De zelfhaat van de Nederlandse beroepshistorici

Op 6 december publiceerde het Sociaal en Cultureel Planbureau een rapport over de belangstelling van de Nederlanders voor het verleden: Het bereik van het verleden....

Die belangstelling kan onmogelijk het resultaat zijn van het schamele, ondermaatse onderwijs in de Nederlandse geschiedenis van de afgelopen decennia. En het is ook niet de huidige generatie beroepshistorici die zijn vakkennis enthousiast in de strijd werpt om aan de groeiende behoefte aan inspirerende verhalen over het vaderlands verleden te voorzien. Integendeel, verreweg de meesten van hen willen de vaderlandse geschiedenis tegen elke prijs uit de buurt houden van een zoektocht naar ‘wie wij zijn’, laat staan van eigentijdse nation building.

Dat was vroeger wel anders. De grote vertegenwoordigers van de vooroorlogse generatie historici – Johan Huizinga, Pieter Geyl en het echtpaar Jan en Annie Romein – zagen er helemaal geen probleem in om hun tienduizenden lezers glashelder uit de doeken te doen wat de historische bronnen waren van de nationale identiteit. In hun bestsellers Erflaters van onze beschaving en De lage landen bij de zee bezongen de communistische Romeins even enthousiast het eigen, historisch karakter van de Nederlandse natie als de sociaal-democraat Pieter Geyl in zijn Geschiedenis van de Nederlandse stam en de conservatief-liberaal Johan Huizinga in Nederland’s beschaving in de zeventiende eeuw en Nederland’s geestesmerk.

Het is ook onder buitenlandse historici wel anders. Britse kanonnen als Simon Schama en Jonathan Israel leerden zichzelf Nederlands om jarenlang de archieven te kunnen raadplegen voor een reeks van meesterwerken over de – in hun ogen – ongeëvenaarde rijkdom van de Nederlandse geschiedenis. Zij stellen voor het Nederlandse verleden op te vatten als een geslaagd Verlichtingsproject, dat tot inspiratie kan dienen in het huidige debat over samenleving, politiek en religie. Israel noemt Spinoza (1632-1677) ‘de eerste grote filosoof in de geschiedenis die systematisch de voordelen van democratie, individuele vrijheid en gelijkheid bepleitte’. En de Nederlandse patriottenbeweging van een eeuw later wordt door Israel gezien als niets minder dan ‘de eerste democratische verlichtingsbeweging in Europa’.

Professor Remieg Aerts spreekt daarentegen laatdunkend over ‘het dienen van de mode van de dag’, dat volgens hem absoluut niet ‘de academische taak’ is van hem en zijn vakgenoten (Forum, 3 januari, in reactie op Vaderlands gevoel geeft richting, van Willem Velema en mij, Het Betoog, 22 december). ‘Zoals het hoort, onderzoeken historici het verleden kritisch en analytisch, juist om een lichtzinnig misbruik ervan te ontkrachten.’

Als het om de actuele politieke relevantie, de beroemde lessen van de geschiedenis gaat, is het repertoire van de beroepshistorici inderdaad buitengewoon beperkt. Het omvat doorgaans maar één nummer: de Tweede Wereldoorlog. En de belangrijkste les van die verpletterende historische ervaring blijft, dat het 19de-eeuwse nationalisme de diepere oorzaak is van de rampen van de twintigste eeuw. Precies zo bevestigt professor Ido de Haan (Forum, 3 januari) onze stelling over de houding van beroepshistorici: belangstelling voor het vaderlands verleden = nationalisme; nationalisme = fout; ergo: vaderlandse geschiedenis = fout.

De implicatie van dit wereldbeeld, afkomstig uit de naoorlogse jaren, is duidelijk: Nederland kan maar beter vlijtig mee helpen bouwen aan een wereld waarin de natiestaat geleidelijk aan belang inboet en zijn soevereine rechten uiteindelijk afstaat aan supranationale, onzelfzuchtige instituties als de Europese Unie en de Verenigde Naties. Dit perspectief van ‘deelstaat Nederland’ in een federaal Europa bleek bij het referendum op 1 juni 2005 niet meer dan een ijdele illusie van een kosmopolitische elite.

De verdachtmaking van De Haan, dat Velema en ik ons ‘vergrijpen’ aan de geschiedenis en – gedreven door blind nationalisme – ons ‘niet bekommeren om een integere omgang met het verleden’, mist elke grond. Wij zijn beslist geen propagandisten van het nationalisme, en al evenmin blind voor de gevaarlijke kanten ervan. Maar we zien daarnaast een positieve, civiele variant, die uitgerekend in de Nederlandse geschiedenis diep is geworteld (zie ons artikel in Opinio van deze week). Het zijn juist de multiculturalisten die selectief shoppen in de Nederlandse geschiedenis.

Zo maken De Haan en Aerts weer een enorm nummer van de verzuiling, die zo overheersend zou zijn geweest, dat er eigenlijk helemaal geen gedeeld natiebesef zou hebben bestaan. Deze verabsolutering van levensbeschouwelijke scheidslijnen en ook van regionale verschillen is zeer aanvechtbaar. Zo was het pronkstuk van de verzuiling, het bijzonder onderwijs, in werkelijkheid een bijna exacte kopie van het openbare onderwijs.

Natuurlijk heeft de opleving van enthousiasme voor de vaderlandse geschiedenis te maken met bezorgdheid over het verlies van nationale soevereiniteit door mondialisering, massale immigratie en verdere Europese integratie. Kortom: met het gevoel dat de Nederlandse beschaving op het spel staat. Maar dat maakt die belangstelling niet minder legitiem. Toch kiezen de beroepshistorici ironisch genoeg partij tegen degenen die meer waardering vragen voor de vaderlandse geschiedenis. Een merkwaardig staaltje van zelfhaat.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden