Beschouwing Entfesselte natur: vulkaanschilders

De wereld vergaat, snel, pak je schildersezel!

Vulkaanuitbarstingen, scheepsrampen, branden; catastrofekunst is de voorloper van de rampenfilm. De Hamburger Kunsthalle wijdt er een tentoonstelling aan.

Pierre-Henri de Valenciennes, De uitbarsting van de Vesuvius en de dood van Plinius de Oudere (1813). Foto Musée des Augustins, Toulouse

Het was een vreemde wolk die Plinius de Oudere opmerkte in Misenum, aan de Westkant van de Baai van Napels, op die noodlottige nazomerdag in het jaar 79. Met zijn pijnboomachtige vorm en nu eens witte, dan weer gele kleur leek hij op geen andere wolk die de geleerde ooit had gezien. De wolk kwam uit de richting van de Vesuvius, en omdat Plinius een man van de wetenschap was, en nieuwsgierig bovendien, besloot hij op inspectie uit te gaan. Hij vroeg om sandalen, liet een boot gereedmaken en nodigde zijn neefje, Plinius de Jongere, uit om mee te gaan.

Geen tijd, antwoordde de jongen. Hij moest studeren.

Dan ging hij alleen, zei Plinius de Oudere.

Zou hij dat wel doen? vroeg Plinius junior. Hij keek naar de lucht. Die oogde donker, dreigend.

De oom haalde z’n schouders op. Het geluk, zei hij, was voor hen die durfden.

Dat was te optimistisch gedacht. Varend door een dichte asregen liep Plinius’ boot  vast en hij zag zich genoodzaakt de wijk te nemen naar een vriend in het nabijgelegen Stabiae. Bad, brood, bed, spoedberaad – zou men vluchten of wachten totdat de vulkaan was uitgebruld? Te laat. Giftige zwaveldampen waren reeds Plinius de Ouderes luchtpijp binnengedrongen, een gevoelige luchtpijp, smal en snel ontstoken, en enkele amechtige uren later was hij dood. Twee dagen later, toen de vulkaan was uitgespuwd, maar de lucht nog altijd troebel was ‘als bij een zonsverduistering’, vond men zijn ongeschonden lijk. Zijn lichaam, zo berichtte neefje Plinius de Jongere later aan zijn vriend, de Romeinse geschiedschrijver Tacitus, leek meer op ‘iemand die rustte dan op dat van een dode’.

De 18de-eeuwse Franse kunstenaar Pierre-Henri de Valenciennes schilderde het moment dat daarvoor plaatshad: dat waarop de oude Plinius zijn laatste adem uitblaast. Hij is reeds ineengezakt. Zijn bovenlijf zou tegen de grond klappen, ware het niet dat het wordt gestut door twee slaafjes. Rond hem is de hel losgebarsten. Een zuilenrij gaat door haar hielen; de Golf van Napels kookt; verderop, onder zwarte wolken en een rode lichtzuil, spuwt de Vesuvius vuur. Zaten we in de bioscoop, dan was dit het moment waarop we onze nagels in de stoelleuning zouden planten. Het is een overweldigend beeld, ondanks het bescheiden formaat.

Jan Asselijn, Doorbraak van de Sint-Anthonisdijk (1651). Foto Rijksmuseum Amsterdam

Het schilderij van De Valenciennes hangt op Entfesselte Natur, een ambitieuze expositie in de Hamburger Kunsthalle met schilderijen, etsen, fotografie en videokunst over (natuur)rampen, gemaakt tussen 1600 en nu. Het is een staalkaart van wat de natuur aan nukken in petto heeft: overstromingen, aardbevingen, branden, stormen, vulkaanuitbarstingen, schipbreuken; plus mythische catastrofes zoals de zondvloed en de verwoesting van Sodom. Het is een historische expositie – geen activistische. De huidige ecologische kwesties komen slechts mondjesmaat aan bod. Men toont wel kunst van actuele rampen, zoals een video van New Orleans na orkaan Katrina en foto’s van gehavende infrastructuur in door aardbevingen geteisterd Japan, maar dat zijn duidelijk bijgerechten; de hoofdmoot hier is geschiedkundig. De presentatie telt exact tweehonderd stukken, wat te veel is om te behappen; een selectie als het aanbod op een gemiddelde avond in de Pathé-bioscoop. Veel vermakelijks, nu en dan iets richtig geils. Jan Asselijns Doorbraak van de Sint-Anthonisdijk (1651) uit het Rijksmuseum is buitencategorie, net als Caspar David Friedrichs Das Eismeer (1823/24). De rest is prima, in orde, oké.

Stormvloed in Amsterdam

Op 4 en 5 maart van het jaar 1651 had Amsterdam te kampen met een stormvloed. De Sint Antoniesdijk (de huidige Sint Antoniebreestraat) brak door en een deel van de stad kwam onder water te staan. Door de Nieuwendijk liep een kleine stroom. Rembrandt, zo stel ik me voor, kreeg natte voeten. De doorboorde dijk trok veel bekijks. Onder de nieuwsgierigen bevond zich de schilder Jan Asselijn, bijgenaamd Krabbetje (vanwege zijn kreupele rechterhand), die later twee schilderijen maakte van het tafereel; een waar water nog door de breuk stroomt en een waar de polder al is volgelopen. Met name die eerste, uit het Rijksmuseum, is van ongeëvenaarde kwaliteit.

Het zal iets te maken hebben met het beperkte prestige dat catastrofekunst door de eeuwen heen genoot. De erkende heren onder de kunstenaars haalden er meestentijds hun neus voor op. Derhalve groeide het fenomeen uit tot het speelveld van kundige amateurs en handige specialisten zoals de Hollander Egbert van der Poel (nachtelijke branden) en Pierre-Jacques Volaire (vulkaanuitbarstingen). Hun voorstellingen waren repetitief, productiewerk eigenlijk, maar bereikten wel een hoge graad van perfectie. Erop neerkijken is nergens voor nodig.

De aantrekkingskracht van zulke taferelen schuilt in wat de Duitsers fraai Lust im Grauen noemen. Er zit een diabolisch genoegen in kijken naar dingen die naar de ratsmodee gaan, een plezier dat men kent van rampenfilms als The Day after Tomorrow of Titanic (maar zelden van beeld van echte rampen, zoals de bosbranden in Californië). De Brooklyn Bridge die omvouwt als een paperclip; een driemaster die kapseist als een walvis: ze zijn een hogere vorm van ramptoerisme.

Zo ook de meest esthetische der catastrofekunst, de geschilderde vulkaanuitbarsting.

Caspar David Friedrich, Das Eismeer (1823/24). Foto Hamburger Kunsthalle

Vulkaan, ja. Niet: vulkanen. De afgebeelde vuurspuwer is namelijk altijd dezelfde: de Vesuvius. Vergeet de Etna, de Santorini, de Tambora en, u was hem alweer vergeten, de Eyjafjallajökull; voor 18de-eeuwse schilders was de berg in Campanië (bij Napels) de te bezoeken bestemming. Ook voor niet-kunstenaars trouwens. Mede door de herontdekking van Pompeï en de opgravingen aldaar mocht de vulkaan zich verheugen op de aandacht van archeologen en vulkanologen, de Engelse diplomaat en onderzoeker William Hamilton de meest prominente. Hij was een van de eersten die empirisch onderzoek deed naar de werking van vulkanen (in vroeger tijden meende men dat erupties werden veroorzaakt door kwaadaardige gassen uit hellegaten) en liet zijn observaties van de Vesuvius weergeven in schematische tekeningen in waterverf. Een tocht naar de krater vormde ook een vast onderdeel van de grand tours die jonge aristocraten indertijd begonnen te maken; welgestelde heren die bij wijze van souvenir graag een schilderij van de Vesuvius mee naar huis namen. Voor landschapsschilders lag daar een lucratieve markt.

Men begrijpt direct waarom die schilders zich tot vulkanen aangetrokken voelden. Het zit hem onder meer in iets tamelijk basaals: het kleurcontrast. Weinig tegenstellingen hebben zo’n aanzuigende werking op het oog als die tussen het geel, oranje en rood van de uitbarsting en het grijs, zwart en blauw van de as en rook. Zo’n tafereel vastleggen was trouwens nog knap lastig. Daar erupties zeldzaam waren en fotografisch materiaal ontbrak, moesten schilders het doen met tekeningen als die van Hamilton en hun fantasie. Welk effect creëert de reflectie van kratervuur op een bergwand? zullen ze zich hebben afgevraagd. Hoe schilder ik de gloed ervan op een rookpluim? En ook: hoe stroomt lava? Hoe dik is het? Glimt dat spul eigenlijk? Het slechte nieuws voor hen: ze wisten nooit wanneer hun werk waarheidsgetrouw was. Het goede nieuws: hun publiek wist dat ook niet.

Hun werk, zo ziet men in Hamburg, kan niet over één kam worden geschoren. Sommigen, zoals de Duitse schilder Jakob Hackert, hielden het bij tamme, waarheidsgetrouwe weergaven; anderen, zoals voornoemde Pierre-Jacques Volaire zetten vol in op special effects. Uiteraard werd er tussen de kampen over en weer flink gemopperd. Of nee, eigenlijk mopperden vooral de Pietje Preciezen op de theatermakers. Met name de vlijtig doorkwastende, in schema’s werkende Volaire moest het ontgelden. ‘Fabriekswerk’, oordeelde een tijdgenoot zuinigjes. En: ‘Niet één van zijn schilderijen bezit het karakter en de grootheid en waarheid die de […] vuurspuwende berg verdiend heeft.’

Joseph Wright of Derby (1734-97), de Engelsman die nimmer een vulkaan schilderde voor hij naar Italië afreisde en er toen ook maar direct een stuk of dertig maakte, kreeg wél erkenning van tijdgenoten – geheel verdiend. Zijn Vesuvius-uitbarsting (1780/90) is een van de spectaculairdere uitbarstingen in de expositie, en dan met name de rechterzijde ervan, waar het silhouet van een ruitertje afsteekt tegen een gloeiende poel lava. Het is too hot to handle, dat gloedvolle stukje oranje schilderij. De verf lijkt te gloeien. Het fragment maakt de sensatie van zware, haast verstikkende hitte tastbaar. Je kunt je handen eraan warmen.

John Martin, De verwoesting van Herculaneum en Pompeï (1822-26). Foto Imageselect

Een geologisch spektakel was één hoedanigheid waarin de Vesuvius figureerde. Een bron van dreiging een andere. Met name in de 19de eeuw werd de roemruchte uitbarsting van 79, en de daaropvolgende verwoesting van de omliggende steden, een geliefd onderwerp voor historische, met veel oog voor detail uitgevoerde vertellingen. De Vesuvius diende nu als katalysator voor mensen op drift, panikerend, rennend voor lijfsbehoud; de ellende die we dezer dagen zien op foto’s uit Californië en Lombok. De wereld vergaat, snel, pak je schildersezel!

Een frappant geval in dat genre is John Martins De verwoesting van Herculaneum en Pompeï (1822-26). De Engelsman, die weergaven van rampen tot zijn specialiteit had gemaakt, zag de Vesuvius noch een andere vulkaan met eigen ogen en dus baseerde hij zijn onheilstijding op informatie uit de tweede hand. Het is een ambitieus curiosum, macaber en vol effectbejag, maar op een afstandelijke manier indrukwekkend. De sfeer doet denken aan de scifi-verhalen van H.P. Lovecraft. Het werk portretteert de Vesuvius als een reusachtige demon, opstijgend uit de diepten, een redeloze kracht die de mensen wegveegt als broodkruimels van de ontbijttafel. Zo’n afstandelijk perspectief, als was de schilder zelf ook een natuurkracht, zien we in Hamburg voortdurend. Of het nu gaat om een schipbreuk of een stadsbrand – steeds wordt de mensheid voorgesteld als een massa nerveuze poppetjes, overgeleverd aan niet te beteugelen krachten. Ze herinneren je aan een hoop vliegende mieren, vlak voordat je je tuinslang erop zet. Wij mogen ons heel wat vinden, zegt deze kunst, maar de aarde rekt zich één keer uit, en we zijn weg.

Joseph Wright of Derby, Uitbarsting van de Vesuvius (1790). Foto Hamburger Kunsthalle

Soms is het perspectief menselijker. Op Oskar Begas’ De Ondergang van Pompeï (1852) bijvoorbeeld, dat een vluchtend modelgezinnetje toont: vader, moeder, zoon, baby, huisslaaf. Wij kennen dit gezinnetje. We hebben het tig keer gezien in allerhande rampenfilms, rennend voor orkanen, vulkanen en uitgehongerde hordes zombies, zij het minus de slaaf en met Liam Neeson of Viggo Mortensen in de vaderrol. Nu rent men weg voor de Vesuvius. De vulkaan dient als excuus om getergde blikken en geagiteerde bewegingen (‘doorlopen jongen!’) te mogen verbeelden. De eeuwige ramp teruggebracht tot invoelbaar gezinsdrama.

De voorstelling kende overigens een interessante levensloop. Het maakte deel uit van een Berlijnse kunstcollectie en doorstond de geallieerde bombardementen tijdens de Tweede Wereldoorlog, zij het niet zonder kleerscheuren. Het doekje is daardoor overdekt met kleine plakkertjes als verband op het lijf van een brandwondenpatiënt. Welbeschouwd toont het niet alleen een ramp. Het belichaamt er ook één.

Entfesselte Natur: das bild der katastrophe seit 1600, Hamburger Kunsthalle, t/m: 14 oktober

Eugène Isabey, De schipbreuk van de driemaster Emily in het jaar 1823, (1865) olie op doek, 200 x 345 cm, Musée d’Arts de Nantes. Foto RMN - Grand Palais / Gérard Blot

Meer ontketende natuur

Eugène Isabey, De schipbreuk van de driemaster Emily in het jaar 1823, olie op doek, 200 X 345 cm, Musée d’Arts de Nantes

Het schipbreukschilderij der schipbreukschilderijen, Géricaults Het vlot van de Medusa ontbreekt in Hamburg (wel is er een zaal met hommages en variaties erop), maar Isabeys doek doet qua dramatiek niet voor dat werk onder. Het toont hoe de bemanning van de driemaster temidden van opspattend water het vege lijf probeert te redden. Sommigen zijn al te water geraakt. Een enkeling bungelt aan een noodlijn. Die gaat het niet redden. Die is voer voor de haaien.

Olphaert den Otter lucht - water 28/10/2011 (uit de serie World Stress Painting ), eitempera op papier, 18 x 26 cm Foto Collectie M.E. Rijnveld, Rotterdam

Allerhande catastrofes

Olphaert den Otter lucht - water 28/10/2011 (uit de serie World Stress Painting ), eitempera op papier, 18 x 26 cm

Bijna dagelijks krijgen we nieuwe beelden van rampen onder ogen; via krant, televisie, internet, waar niet? Zulke beelden vormen de basis van Olphaert den Otters World Stress Paintings; een reeks schilderijen van catastrofes op identiek formaat: een bosbrand, een overstroming, een bomkrater, allen desolaat, allen zonder mensen. Het zijn krachtige beelden, kaal en strak. Ze tonen niet één specifieke ramp, maar de beeldtaal van rampen; de inwisselbaarheid van die beelden, de routine waarmee ze elkaar opvolgen. Lekker geschilderd zijn ze ook. 

Meer over

Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.