Der Nederlanden Gordijnen, open; Mosselen; Trom, Dik

De Nederlander bestaat niet, zei prinses Máxima alweer een tijdje geleden. De opmerking viel niet bij iedereen in goede aarde....

Gordijnen, open Van televisiebaas Fons van Westerloo (vroeger SBS 6, nu Wakker Nederland) is bekend dat hij ’s avonds graag door de straten kuiert om bij zijn kijkerspubliek naar binnen te gluren. Even checken hoe de doelgroep erbij hangt. Wat ze eten, wat ze drinken, hoe ze hun huis hebben ingericht: het is allemaal handige informatie en je hoeft er niet voor aan te bellen, want vanaf de straat is prima zichtbaar wat er in de woonkamer gebeurt.

Nederland is het land van de open gordijnen.

‘Wat is het toch dat Nederlanders zo publiek maakt in hun interieur?’, vroeg filosoof Anton van Hooff zich in 1991 af in NRC Handelsblad. ‘In den vreemde zijn huizen kastelen, die met de straat hoogstens communiceren via kleine vensters. Deze worden bij het eerste teken van de duisternis gesloten met gordijnen van zwaar velours of door onverbiddelijke rolluiken.’

Hij had het er met verstandige collega-filosofen over gehad, maar ze kwamen er niet uit. Hypotheses hadden ze wel. De open gordijnen zouden, zei de een, alles te maken hebben met het ‘calvinistisch-burgerlijke geestesmerk van de natie’, en moesten vooral benadrukken dat ‘we niets te verbergen hebben voor welke dominee of zedenprediker ook’. Dat was vermoedelijk ook waar Pim Fortuyn in 2001 op doelde toen hij zei dat hij Nederland vanuit het Catshuis zou regeren ‘met de gordijnen open’: kijk maar, ik heb geen geheimen.

Anderen beweerden dat de gordijnen tot ver na Reves De Avonden gewoon dichtbleven, en pas in de loop van de jaren vijftig werden opengelaten. Toen de eerste welvaart het teakhouten meubilair in de huiskamer bracht, wilde de Nederlander graag laten zien hoe mooi hij zijn huis wel had ingericht.

‘Ze zien de televisiequiz, en wonen in betonnen dozen / met flink veel glas, dan kun je zien hoe of het bankstel staat bij Mien / en d’r dressoir met plastic rozen’, zong Wim Sonneveld eind jaren zestig in Het Dorp. Eind jaren zestig waren de gordijnen dus open.

Wie op zoek gaat naar een verklaring voor dit toch tamelijk merkwaardige exhibitionisme, raakt snel verstrikt in grote sociologische verhandelingen die in de opengeschoven gordijnen vooral de letterlijke weergave zien van de figuurlijke Nederlandse openheid: iedereen kon hier tot een jaar of negen geleden ongestoord binnenkomen, of hij nou een Franse Hugenoot was, een Portugese Jood of een Marokkaanse moslim, en die gordijnen zijn daar een beetje het symbool van.

The Wall Street Journal omschreef Nederland in 1999 als ‘een overbevolkt land dat al sinds de Reformatie een ambivalente houding jegens privacy inneemt, toen calvinisten de bevolking aanraadden ’s avonds vooral de gordijnen open te laten, zodat de buren konden controleren of er niet gegokt of gedronken werd.’ De krant schreef dat naar aanleiding van het toen net geïntroduceerde programma Big Brother. Een dergelijk programma kon alleen door een Nederlander zijn bedacht (zie ook: John de Mol), vond niet alleen The Wall Street Journal, maar ook de rest van de buitenlandse pers. De Financial Times: ‘Het gaat over voyeurisme en privacy. Alleen in een land waar de dames van de rosse buurt openlijk in hun etalage zitten, is dit mogelijk.’

Thera Wijsenbeek-Olthuis schrijft in De sociale geschiedenis van het gordijn dat gordijnen in Nederland nooit zijn gebruikt tegen inkijk of de kou. In de 16de eeuw was het gordijn vooral een statussymbool, en veel te kostbaar om zomaar voor een raam te hangen. Fluweel en brokaat moesten worden ingevoerd uit Italië of het Midden-Oosten, en een nieuw pak van Leids laken was duurder dan een fraai bewerkte eiken linnenkast. Textiel werd ingezet om indruk te maken op buitenstaanders. Gordijnen hingen daarom in eerste instantie vooral om pronkbedden, die opgesteld stonden in de vertrekken waar ook het bezoek werd ontvangen.

Rond 1660, op het hoogtepunt van de Gouden Eeuw, werden ze ook voor het raam gehangen. Vooral aan de ramen die zich aan de voorkant van het huis bevonden, op de benedenverdieping. ‘Over de oorsprong van dit gebruik tast ik in het duister’, schrijft Thera Wijsenbeek-Olthuis. ‘Werden er in deze periode misschien huizen gebouwd zonder luiken, of werd in deze tijd een raamgordijn als gezellig of voornaam ervaren? Waarschijnlijk heeft het met een nieuwe mentaliteit van vertoon te maken. De huisbezitters, zo trots op hun nieuw verworven schatten en rijkdom, gaven op die manier aan buitenstaanders een signaal af over hun rijke interieurs.’

De gordijnen werden in elk geval niet gebruikt om nieuwsgierige blikken buiten de deur te houden; daarvoor waren houten luiken veel effectiever. ‘Aangezien alleen de fraaiste kamers van de woonhuizen gordijnen kregen, kan men veronderstellen dat het juist de bedoeling was dat het voorbijgangers zou opvallen en dat zij naar binnen keken.’

Toen al. En nu dus nog steeds. Maar waarom dan toch? Is het inderdaad een kwestie van pronken en uiterlijk vertoon, of houden Nederlanders gewoon graag in de gaten wat er op straat gebeurt? De zomer nadert zijn einde, de dagen worden korter: waarom trekt u de gordijnen na het schemeruurtje niet gewoon lekker dicht? Mail het ons.

Mossel, Zeeuwse Je kunt van die calvinisten zeggen wat je wilt – dat het geen levensgenieters zijn, bijvoorbeeld – maar van alle Nederlandse provincies staat het calvinistische Zeeland toevallig wel op eenzame hoogte als het om streekproducten gaat. Oesters hebben ze, Oosterscheldekreeft, alikruiken (ook wel kreukels genoemd), lamsoren, zeekraal, boterbabbelaars, en mosselen. Mosselen! De oesters van de armen, heten ze soms. Maar vaker worden ze ‘Zeelands roem’ genoemd. Uitje fruiten, selderij en wortel erbij, glas bier of wijn erin, mosselen erop, even koken, klaar. De Zeeuwse mossel begint als mosselzaad, dat wordt uitgezaaid op mosselpercelen. De mosseltjes vormen matten, worden opgevist en daarna uitgezet op planktonrijke percelen om groot te groeien. Daarna worden ze op de veiling van Yerseke aangeboden aan de mosselhandelaren. Die zet de mosselen opnieuw uit om ze te laten ‘verwateren’: tot rust te laten komen en zich van zand en slib te ontdoen. In de jaren vijftig werd de mosselkwekerij tijdelijk uit de Zeeuwse wateren verdreven door een parasiet en door het Deltaplan (zie ook: Deltaplan), waardoor veel percelen verloren gingen. Maar zolang een mossel in de Oosterschelde wordt ‘verwaterd’, mag hij een Zeeuwse mossel heten. Mager is de mossel maar een paar maanden per jaar, van half april tot half juli: dan is hij bezig met zijn voortplanting. Wachten tot de R in de maand zit is bij de mossel dus niet nodig.

Trom, Dik De eerste vier uitgevers aan wie Cornelis Johannes Kieviet (1858-1931) zijn boek Uit het leven van Dik Trom aanbood, wezen hem de deur. Ze vonden het verhaal over de Nederlandse kwajongen met zijn hart van goud, die weliswaar heel hartelijk en behulpzaam was, maar ook ruzie maakte met veldwachter Flipsen, nogal gewaagd in een tijd waarin je in Nederlandse kinderboeken alleen maar braverikjes aantrof. Uitgever nummer 5, de Alkmaarse Gebr. Kluitman, hapte toe. En zo viel in 1891 voor het eerst te lezen hoe Dik, die aanvankelijk Dirk heette, meteen na zijn geboorte de buurvrouw hare handen in elkander liet slaan van verbazing, waarbij zij uitriep: ‘Wel, wel, wat een driedubbeldikke jongen is dat! Zoo’n dikzak heb ik nog nooit gezien! ’t Is zoo waar een natuurwonder! Welke bolle wangen, en zie me die beenen eens aan! Ik vind hem een recht lieven jongen – maar wat zal hij kunnen eten!’

Het boek werd pas een succes vanaf de tweede druk, in 1899, waarin ook voor het eerst de illustraties van Joh. Braakensiek waren opgenomen. Uiteindelijk zouden van Uit het leven van Dik Trom meer dan honderd drukken verschijnen. C. Joh. Kieviet schreef in totaal zes boeken over zijn held. In alle delen is een naargeestige rol weggelegd voor de leugenachtige, magere Bruin, aan wie Dik een ‘geduchtigen hekel’ heeft; en verzucht vader Trom aan het eind tegen zijn vrouw dat ’t een bijzonder kind is, en dat is ie.

Begin deze maand ketsten plannen af voor een aan Dik Trom gewijd museum in het Noord-Hollandse Etersheim, dat gevestigd zou worden in een oud schooltje waar C. Joh. Kieviet nog heeft lesgegeven. In de aanpalende onderwijzerswoning schreef hij zijn eerste Dik Trom. Wat wel doorgaat, is een nieuwe film over de dikke held, geproduceerd door Eyeworks en geregisseerd door Arne Toonen, die eerder een aantal afleveringen van de serie Het Schnitzelparadijs maakte. De opnames worden nu gemaakt, en vanaf 8 december is de film in de bioscoop te zien. Vader Trom wordt gespeeld door Marcel Musters, Dik zelf door de 12-jarige Michael Nierse.

In Hoofddorp, geboortestad van C. Joh. Kieviet, staat een standbeeld van Dik Trom die achterstevoren op een ezel rijdt, naar een scène uit het eerste boek: ‘Daar vloog het er op los. De ezel, die wel merkte, dat het niet geheel in den haak was op zijn rug, maakte allerlei sprongen, en balkte nog harder dan gewoonlijk. Maar Dik bleef bedaard zitten, waar hij zat.’

uw reacties en tips
Voor mij maakt gerookte paling deel uit van Nederland. In Ierland, waar ze wel op paling vissen, eet men ze niet. De drogende fuiken als toeristische attractie. Maar vooral het zelf roken, en dan het verdelen, waarbij een ieder met een flink bos in oude kranten verpakte gerookte paling huiswaarts keert. In elke IJsselmeerplaats wist je wat er in zo’n pakje zat.

(Klaas Zwaan)

In de laatste aflevering van Der Nederlanden voor de zomervakantie gingen we historisch de mist in. De landsdelen die in 1581 de Acte van Verlatinghe tekenden, waren niet dezelfde als de provincies die later de Republiek der Zeven Verenigde Provinciën zouden gaan vormen. De Acte waarin Philips II opzij werd geschoven, werd ondertekend door Brabant, Gelre en Zutphen, Vlaanderen, Holland, Zeeland, Friesland, Mechelen en Utrecht. De zeven provincies waren Gelderland, Holland, Zeeland, Utrecht, Overijssel, Friesland en Groningen. Het noordelijk deel van Brabant kwam in 1648 als ‘generaliteitsland’ Staats Brabant bij de Republiek, maar was niet vertegenwoordigd in de Staten-Generaal. Dank aan de heren Horlings, Heemskerk, Plasmans, Merkx, Tulp, De Vos en Wouters voor het lesje vaderlandse geschiedenis.

MMV NED. centrum voor volkscultuur

Volgende week: Stijl, de mail: dernederlanden@volkskrant.nl of kijk op vk.nl/dernederlanden

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden