Column De jonge Rembrandt

De zintuigen van de jonge Rembrandt: je ogen bedriegen je

Rembrandt, De brillenverkoper (het zicht), circa 1624.

In Rembrandts tijd stonden de zintuigen volop in de belangstelling. Hij wijdde er vijf werkjes aan, ogenschijnlijk eenvoudig, maar toch verraderlijk.

Het is geen toeval dat Rembrandt op zijn eerste schilderijen de zintuigen als onderwerp koos. In de 17de eeuw probeerde men met behulp van het denken de mens te doorgronden. Zeker in academisch Leiden. Maar ook de zintuigen werden bevrijd uit de ketenen. Het leek wel of er heviger en intenser werd geproefd, gevoeld, geroken, gehoord en gekeken dan ooit tevoren. De wereld ging open.

Rembrandt was een jaar of 18 toen hij op vijf afzonderlijke paneeltjes de vijf zintuigen verbeeldde. Vier van de vijf schilderijen zijn bewaard gebleven, naar De smaak wordt nog gezocht. Op Het gevoel snijdt een keisnijder met zijn scalpel een imaginaire steen uit het hoofd van een kermende man. Een kwakzalver brengt een flauwgevallen patiënt bij met vlugzout op De reuk. En op Het gehoor zingen drie mannen samen uit een muziekboek, zo te zien zo vals als kraaien.

Het zicht was het belangrijkste zintuig. Steeds bedrevener raakte men in de 17de eeuw in het slijpen van glazen. De dichter en diplomaat Constantijn Huygens begon op zijn 16de een holgeslepen bril te dragen. Niet uit aanstellerij, maar omdat hij bijziend was. ‘Ik heb mij echter door geen praatjes of spot laten weerhouden’, noteerde Huygens in zijn memoires, ‘want ik wist dat de kwaal mij allang te pakken had en niet alleen maar op de loer lag. Als je goed keek, was er geen twijfel mogelijk.’

Huygens’ geniale zoon Christiaan sleep lenzen om nog verder weg te kijken dan zijn vader – en bouwde een telescoop.

Op Rembrandts verbeelding van Het zicht staat een marskramer in een merkwaardig oosters kostuum met pofmouwen, een tulband en een oorbel. Beurs op de heup. Voor zijn buik heeft hij een houten kistje uitgeklapt waarin brillen, verschillende glazen en accessoires als touwtjes en stoffen opbergzakjes zijn uitgestald. Een oude vrouw probeert een knijpbrilletje op haar neus. Lachend biedt de brillenverkoper een oude man er ook één aan.

Rembrandt was Rembrandt nog niet in 1624. De houterige houdingen en armgebaren van de figuren lijken verdacht veel op die van De tric-trac spelers, een schilderij van zijn jongere, maar al veel geslepener vriend Jan Lievens. De ruwe streken van Rembrandts penseel zijn geen bewijs van de fabuleuze ‘ruwe’ stijl uit zijn late leven. Hier is het nog gewoon onhandigheid.

Om me te verplaatsen in de wereld waarin de jonge Rembrandt leefde, kijk ik zo intens mogelijk naar zijn schilderijen. Soms heb ik de illusie dat het me zo lukt om vier eeuwen in de tijd terug te reizen. Maar het kan ook verraderlijk zijn.

In de 17de eeuw betekende ‘iemand een bril verkopen’, iemand bedonderen, voor de gek houden. Elke kijker uit Rembrandts tijd zou onmiddellijk zien dat deze dikke, grijnzende brillenverkoper, met zijn aanstellerige paarse acteurspak, zijn veel te goed gevulde beurs en het twinkelende belletje aan zijn oor, een oplichter is.

De marskramer heeft de oude vrouw de bril al opgezet. Haar gezichtsuitdrukking spreekt boekdelen. Hoe ze ook met haar ogen knijpt: ze ziet geen hand voor ogen.

Als de verkoper een knijpbrilletje aanbiedt aan de oude man, wijst die naar het puntje van zijn paarse knolneus. Moet-ie daarop?

Hij wordt bij de neus genomen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden