De zes knopen van Robespierre

In het Franse dorp waar ik tot een paar jaar geleden woonde, stond een zandstenen kerkje met boven de deur de volgende merkwaardige regel: ‘Le peuple Français reconnaît l’existence de l’être suprème et l’immortalité de l’âme’, – ‘Het Franse volk erkent het bestaan van het hoogste wezen en de onsterfelijkheid...

De bedenker van de slogan over volk, hoogste wezen en ziel was Maximilien Robespierre, de Lenin van de Franse Revolutie, aanstichter van de Terreur, eerstverantwoordelijke voor de onthoofding van koning Lodewijk XVI, eerste moderne dictator benevens uitvinder van de genocide met het uitmoorden van de Vendée.

In zijn nadagen bedacht Robespierre een curieuze lekencultus waarin geen plaats was voor het woord ‘Dieu’ omdat de traditionele kerk uiteraard stond voor de contrarevolutie. Maar hij was ervan overtuigd dat het volk zonder religie niet kon, en ontwierp het festival van het Hoogste Wezen. Zelf ging Robespierre vóór in hemelsblauwe jas getooid met de tricolore, omringd door afgevaardigden voorzien van gevederde hoeden, bloemstukken en korenschoven. Het was het hoogtepunt en tevens het eind van zijn heerschappij – zes weken later was hij dood, zesendertig jaar oud, onthoofd door de guillotine die dezelfde ‘rode zomer’ van 1794 zoefde als nooit tevoren.

In de inleiding op haar onberispelijke biografie Fatal Purity – Robespierre and the French Revolution, schrijft de jonge Britse historica Ruth Scurr hoe de grote geschiedvorser van de Franse Revolutie, François Furet, in 1978 had geschreven dat ‘de Revolutie voorbij is’. De Fransen hadden zich volgens hem met elkaar verzoend. Het kwam hem op een storm protesten te staan. Een kleine dertig jaar later is de Revolutie weliswaar onaantastbaar – de Franse identiteit bestaat bij de gratie van de Republiek, de parade van quatorze juillet en het vrijwel dagelijks aanroepen van de Rechten van de Mens. Maar met de duistere kanten van hun belangrijkste historische gebeurtenis zijn de Fransen nog altijd niet in het reine.

Zo is in Robespierres Noordfranse geboorteplaats Arras (Atrecht) het huis van de beroemdste inwoner weliswaar getooid met een plaquette, maar wordt er verder over zijn wapenfeiten meer dan zorgvuldig gezwegen. De Revolutie kan officieel alleen maar als goed en mooi worden beschouwd en zodoende moet Robespierre min of meer worden genegeerd. Maar het was ook een Franse politicus, Georges Clémenceau, die in 1880 de befaamde woorden sprak ‘la Révolution est un bloc’. Hij bedoelde daarmee dat die hele revolutionaire geschiedenis noodzakelijkerwijs bij elkaar hoort, met uiteraard de graag gememoreerde evergreens als de val van de Bastille en het afschaffen van privileges voor adel en kerk, maar net zo goed het in gebruik stellen van de guillotine. Want de uitvinder, docteur Guillotin, had inderdaad een humanere terechtstellingsmethode beoogd, die bovendien de gelijkheid symboliseerde. Voorheen was het zwaard er alleen voor de adellijke veroordeelden, het gewone volk werd doorgaans verhangen.

Bij radicale omwentelingen horen radicale consequenties. Een portret van Robespierre kan niet anders dan de neuzen nog eens pijnlijk drukken op de verhouding tussen goede bedoelingen en averechtse gevolgen. Robespierre was géén buitenbeentje of ongelukkig toeval. ‘Hem begrijpen is de Franse revolutie begrijpen’, schrijft Scurr. Deze man had van jongs af aan het beste voor met de mensen – en meer nog met de mensheid in het algemeen. Robespierre (1758 – 1794) begon als eenvoudig advocaatje in Arras. Hij wist zich dankzij een lokale kruiwagen op te werken tot vertegenwoordiger van de regio Artois toen de Franse koning in 1788 de Staten Generaal bijeenriep in Versailles. De revolutie kondigde zich aan toen de derde stand weigerde met minder genoegen te nemen dan adel of kerk. Ergens tussen de honderden afgevaardigden liep een bleke, onopvallende, bebrilde jongeman, wiens naam in de pers verkeerd gespeld werd, en die in niets leek op een flamboyant redenaar als Mirabeau, met zijn woeste zwarte pruik, resonerende basstem en roemrucht liefdesleven. Robespierre was diens tegenhanger, provinciaals en puriteins – maar zeker geen ideeënloze uitvoerder van andermans bevelen.

Zijn inspiratiebron was de verlichtingsfilosoof Jean-Jacques Rousseau, die met zijn roman Emile naar eigen zeggen ‘slechts een opstel had geschreven over de goedheid van de mens, om te laten zien hoe ondeugden en fouten hem vreemd zijn, maar van buiten komen om onopgemerkt schade aan te richten’.

Robespierre was voorstander van radicale gelijkheid en individuele rechten, en aanvankelijk pleitte hij voor totale persvrijheid en tegen de doodstraf. Maar nog voor de Bastille was gevallen, schreef hij een pamflet met de omineuze titel ‘De vijanden van het volk ontmaskerd’ – die vijanden kwamen van buiten, net als bij Rousseau, en er moest worden ingegrepen om het volk te dienen, ook als het volk daarvan zelf niet gediend was.

In het parlement viel Robespierre op door zijn compromisloze standpunten en de persoonlijke onkreukbaarheid van ‘l’incorruptible’ zoals hij werd genoemd; z’n succes dankte hij mede aan handig manoeuvreren als aanvoerder van de Jacobijnen, de radicale politieke club die meer en meer de dienst uitmaakte. Binnen twee jaar was er van Robespierres ideeën over individuele vrijheid niets meer over, en werden er burgers op zijn gezag ter dood veroordeeld die zich hadden schuldig gemaakt aan ‘het hopen op de komst van het Oostenrijkse en Pruisische leger’, of omdat zij in het openbaar bij wijze van grap ‘een vijg voor de natie’ hadden geroepen.

De Franse revolutie werd een draaikolk waar geen ontsnappen aan was. Buitenlandse legers stonden aan de poort, overal in het land werden priesters vermoord, het broodoproer in Parijs was nog niet afgelopen of de volksopstand dreigde, terwijl de koningsgetrouwe delen van het leger intussen met het nieuwe bewind korte metten dreigden te maken. Steeds drastischer maatregelen waren nodig om de revolutie voort te stuwen, waaronder het besluit dat de koning moest terechtstaan. ‘Louis moet sterven omdat de natie moet leven’, zei Robespierre.

Op 23 januari 1793 werd Louis XVI terechtgesteld op de tegenwoordige Place de la Concorde. Een halfjaar later riep het comité van openbare veiligheid onder aanvoering van Robespierre de Terreur uit als ‘dagorder’. Vier tribunalen werden in het leven geroepen om de terdoodveroordeling uit te spreken over alle verdachten die ‘hetzij door gedrag, door contacten, door woorden of geschrift, hebben laten zien aanhangers van de tirannie of federalisme dan wel vijanden van de vrijheid te zijn.’

De guillotine moest verplaatst worden omdat hij zo vaak werd gebruikt dat het grondwater van Parijs vervuild was geraakt door het bloed. Uiteindelijk kon ook de arrestatie van Robespierre zelf niet uitblijven, en toen een afgevaardigde ‘weg met de tiran!’ had durven roepen, was het gauw gebeurd. Ook de moeder van alle revoluties at haar eigen kinderen op.

Robespierre belandde nooit echt in het vergeetboek, maar het zou niet lang duren of die andere vertegenwoordiger van de Franse voorzienigheid zou op het toneel verschijnen – Napoleon. Anders dan Robespierre geen idealist maar totaal van zichzelf vervuld, hoogstwaarschijnlijk een slechter mens, en zeker verantwoordelijk voor een veelvoud aan slachtoffers. Maar wel met een praalgraf in de Invalides, terwijl er in dat sobere huis in het Noordfranse Arras niet meer te zien is dan zes knopen van Robespierres favoriete jas.

Martin Sommer

Ruth Scurr: Fatal Purity – Robespierre and the French RevolutionMetropolitan Books408 pagina’seuro 28,75ISBN 0 8050 7987 4Metropolitan Books408 pagina’seuro 28,75ISBN 0 8050 7987 4

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden