Deficit van de moraal, etcetera Documenta X spreekt alleen tot ingewijden

Onder haar voorgangers is de Documenta verworden tot een vesting van cultuurconsumentisme, vindt Catherine David. De artistiek directeur van Documenta X roept op tot polemiek en discussie over de hedendaagse maatschappij....

HET BEGINT MET twee woorden; woorden die verwijzen naar een beroemd kunstwerk waar de maker twintig jaar lang in diepste geheimhouding aan werkte. Het kunstwerk staat sinds 1969 opgesteld in het Philadelphia Museum of Art, en wie daar nog nooit is geweest, kent dit werk alleen van horen zeggen. Want gefotografeerd kan het alleen van de buitenkant - een zware, houten deur met ijzeren beslag. En alleen de bezoeker van het museum kan in die deur twee piepgaatjes ontdekken, er doorheen kijken en het mysterie zien dat zich achter de deur afspeelt.

Eerst stuit je oog op een bakstenen muur met een scheur, maar daarachter strekt zich een panoramisch, sprookjesachtig landschap uit. Er ligt een naakt meisje uitgestrekt op een soort van bank, met een gaslamp in haar hand. Om haar heen beboste heuvels, een meer, mist en een waterval.

Etant donnés. Gegeven. Met deze hypothetische formule leidt artistiek directeur Catherine David de tiende Documenta in Kassel in, die afgelopen zaterdag voor publiek is opengegaan. Het zijn de eerste twee woorden van de naam die Marcel Duchamp schonk aan zijn complexe assemblage in Philadelphia: 'Etant donnés: 1. La chute d'eau, 2. Le gaz d'éclairage'. En hoewel Duchamps werk op deze Documenta afwezig is en de naam van de kunstenaar één, hooguit twee keer wordt genoemd in het drempeldikke boek (géén catalogus) dat David bij de Documenta heeft uitgegeven, is het niet toevallig dat zij juist Duchamps 'gegeven' als vertrekpunt neemt.

'Etant donnés' is een raadsel, net als het Grote Glas - die andere beroemde assemblage van Duchamp. Gaat het over ontluikende seksualiteit, over verloren onschuld, over perceptie en vervreemding, verwisseling en omkering of allemaal tegelijk? Wat het antwoord op deze vragen ook is, het is duidelijk dat het tafereel dat Duchamp ons voorspiegelt, niet meer dan een begin is, het begin van een ontcijfering.

Deze opvatting over kunst moet David hebben aangesproken. Ze moet zich ook thuis hebben gevoeld bij Duchamps verwerping van de schilderkunst, en moed hebben geput uit het gemak waarmee hij kritiek op zijn werk - 'esoterisch en onbegrijpelijk', volgens sommigen - naast zich neerlegde. Want al deze drie kenmerken en eigenschappen zijn terug te vinden in Documenta X en haar artistieke moeder.

De laatste Documenta van de eeuw, heeft David voor aanvang van het evenement laten weten, zal anders worden dan andere. Ditmaal geen mediacircus met gehypte kunstenaars, zoals dat bij Documenta 7 & 9 van Rudi Fuchs en Jan Hoet het geval was. Geen conceptloze top-honderd van verspreide kunstenaars, geen 'états des choses', geen in het oog springende 'buitenactiviteiten'. David wil een fundamenteel andere Documenta, één die met een blik op het verleden uitspraken doet over de politieke, sociale, economische en artistieke problemen van nu: de opkomst van racisme en nationalisme, de dolgedraaide consumptie-industrie, de onthechting van het individu door de opkomst van mondiale communicatienetwerken, milieuproblematiek, het deficit van de moraal, de versplintering van het beeld, enzovoort.

Van het concept dat de Documenta voornamelijk een tentoonstelling zou zijn, is afgeweken. Het ruim 800 pagina's tellende Documenta-boek - met essayistische bijdragen van antropologen, filmtheoretici, economische historici, filosofen uit de Frankfurter Schule en de scholen van Lacan, Althusser en Derrida - vormt een 'documenta' op zichzelf, evenals het discussieprogramma 'Honderd Dagen Honderd Gasten'.

Zo heeft David met haar Documenta een algemene culturele manifestatie op poten gezet, een manifestatie die aan moet zetten tot 'discours' en polemiek. Dit streven heeft iets paradoxaals in zich, erkent David: hoe stel je een culturele mega-manifestatie samen die kritisch is, terwijl juist het fenomeen van de mega-manifestatie de afgelopen twintig jaar is uitgegroeid tot 'een vesting waar cultuurtoerisme en kunstconsumentisme hoogtij viert'? Davids antwoord hierop, zoals zal blijken, is niet zozeer een antwoord als wel een strategie: de klassieke strategie van uitsluiting.

Ruim drie maanden geleden ontmoette ik David (1954) in Rotterdam. Ze was daar voor haar eerste en laatste persconferentie in Nederland over de Documenta. We spraken elkaar vooraf in een hotelkamer, en wat ze vertelde over haar 'wereldwijde zoektocht naar de meest avontuurlijke uitingen van contemporaine, culturele praktijken', deed verlangend uitkijken naar de opening in juni in Kassel. Dat kunstenaars haar vertelden niet het gevoel te hebben voor de Documenta te werken (als gevolg van Davids low-profile-houding ten opzichte van de media), beschouwde David als een groot compliment.

Nu het Fridericianum, het Ottoneum, de Documenta-Halle en al die andere plekken waar de Documenta zich dit keer afspeelt, geopend zijn, worden de achtergronden van die uitspraken duidelijk. En dat is een verbijsterende ervaring.

De Documenta bevat internetkunst, video, architectuur, fotografie, installatiekunst en - hier en daar - beeldende kunst. Het merendeel is streng conceptueel van aard, onderzoekt de relatie tussen lichaam en geest (Lygia Clark), de verhouding tussen kunst, politiek en samenleving (Art & Language bouwt zit- en eethoeken van schilderijen), die tussen lichaam en ruimte (Ulrike Grossarth), of analyseert het manipulatieve samenspel van fotografie, computer en schilderkunst (Richard Hamilton). Bij deze kunst gaat het in de eerste plaats om het onderzoek, en niet om het verhaal, het gevoel of de esthetische verrukking die de beelden veroorzaken.

Tussen deze conceptuelen door zweven een paar humanistisch georiënteerde kunstenaars, architecten en fotografen van vroeger en nu (Walker Evans, Nancy Spero, Ed van der Elsken, Dorothee Golz, Aldo van Eijck), en enkele grootmeesters die volgens David richting hebben gegeven aan de ontwikkeling van de hedendaagse kunst. Zo zijn in het Fridericianum Gerhard Richter en Marcel Broodthaers prominent aanwezig, en treedt in een zaalvullende installatie in de Documenta-halle de als moderne mafioso vermomde Arte-Povera-kunstenaar Michelangelo Pistoletto op. Ook de grootmeester van de manipulatieve fotografie, Jeff Wall, hangt op meerdere plaatsen in Kassel.

Wat is nu zo verbijsterend aan deze Documenta-tentoonstelling? Niet het feit dat David schilderkunstige ontwikkelingen, zoals Pop Art en Neo-Expressionisme, van de afgelopen vijftig jaar negeert. Wie het curatoren-werk van David van vóór de Documenta kent, zoals de tentoonstelling Passages de l'Image, die ze in 1990 in het Parijse Centre Pompidou organiseerde, weet dat David zich al langer vooral interesseerde voor nieuwe manieren van reproductie van de werkelijkheid, zoals die naar voren komen in video, film, fotografie en op het worldwide web.

In een begin dit jaar gepubliceerd Documentadocument had ze bovendien een tamelijk helder gesprek met de filosoof en architect Paul Virilio, waarin de onmacht van de huidige schilder- en beeldhouwkunst breed werd uitgemeten. De echte vernieuwers zijn volgens David en Virilio de kunstenaars die tot het inzicht zijn gekomen 'dat kunst niet langer meer plaats heeft, maar pure energie is geworden'.

David is in haar selectie voor de Documenta dus simpelweg consequent geweest. Ze heeft onder de niet meer zo piepjonge kunstenaars, diegenen uitgekozen die de voorwaarden waaronder kunst wordt geproduceerd, hun relatie met kunst of met het kunstbedrijf ter discussie stellen. En daarvoor kwam ze zo nu en dan wel bij de plastische kunsten terecht. Bij de jongste generatie kunstenaars hoeft dat niet meer. En dus is er van hen vooral video, film, installatie- en internetkunst.

Maar wat heeft die consequentie de kijker opgeleverd? Allereerst dit vreselijke feit: zelden is er op een mega- tentoonstelling zoveel oninspirerende en ongeïnspireerd opgehangen en neergezette kunst bij elkaar te zien geweest als nu in Kassel. De kunst die David toont, spreekt tot het hoofd, en maar heel, heel zelden tot het hart. In Kassel moet je langdurig zoeken naar kunst, die - zoals de inmiddels overleden filmtheoreticus André Bazin in het Documenta-boek schrijft - 'je geest slaat met een roodgloeiend stuk ijzer en je geweten geen gelegenheid tot rust geeft.'

Alleen een enkeling weet zich aan die klinische sfeer te onttrekken. Stan Douglas bijvoorbeeld, met zijn prachtig poëtische 'dubbelfilm' over een gemystificeerde griezelman in een volkstuin in Potsdam. Of Carsten Höller, die samen met Rosemarie Trockel weliswaar een wat melig 'Huis voor zwijnen en mensen' in het Auepark heeft gebouwd, maar waar de jonge, met hun oren flapperende stippelbiggetjes iedere toeschouwer tot ontroering brengen. Bij de uitzonderingen hoort ook de Belg Johan Grimonprez, die voor gelach zorgt ondanks zijn bloedstollende film over de geschiedenis van vliegtuigkapingen. Verder is op de Documenta ernst troef.

In de tentoonstellingsruimten binnen hangen de werken zonder aanwijsbare logica bij elkaar. David heeft een kleine pocket samengesteld, met daarin, toch, een soort beknopte top-honderd van deelnemende kunstenaars. Maar op de tentoonstelling: geen verantwoordingen of toelichtingen. Er lijkt niet op stijl, niet op thema ingericht, en bij sommige werken is ook niet gezocht naar een geschikte plek van tentoonstelling. Zo hadden de om stilte vragende video-installaties van de Nigeriaanse Oladélé Ajiboyé Bamgboyé geen slechtere vertoningsplaatsen kunnen krijgen dan de akoestisch rampzalige Documenta-Halle en de drukke entree van het Fridericianum.

Deze fragmentarische aanpak is misschien wel te verantwoorden vanuit Davids overtuiging dat de huidige samenleving gefragmenteerd is en zich niet meer volgens lineaire lijnen ontwikkelt. Dat we - zoals Foucault al in de jaren zestig zei - 'in het tijdperk van gelijktijdigheid leven, het tijdperk van het dichtbije én het veraffe, van het naast elkaar en tegelijkertijd verspreid zijn'. En dat de Documenta- tentoonstelling daarom niets anders kan zijn dan een spiegel van deze tendens.

Maar het getuigt ook van elitairisme, van arrogantie bijna, om Foucaults stelling en die van andere gelijkgestemden als excuus aan te grijpen om zo min mogelijk aan de bezoeker uit te hoeven leggen. Dat geldt - heel consequent - niet alleen voor de tentoonstelling, maar ook voor het boek. Hoe interessant veel bijdragen daarin ook zijn, iemand die niet diep is ingevoerd in zowel de Franse en Duitse filosofie, als in antropologie, filmtheorie, geschiedwetenschap, kunsttheorie en letterkunde, zal het merendeel van de auteursnamen onbekend in de oren klinken. Het is een raadsel waarom David bij geen enkele auteur heeft willen vermelden uit welke hoek hij of zij afkomstig is, wat zijn functie was of is en wat de context is waarin een bijdrage gelezen moet of kan worden. Deze tegenzin op enigerlei wijze specifiek te willen zijn, bemoeilijkt het begrip van wat er beweerd wordt. David wil met deze Documenta een 'discours'.

Maar met wie, vraag ik me af. Blijkbaar alleen met een heel select groepje van ingewijden. Daarmee doet ze de niet-ingewijden te kort, maar ook de ingewijden. David heeft met deze Documenta deelnemers, publiek en zichzelf geen goede dienst bewezen. Niemand is erbij gebaat als hij niet begrepen wordt, zelfs David niet.

Documenta X. Tot 28 september in het Fridericianum, het Ottoneum, de Documenta-halle, het Hauptbahnhof en andere plaatsen in Kassel. Inlichting 0049-561707270.

Internet: http://www.documenta.de

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden