De zee in je klieren

Het is opmerkelijk dat vertaler August Willemsen in zijn nawoord van Morgen is weer geen andere dag, een bij Wagner en Van Santen verschenen, tweetalige bloemlezing uit het oeuvre van Gullar, geen woord wijdt aan de prijs en evenmin aan Gullars televisiewerk. Ook vermeldt Willemsen niet dat Gullar in 1998 nog op Poetry International heeft opgetreden. Hij memoreert alleen een gedenkwaardig optreden van elf jaar geleden in Rotterdam.

Het zijn kleine details die doen vermoeden dat dit nawoord al lang geleden is geschreven en dat Willemsen niet meer de moeite heeft genomen om het te actualiseren. Maar goed, hoe belangrijk is een nawoord na ruim tweehonderd pagina's opmerkelijke poëzie? En daarvoor kunnen we August Willemsen alleen maar dankbaar zijn, want ook deze keer maakt hij het werk van een scherpzinnig dichter voor Nederland toegankelijk.

Neem een gedicht als 'Vreugde' uit de bundel In de duizeling van de dag, in 1980 verschenen en algemeen beschouwd als een hoogtepunt in Gullars poëtische oeuvre. Gullar analyseert hier de begrippen 'leed' en 'pijn' en komt tot de volgende, onthutsende conclusie: 'Pijn/ maakt je gelijk aan ratten en aan kakkerlakken/ die, ook zij, uit hun riolen/ knipperogend kijken of de zon komt/ en die in hun walgelijke lijfjes/ tussen excrementen/ niet al te ongelukkig willen zijn.'

Het is een genadeloos gedicht, zeker gezien de sarcastische titel. Gullar gaat nog verder als hij in 'De stem van de dichter' ook zichzelf onder schot neemt: 'Het is geen vogelstem/ herdersfluit/ viola// Geen stem van een gitaar/ klarinet of pianola.' Om even later tot de volgende, trieste slotsom te komen: 'het is een mensenstem - gedicht:/ vuur valsheid van een kluizenaar.'

Ferreira Gullar werd als José Ribamar Ferreira geboren op São Luís, een eilandje voor de noordkust van Brazilië. Toen hij twintig was, verhuisde hij naar Rio de Janeiro, maar zijn geboortestreek bleef een belangrijk thema voor zijn poëzie. Een verklaring hiervoor gaf hij in 'Een licht vanuit de grond', een klein autobiografisch essay: 'Er bestaat geen universele poëtica: universeel is de poëzie, het leven zelf. Universeel is de achtertuin van ons huis in São Luís, vol planten, een explosie van groen in het licht van Maranhão, ver van Parijs, Londen en Moskou. Universeel is Bizuza omdat ze, peper malend in een keuken, deel uitmaakt van de Melkweg.'

Het universele in het allerkleinste, het is een principe dat je bij veel dichters tegenkomt, maar de vraag is natuurlijk hoe het onder woorden wordt gebracht. De kracht van Gullar ligt in het feit dat hij het allerkleinste niet als een afgeleide van het universele beschouwt, maar eerder andersom. In plaats van de zintuiglijke wereld tot een spiegel voor gedachten en emoties te reduceren, beschouwt Gullar de wereld om hem heen als de bron waaraan ook hij zijn leven te danken heeft.

De hieruit voortvloeiende levenslust maakt dat observaties van concrete zaken als een late namiddagzon, kraaiende hanen en rottende peren al vanaf zijn eerste bundels een grote rol spelen. Zij zijn immers, meer nog dan de overbewuste mens die voortdurend op zoek is naar het leven, het leven zelf. Zo schrijft Gullar in 'Het werk der wolken' over een schaal met vruchten: 'Hun groei verandert/ de waarheid en de kleur/ der hemelen.' En even verder in hetzelfde gedicht: 'Middag, dat is/ bladeren die wachten te vergelen/ en wij die daarnaar kijken.'

Vanaf de tweede helft van de jaren zestig worden de gedichten anekdotischer en klinkt er opeens een cynischer toon. Begrijpelijk, want in 1964 heerste er in Brazilië een dictatuur, en vier jaar later werd Gullar samen met vele artiesten gearresteerd. Zes jaar lang leefde hij in ballingschap, en in een gedicht gewijd aan de dictatuur, 'Augustus 1964', schreef hij: 'De poëzie is tegenwoordig voorwerp van politioneel-militair onderzoek.'

Het gevolg was dat Gullar ook aan zijn eigen poëzie een politieke draai gaf. Vogels en vruchten moesten plaatsmaken voor maatschappelijke misstanden: 'Ik wil geen poëzie, het vervolmaakte/ vers: ik wil/ de ochtend terug die vuilnis werd.' Tegelijkertijd experimenteerde hij met de vorm en schreef hij steeds meer over het schrijven van poëzie. Het maakte dat veel gedichten uit deze periode een nogal willekeurig uiterlijk hebben, terwijl ze inhoudelijk tamelijk expliciet zijn.

Eind jaren zeventig keert Gullar echter op zijn schreden terug. Hij gaat weer over zijn eigen wereld schrijven, en vanaf dat moment weet hij opnieuw te overtuigen. De toon blijft hard, maar persoonlijk en de poëzie hoeft niet langer in dienst te staan van een of andere strijd. Gullar blijkt nog altijd de kunst te verstaan om zwaar beladen woorden als pijn, liefde en dood geloofwaardig te houden door ze in verband te brengen met datgene wat hij ziet, hoort of ruikt, ook al is het in zijn herinnering.

In zijn laatst verschenen bundel zoekt Gullar het universele niet meer zozeer in het alledaagse, als wel in de voortdurende aanwezigheid van stemmen. Zijn voorlaatste bundel uit 1999 heeft hij er zelfs naar vernoemd: Vele stemmen. In het titelgedicht klinken ze door, en Gullar geeft een lange reeks fraaie voorbeelden van wat ze met hun woorden kunnen losmaken: 'wanneer je blauw zou zeggen,/ kan de Aegaeïsche Zee wellicht/ tekeergaan/ in je klieren.'

Ferreira Gullar: Morgen is weer geen andere dag.
Vertaald uit het Portugees door August Willemsen.
Wagner en Van Santen; 220 pagina's; euro 27,50.
ISBN 90 76569 28 2.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden