvlies kwam 'een kleine harem van verf en illusie. Beeldmateriaal voor onmogelijke verlangens.' Die kunstwerken zijn strikt autonoom en hebben hem natuurlijk niet nodig, benadrukt Dewulf, die zich ervoor lijkt te verexcuseren dat hij zich ondanks hun autonomie toch met deze kunstwerken bemoeit. In hun volmaakte onverschilligheid leiden ze een volstrekt eigen bestaan, door Dewulf getypeerd als een 'volstrekte, trouwhartige, nabije onbereikbaarheid'.

Vanwege die fundamentele onbereikbaarheid van de kunst die hem dierbaar is, schieten zijn pogingen op romantisch niveau altijd tekort, vindt hijzelf. Dewulf kwelt zichzelf wel vaker met deze gedachte. Naar aanleiding van het abstracte oeuvre van de Vlaamse grootmeester Raoul De Keyser (1930-2012) schrijft hij: 'Schrijven over schilderen is altijd onjuist en hopeloos.'

Oog in oog met werken van De Keyser 2 ervaart Dewulf op zeker moment onmacht. Hij schrijft: 'De Keyser schildert op de rand van het schilderbare, weg van het zegbare.' Wie weggaat van het zegbare, belandt bij het onzegbare, en onuitspreekbare, en daarmee bij het sublieme dat geen enkel woord tolereert, omdat het zich bevindt voorbij taal en betekenisgeving.

In Nederland is het oeuvre van Raoul De Keyser verre van bekend. Hoe dit oeuvre te omschrijven?

Zo, misschien: in vergelijking met de strenge, kale en misschien soms ook wat barse abstractie van Piet Mondriaan, kenmerkt de abstracte kunst van De Keyser zich door zachtaardigheid. Mondriaans rood, blauw en geel en de zwarte verticale en horizontale lijnen dulden geen afzwaaiers en losse eindjes; De Keysers abstracte werken ogen als losse, lieve poëzie en ontberen het harde, rechtlijnige proza à la Mondriaan.

Bernard Dewulf, ontroerd door de tedere abstractie van De Keyser, schrijft: 'Mijn ontroering is geen coup de foudre geweest, ze is gegroeid, langzaam (...) opgedoemd uit een sluier van betovering, herkenning, verwarring, fascinatie en aleens onbegrip. Ze is opgediept uit het geheugen van de verf. En neergestreken in het mijne. Zachtjesaan groeiend als ruwharig apenverdriet.'

Zeer bedachtzaam onthult Dewulf ook de sensatie die hem beving bij het zien van een klein werk van Gerhard Richter, Kerze uit 1982. Richter schilderde met Kerze een eenvoudige kaars die volgens Dewulf 'zo verschrikkelijk precies' is dat 'ze tegelijk verschijnt en verdwijnt'. Hij kijkt en blíjft naar Richters Kerze kijken. Op een bepaald moment voelt hij een koude rilling in zijn onderarmen en ontdekt hij dat de haren op zijn armen overeind zijn gaan staan.

En tóen zag hij het, het wonder: bovenop de kaars komen eveneens de haren overeind. Het zijn 'de haren van de dingen' die overeind komen wanneer wij er met échte aandacht naar kijken.

Kijkmystiek

Bijna besmuikt vanwege die toch naar epifanie neigende kijksensatie, wendde Dewulf staand voor die kaars zijn blik af en zag toen van diezelfde Richter een reusachtig abstract doek dat hem al evenzeer frappeerde en fascineerde - en toen? 'Toen wist ik het even niet meer.'

Waarna alle schilderijen hem iets lijken te willen zeggen, namelijk: 'wij hebben niets te zeggen en dat zeggen wij omdat wij het alleen zó kunnen zeggen.'

Een kunstwerk dat zich uitspreekt en zegt dat het niets te zeggen heeft - dat neigt zowaar naar je reinste, eh, 'kijkmystiek' - en nee, ook dát woord, mystiek, zal Dewulf zelf nooit en te nimmer gebruiken. Kunstwerken die hem zielsvertrouwd zijn, vormen in laatste instantie 'gaten in de muur'; kijkgaten 'waarin het kijken zelf is te zien'. Het kunstwerk aan de muur in zijn werkkamer maar ook veel schilderijen in musea werpen 'een blik (...) die niet de mijne is, het is de blik van hun makers, die ik ken, die ik koester en die ik om me heen wil'. Want die blikken herinneren de kijker Dewulf aan 'de aandacht die het begin is van alle schepping'.

Ah. 'Het begin van alle schepping.' Je bent geneigd te zeggen: hoogdravender kan het bijna niet. Maar in handen van Bernard Dewulf krijgen de grootst denkbare woorden een injectie van schijnbaar terloops geformuleerde toewijding.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.