‘Design moet je direct begrijpen’

Meteen nadat hij zijn intrek had genomen in een hotel in Amsterdam, is hij op zoek gegaan naar een broodje haring....

Van onze verslaggever Rob Gollin

Veel meer dan die typische geneugten van zijn geboorteland mist grafisch ontwerper Bob Noorda (79) niet. Hij vertrok halverwege de jaren vijftig naar Italië, een diploma van het Instituut voor Kunstnijverheidsonderwijs in Amsterdam op zak, en keerde nooit meer terug. In Milaan bouwde hij een imposant portfolio op, hij heeft er een eredoctoraat aan de Technische Universiteit – en het bleef hier nagenoeg onopgemerkt.

Het museum De Beyerd in Breda, de beroepsorganisatie Nederlandse ontwerpers (BNO) en Premsela, het platform voor design en mode, oordeelden dat Noorda, met zijn 80ste verjaardag in het vooruitzicht, wel een plek in de schijnwerpers verdient. Gisteren kreeg hij op een symposium een bescheiden eerbetoon, een cahier over zijn werk. ‘Ik sta een beetje versteld van de aandacht. Het is wel leuk, zo’n boekje.’

Een greep uit het oeuvre: de energierekeningen die de Italianen krijgen hebben zijn lay-out, metroreizigers in New York, São Paulo en Milaan volgen zijn borden, de supermarkten van de Coop en de benzinestations van Agip zijn vormgegeven naar zijn ideeën, Pirelli, Ford en prestigieuze Italiaanse uitgeverijen waren klant. Corporate design vormt het hoofdbestanddeel van zijn werk, hij tekende zo’n 150 logo’s.

Dat slechts een handjevol kenners in Nederland hem volgde, bevreemdt hem niet. ‘De contacten waren destijds eigenlijk onmiddellijk verbroken. En de meeste opdrachtgevers waren puur Italiaans. Dat ik de huisstijl van de provincie Lombardije tekende, drong natuurlijk niet door in Nederland.’

Hoe is het hem gelukt als Hollander een plek te veroveren in een land met een zo’n lange ontwerperstraditie? Hij had bij aankomst een voorsprong, zegt Noorda. Zijn docenten in Amsterdam stonden destijds sterk onder invloed van Bauhaus. ‘Dat rationalisme paste ook goed bij mij. Ik ben een logisch denker. Maar in Italië hadden ze nog nauwelijks van die stijl en dat ideeëngoed gehoord.’ Wat ook hielp: ‘Ik stelde me bescheiden op, een verlegen jochie. Dat waarderen de Italianen.’ Het leverde hem snel toegang op tot de directies van ondernemingen.

Hij is Italiaan onder de Italianen geworden. Hij trouwde met een Milanese, spreken in het Italiaans gaat hem gemakkelijker af dan het Nederlands. ‘Wat design in Italië zo aantrekkelijk maakt is de samenwerking tussen producent en vormgever. Zodra een ondernemer iets nieuws heeft, stapt hij naar een designer. En er is altijd oog voor esthetiek, elegantie. De schaal van de bedrijven is niet zo groot. Gelukkig is de Italiaan vrij snel moe, en wil hij al gauw weer wat anders. Als je van die hele grote concerns krijgt, komt vormgeving in dienst te staan van marketing. Dat gaat ten koste van de kwaliteit.’

Het begon met een opdracht voor Pavesini-koekjes (lange vingers) en het hoogtepunt werd bereikt toen hij zich op verzoek van de wereldberoemde ontwerper Massimo Vignelli aansloot bij Unimark International Corporation. Het ontwerpbureau breidde uit tot 48 vestigingen, wereldwijd verspreid, met multinationals als opdrachtgevers. In 1974 viel het bedrijf uiteen als gevolg van de oliecrisis.

Dat de dictaten van Unimark – helderheid, soberheid, leesbaarheid – leidden tot eliminatie van de persoonlijke inbreng, bestrijdt Noorda. ‘Er was wel een zekere cultuur, die je rationeel kon noemen, en veel overleg. Maar er was ruimte voor eigen oplossingen.’

Nog altijd werkt hij in zijn eigen studio in Milaan, vasthoudend aan zijn eigen ideeën, waarin eenvoud en functionaliteit vooropstaan. Die school heeft het moeilijk, stelt hij vast. ‘Ontwerpen doe je tegenwoordig op de computer. De mogelijkheden zijn zo onuitputtelijk dat het vak te artistiek dreigt te worden. De essentie is toch een boodschap over te brengen die iedereen onmiddellijk begrijpt.’

De ontwikkelingen in Nederland volgt hij nauwelijks. Alleen de architectuur boeit hem; de overheidsinstellingen in Nederland tonen als opdrachtgever veel meer durf dan de Italiaanse pendanten. ‘Die zijn veel minder modern.’ Maar deze middag concentreert hij zich op andere lokale fenomenen: op tafel staan inmiddels een glaasje korenwijn en een schaaltje bitterballen.

01knrob_ph01

Bob Noorda

Foto Najib Nafid

01knrob_ph02

01knrob_ph03

01knrob_ph04

‘De Coop, de Cooperative di Consumatori, is een supermarktketen in Italië die nog op bijna communistische leest is geschoeid. Het logo bestond al, ik heb de letters in 1994 wat gemoderniseerd en met elkaar verbonden om de saamhorigheid en de solidariteit te beklemtonen. Het lijkt wat op de CCCP, ja. Gele en groene kleuren op de gevels wekken de associatie met gezonde levensmiddelen, binnen in de winkels wordt dat idee voortgezet.’

‘De hond met zes poten bij benzinestations was van Luigi Broggini en stamt uit 1952. Toen Agip 20 jaar later een nieuwe huisstijl wilde, was aan dat beeld niet te tornen. Ik heb het in een vierkant met afgeronde hoeken geplaatst, waardoor de hond wat korter moest. In de stations liet ik overal de kleuren geel en wit terugkeren. De letter gaf ik een witte streep in de body; ziedaar de autostrada.’

‘Het ontwerp voor de metro van New York was heel ingewikkeld. Ik heb er van 1966 tot 1970 aan gewerkt. Drie vroegere maatschappijen waren samengevoegd tot de New York Transit Authority. Ik maakte een bewegwijzering die begint met vierkante bordjes van één foot, zo’n 30 cm. Die zijn modulair te vergroten, van 1 naar 2, naar 4 en 8, waarmee je ook de informatie erop kunt uitbreiden. Pijltjes, cijfers, lijnen, namen. We wilden eerst zwarte letters, de Standard, op witte borden. Maar in die tijd zat alles onmiddellijk onder de graffiti. Het is daarom wit op zwart geworden.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden