Dertig jaar in het donker

De filmrecensent in Duska, de filmwetenschapper in Sextet: het zijn deerniswekkende figuren. Worden er rekeningen vereffend? Welnee, zeggen de regisseurs....

Het is een wat treurig bestaan, dat van de filmrecensent. Hij slijt zijn dagen in eenzaamheid; de vijftig ruim voorbij en nog altijd brengt hij het gros van zijn uren door in de donkerte van de bioscoop. Eigenlijk is hij meer geïnteresseerd in het meisje achter de kassa.

Dat is het beeld dat regisseur Jos Stelling oproept in Duska, de opening van het Nederlands Film Festival. Wat Bob, een rol van de Vlaamse acteur Gène Bervoets, nog enigszins op de been houdt, is het scenario waaraan hij heimelijk werkt.

In Sextet van Eddy Terstall, ook binnenkort in de bioscoop, komt de vorser van de cinema er niet veel beter af. Hier is het niet een criticus, maar een wetenschapper (weer Bervoets), die zijn studenten niet alleen ‘de estafettestructuur binnen de raamvertelling’ voorhoudt, maar ze ook wijst op het thema van de film met seksscènes die hij laat zien: dat mannen geen genoegen nemen met een vrouw die nee zegt. In de middagpauze slaat hij zelf een hoertje in elkaar (de scène heeft dan de gedaante van een cartoon aangenomen) en na de les trekt hij zich thuis af bij de besproken productie.

De vraag ligt voor de hand: worden hier openstaande rekeningen vereffend? Is de recensent naast, zoals het cliché wil, azijnpisser nu ook nog een deerniswekkend en gefrustreerd persoon? Stelling: ‘Nee, nee. Het is een respectabel beroep. Ik had ook een schrijver kunnen gebruiken. Iemand die in staat is iets naar zijn hand te zetten. Maar dit staat nu eenmaal dichter bij mij.’ Terstall: ‘Ik vind recensenten doorgaans vrij coulant, al heb ik niet zo veel met dat getheoretiseer over het werk. Het is ook niet het onderwerp van de film: ik wilde een lans breken voor de libertijnse opvattingen over seksualiteit in Nederland.’

Het wezen van de analyticus mag dan in de marge aan de orde komen, vooraf werd in de filmwereld al driftig gespeculeerd over naar wie Stelling zijn hoofdpersonage had gemoduleerd. Na de eerste persvoorstelling zagen sommigen een bevestiging van het gerucht: het bezoek aan festivals in Oost-Europa, de fles wijn naast de pc, het moet Peter van Bueren zijn geweest, oud-Volkskrant-criticus. Stelling laat het in het midden. ‘Ik ken hem goed, we maken vaak ruzie, met veel geschreeuw en zo, en ik waardeer hem. Hij is een van de bronnen, laat ik het zo zeggen.’

Hij heeft Bob met opzet wat treurig gekleurd. Stelling heeft altijd wat medelijden met de filmjournalist. ‘Er zit toch een zekere eenzaamheid aan vast. Al die stukjes, en maar weinig respons.’ Op festivals ziet hij ze vanaf het terras – ‘waar ik lekker aan het genieten ben’ – voorbij sjokken, met van die volle schoudertassen, weer op weg naar de volgende film. ‘Ze zitten 30 jaar in het donker. Dat is slecht voor de gezondheid.’ Maar hij mag graag met ze in discussie gaan. ‘Ze hebben er meer verstand van dan mijn collega’s. Ze zien meer, kunnen beter reflecteren.’

Ze staan doorgaans niet met getrokken pistool tegenover elkaar, de maker en criticus. ‘Er is sprake van een gezonde spanning’, oordeelt André Waardenburg (Skrien, NRC Handelsblad). Pieter van Lierop (Geassocieerde Pers Diensten, leverancier aan regionale dagbladen): ‘Er is wederzijds respect.’ Regisseur Johan Nijenhuis, hard aangepakt met Costa! (2001): ‘Recensenten zijn beter in staat films binnen hun genre te beoordelen. Dat was ten tijde van Costa! niet zo.’

Terstall stelt zelfs vast dat hij doorgaans op een welwillende houding kan rekenen. ‘Het is een klein wereldje. Je komt elkaar tegen, op festivals, feestjes, op de set. Critici kunnen zelf horen en zien hoe moeilijk het is om met krappe budgetten te werken. Het geeft mijn films een zekere aaibaarheid. Het leidt tot een mildere benadering.’ Van Lierop herkent het patroon. ‘Wat klein is, wil je graag koesteren. Terstall krijgt het dan wat minder hard voor zijn kiezen dan bijvoorbeeld Jeroen Krabbé en zijn The Discovery of Heaven. Die kwam in elk tv-programma, het budget was riant, een cast met buitenlandse acteurs; het was zo pompeus. Dan wek je verwachtingen. Die moet je dan wel inlossen.’

Dat een productie altijd als autonoom werk moet worden bekeken, staat dan ook niet in het handvest van de criticus. Hoe een film tot stand is gekomen, kan volgens Terstall relevant zijn. ‘Simon was een 9. Maar met de begroting van Zwartboek was het zeker tot een Oscar-nominatie gekomen.’ Van Lierop: ‘Je hoeft toch niet alles te negeren wat je weet? En soms redt een film het ook op eigen kracht, hoor. Van Zusje uit 1995 kende ik niemand, ik zag de beelden alle kanten op schieten, ik dacht: oh, daar is-ie weer, de subjectieve camera, help, waar is de nooduitgang? En toch werd ik ineens meegesleept.’

Dat het hoge ons-kent-ons-gehalte het onafhankelijk oordeel in gevaar kan brengen, wordt wel onderkend. Waardenburg zegt contacten ‘een beetje uit de weg’ te gaan. Van Lierop, die net is gestopt met zijn werk voor de GPD, heeft al jaren geen interviews meer gedaan met Nederlandse regisseurs. ‘De wetenschap dat Pim de la Parra de juwelen van zijn vrouw had verkocht om Wan Pipel te kunnen maken, troebleert je waarneming.’

Ervaringen met Stelling waren er ook debet aan dat hij wat meer afstand wilde bewaren. Ze wonen in dezelfde omgeving, zijn even oud, ze hebben gemeenschappelijke kennissen. Een vernietigende, bijna paginagrote recensie van De Vliegende Hollander (1995) leidde tot een verstoorde verstandhouding. Stelling heeft Van Lierop enige tijd ontlopen. Maanden later, in een tuincentrum bij Utrecht – Van Lierop met een nieuwe kruiwagen, Stelling met kunstmest en tulpenbollen – was een confrontatie onvermijdelijk. De criticus: ‘Hij vroeg me of ik geen ander had moeten sturen, en of het niet wat kleiner had gekund. Ik antwoordde: welk respect had je voor mij gehad als ik was weggelopen zodra het warm werd?’ Stelling: ‘Als de betrokkenheid groot is, moet je opzij stappen, vind ik. Stuur een ander.’

De behoefte aan enige reserve is ook bij de andere partij op te tekenen. Zo komen regisseurs en producenten nog maar weinig bij persvoorstellingen. Stelling bewaart er geen prettige herinneringen aan. ‘Niemand lacht, niemand applaudisseert en na afloop weten ze niet hoe snel ze weg moeten komen.’ Van Lierop betreurt het. ‘Het had wel iets, vroeger. Na de presentatie van Een vlucht regenwulpen zaten Matthijs van Heijningen, Ate de Jong en Maarten ’t Hart aan een tafeltje. Kom maar op! Dat kon een leuk debat opleveren.’

Regisseur Igor Kramer voert in zijn eindexamenfilm Gödel (2007), over de laatste jaren van de Amerikaans-Oostenrijkse wiskundige en logicus Kurt Gödel, twee recensenten op die de inhoud en mogelijke eindes al bespraken nog voor de laatste scènes – ter illustratie van Gödels stelling dat een systeem alleen maar binnen een ander systeem kan bestaan. Maar hij wilde ook laten zien dat critici ten onrechte tot ‘een ander departement’ worden gerekend. ‘Ik krijg tijdens mijn opleiding altijd te horen dat ik me niks van recensies moet aantrekken. Maar mijn film werd lovend besproken, en dat betekende wel dat ik makkelijker aan geld kwam voor een volgend project. Ik vind dat de partijen elkaar te veel uit de weg gaan. Critici kunnen mij vertellen wat een film bij publiek teweeg kan brengen. Die zien oneindig veel meer dan ik.’

Een enkele keer uit het ongenoegen van de makers zich meer dan in debat, een straatje om, of een boze ingezonden brief. In 1999, tijdens het filmfestival in Utrecht, werd Van Lierop bij de keel gegrepen door de producent van An Amsterdam Tale, Ruud den Drijver. De criticus had geschreven dat de film, geregisseerd door Den Drijvers vrouw, Dorna van Rouveroy, een mislukte commercial voor Yab Yum was. ‘Hij sprak me aan in De Winkel van Sinkel. Ik had een afspraak, dus ik liep door. Toen greep hij me vast, duwde me tegen de muur en begon mijn strottenhoofd dicht te schroeven. Zijn vrouw stond op zijn rug te bonzen: Stoppen Ruud! Hier schiet je niks mee op! Ik sta nog steeds voor 100 procent achter die recensie. Het was rotzooi.’

Den Drijver: ‘Je mag wat mij betreft iemand met opzet beledigen, maar hier werden grove onwaarheden verkondigd. De film belandde zo in de categorie van een softpornowerkje. Daar hoorde hij niet thuis. Maar het is een misverstand dat de tekst bij mij de stoppen deed doorslaan. Ik had juist begrepen dat Van Lierop best aanspreekbaar was. Maar hij duwde me opzij. Hij reageerde niet eens. Nou ja, het was om praktische redenen niet verstandig wat ik deed. Het heeft geen nut gehad.’

In beide kampen wordt gewezen op nog een andere verschuiving in de onderlinge relatie. Het gezag van de criticus is aan het eroderen. Oorzaken: de ontzuiling, de versnippering van het medialandschap, de verveelvoudiging van de protagonisten; ziedaar de inflatie van het gewicht van de mening. André Waardenburg: ‘Van Bueren van de Volkskrant, Hans Beerekamp van de NRC, Pieter van Lierop; dat waren bákens in de jaren zeventig en tachtig. Nu wordt een opvatting veel meer gerelativeerd. Ik geloof wel dat er een begin van een tegenbeweging is, maar dan niet persoons- maar meer mediumgebonden. Wat vindt de Volkskrant ervan? Wat meldt Het Parool?’ Nijenhuis: ‘Het wemelt nu van de websites. Iedereen stuurt sms’jes naar elkaar. Ga kijken! Voor mijn films is dat wel goed. Die komen nu beter aan bod in de doelgroep.’

Stelling beklaagt zich over vervlakking. ‘Als ik voor mijn laatste film naar de kiosk ga, kom ik naar buiten met een stapel van 30 cm. Maar wat is het? Allemaal van die rubriekjes, met zes, zeven zinnen. En dan van die sterretjes. Entertainment is het. Meningen vind ik nog het oninteressantst. Iedereen heeft een mening. Je zou meer achtergrond willen, discussie, zoektochten naar onbekend terrein. Heeft iemand het ooit over de kwaliteit van de recensent?’

Hoewel de autoriteit verwatert, wordt breed beaamd dat recensies van belang blijven. Niet voor de Hollywoodfilm, nauwelijks voor op tieners gerichte producties, maar wel voor het werk dat meer in de biotoop van een arthouse thuishoort. Een negatieve beoordeling in de media die de fijnproevers serieus nemen, en een draaitijd van hooguit een week is het resultaat.

Lezen doen de regisseurs en producenten ze wel. Alleen Ruud den Drijver zegt dat hij er wel zo’n beetje mee is opgehouden. ‘Ik word er niets wijzer van, en collega’s die beweren dat ze er wat van opsteken, proberen alleen maar sympathie voor hun volgende film te winnen.’ Johan Nijenhuis hecht meer waarde aan het oordeel van de producent, de scenarioschrijver, de collega-regisseur. ‘De recensent schrijft zelden iets wat ik nog niet wist.’ Hij was kwaad, zeker, toen van Costa! gehakt werd gemaakt. ‘Maar dat was weg, nadat de eerste bezoekcijfers binnenkwamen.’ Maar toen het Algemeen Dagblad de door hem geproduceerde film Liever verliefd (2003) met de grond gelijk maakte, ging er toch een brief naar de hoofdredacteur. ‘Dat ging zo ver, ongelooflijk. De allerslechtste film ooit, was het. Nou, daar komen geen 300 duizend bezoekers op af. Ik dacht echt: heb ik ooit de fiets van die jongen gejat, of zo.’ Igor Kramer raadpleegt vooral de websites van de film zelf. ‘Dan heb je beeld en geluid. Dat zegt mij veel meer dan een tekst. Film gaat niet over taal.’ Jos Stelling geeft toe nog altijd ‘bloednerveus’ te zijn. ‘Het is echt je kind dat wordt beoordeeld. De beste houding is: ik heb mijn uiterste best gedaan, en dit is het dan. Zie maar. Ik geef toe, dat valt niet mee. Laten we het ook niet allemaal te serieus nemen. Wat ironie op zijn tijd, dat houdt je op de been.’

Inmiddels heeft Van Bueren Duska gezien. ‘Nee, ik herken mezelf totaal niet. Thuis drink ik alleen water, de ambitie voor een scenario heb ik nooit gehad. Weet je wie ik zie? De maniertjes, zo onderuit gezakt in de bioscoop, die bril met dat zware montuur? Jos Stelling zelf! Ja, het is sprekend Jos Stelling.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden