'De xenofobie keert terug in de wereld van de beeldende kunst'

Over:..

Het gebouw zei toch eigenlijk al genoeg, opperde de Nigeriaans-Amerikaanse kunstcriticus en curator Okwui Enwezor en hij wees om zich heen naar de prachtige, koloniale zaal in het Koninklijk Instituut voor de Tropen in Amsterdam. Het imposante gebouw was bedoeld om de grandeur van het koloniale rijk te verbeelden. Daarom is het op zichzelf een goed object voor het bijbehorende Tropenmuseum: zo’n etnografisch museum moet gaan over het ontstaan van het etnografisch denken in Nederland en de rol die het nu nog speelt, soms duidelijk, vaak onderhuids.

Enwezor was door het Tropenmuseum uitgenodigd zijn visie te komen geven op de nieuwe inrichting van de zalen. In een interview in het Betoog (6 december) zei hij al dat etnografische musea alleen zin zouden kunnen hebben als ze tot diepe zelfreflectie in de voormalige koloniale moederlanden zouden leiden.

Ook in Amsterdam toonde hij zijn afkeer van de ‘achterhaalde’ manier van kijken naar ‘de anderen’, die interessante vreemde volken met hun eigenaardige gebruiken en fascinerende primitieve kunstvoorwerpen. De Afrika-afdeling is tegenwoordig heel levendig en afwisselend. Maar Enwezor zei dat hij er niets van zijn eigen Afrika had herkend.

Ook de Indiase geleerde Jyotindra Jain van de Nehru-universiteit van New Delhi zei dat hij zich als een vreemde had gevoeld, in zijn geval in de India-afdeling. Hij vond het wel iets aantrekkelijks hebben om Bollywoodfilms te gebruiken voor het museale ‘verhaal’, maar raakt dat nou werkelijk de kern van India in heden en verleden? Hij vond het een beetje met de haren erbij gesleept, als ‘een leuke gedachte achteraf’, iets dat het publiek aanspreekt.

Enwezor stelde de vraag scherp: ‘Is een etnografisch museum in staat ook maar íéts over te brengen van kennis over de culturen die in de vitrine staan?’ Hij had zo zijn twijfels. ‘Plaats en tijd lopen te ver uiteen.’ Wat hebben al die plekken ver weg van doen met Nederland? Wat zeggen historische kunstwerken en hedendaagse nagebouwde winkeltjes uit de Derde Wereld over elkaar?

Die ‘tijdsprongen’ scheppen wel een weldadige spanning, vond hij, maar in wezen zegt een etnografisch museum bitter weinig over het heden. Alleen in de historische context krijgt een tentoonstelling reliëf. Daarom beviel die over het Nederlandse koloniale verleden in Indonesië hem het best.

Jain was dat met hem eens. En ook Henrietta Lidchi, chef van de afdeling ‘wereldculturen’ in het Schotse nationale museum en voorheen werkzaam bij het vermaarde British Museum, vond de afdeling over Indonesië het succesvolst. Dat kwam volgens haar ook doordat het publiek in Europa zich persoonlijk betrokken weet via de koloniale geschiedenis. Dat roept verwarrende emoties op en is daarom interessanter dan gewoon belangstelling voor vreemde cultuuruitingen.

Het Tropenmuseum had zich nu juist ontworsteld aan de traditionele manier van etnografische tentoonstellingen maken, dat beseften de kritische gasten ook wel en ze prezen het museum daar ook om. Jain waardeerde de breuk met de koloniale fascinatie voor ‘authenticiteit’: zoals primitieve volken nu eenmaal zijn en blijven, statisch. Het museum doet dat vooral door uitingen van moderne en populaire cultuur toe te voegen, stelde hij vast, maar waar is het verband? Hij vertelde over de enorme veranderingen in de religieuze hindoe-kunst, als gevolg van ‘de massaproductie van hindoe-afbeeldingen’. Vroeger was die kunst aan specialisten voorbehouden, nu produceren duizenden kunstenaars vaak uniforme afbeeldingen, affiches, en prenten met behulp van de moderne media en beïnvloed door mondiale massacultuur.

Mondialisering van plaatselijke culturen was het thema van de Globaliseringslezing met Okwui Enwezor, een dag later in Felix Meritis in Amsterdam. Ook weer een veelzeggend gebouw, dankzij zijn geschiedenis, merkte Enwezor op. Hem was net verteld dat het ooit was opgericht als tempel van het Verlichtingsdenken en dat het gebouw in 1956 door anticommunistische demonstranten was bekogeld omdat de CPN erin huisde (het was het jaar van de Hongaarse opstand). Enwezor greep de gelegenheid aan om te waarschuwen voor ‘een terugkeer in de kunstwereld van de xenofobie’.

In de jaren negentig, na de val van het communisme in Oost-Europa en de ongebreidelde globalisering hadden jonge kunstenaars en curatoren uit de niet-westerse wereld (‘al heb ik een hekel aan die term, een negatieve omschrijving’) hun kans gegrepen. Zoals hijzelf bij uitstek. Hun visie drong door tot de grote tentoonstellingen en biënnales van de voorheen westerse kunstelite. Maar aan die sfeer van optimisme, lijkt een eind gekomen door de aanslagen van 11 september 2001. ‘Al die kritische kunstenaars verdwijnen van de podia.’

Is het zo erg? Janwillem Schrofer, directeur van de Rijksacademie van Beelden Kunsten in Amsterdam, toonde filmpjes over de ateliers van zijn studenten – een internationaler en diverser gezelschap kun je je eigenlijk niet voorstellen. Kitty Zijlmans van de Leidse universiteit bracht onlangs een dikke bundel uit over World Art Studies: geen studies over ‘wereldkunst’, zei ze, want dat vond ze zo’n betuttelende westerse hobby, maar de bloeiende kunststudies uit de hele wereld.

Schrijver Fouad Laroui wees erop dat in de literatuur de ‘postkoloniale’ (in de woorden van Enwezor) stem al lang prominent aanwezig is, waarom loopt beeldende kunst achter? Is het onderscheid nog wel zinvol, vroeg hij verder. Enwezor heeft het in zijn boek bij de tentoonstelling Snap Judgments bijvoorbeeld over de fotografe Yto Barrada. Die is opgegroeid in Frankrijk – dus wat maakt haar nog tot Marokkaanse kunstenares?

Zoeken naar identiteit moet niet de leidraad zijn voor curatoren, antwoordde Enwezor. Verandering en verwarring door migratie is veel interessanter. Hij toonde als voorbeeld het Britse paviljoen op de Biënnale van Venetië (2002), ingericht door Chris Ofili, kunstenaar uit Manchester met Nigeriaanse ouders. Voor het gebouw (trappen, pilaren) had hij de Britse Union Jack laten wapperen, maar nu in de Afrikaanse kleuren rood, zwart en groen. Dat is de weg.

Allemaal goed en wel, maar de toetssteen is toch: zouden de etnografische musea búíten Europa het fundamenteel anders, en beter aanpakken?

Neem het museum voor Aziatische culturen in Singapore. Onlangs gerenoveerd, heringericht, gemoderniseerd met alles erop en eraan. Er valt eindeloos veel schitterends te zien en veel te leren. Er zijn speciale, speelse ruimten voor kinderen, met leuke zitjes, geïnspireerd door de cultuur in de bijbehorende museumhoek, leerzame spelletjes, leuke muziek en informatieve computerprogrammaatjes. Eigenlijk doet het heel erg denken aan het Tropenmuseum in Amsterdam, al gaat het dan ‘alleen’ over de vele Aziatische culturen. Zelfs het gebouw: een voormalig paleis van het Britse koloniale bestuur.

Wim Bossema

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden