De weigering volwassen te worden

HET FRANSE weekblad L'Express kondigde in 1965 'het einde van de jeunesse dorée' aan. De aristocratische student, met zijn respect voor tradities en rituelen, was folklore geworden....

Heel erg folko in de ogen van de in naargeestige buitenwijken ondergebrachte jonge studenten waren, aldus L'Express, 'politieke partijen, historische plekken, het Franse onderwijs, de helden van de Résistance, Dreyfus, Zola, Hitler, Blum, romans, het leger en de boulevard St. Michel'. Maar het meest folko waren de bewakers die moesten voorkomen dat de jongensstudenten in de meisjesslaapkamers zouden klimmen. De belangrijkste eis van de Franse studentenbeweging in de jaren zestig was dan ook: toegang tot de meisjeskamers.

Op 8 januari 1968 opende de minister van Jeugdzaken Missoffe een zwembad op de campus van Nanterre, een voorstad van Parijs. Daniel Cohn-Bendit, een roodharige agitator, wist een klein groepje studenten op de been te brengen. Hij verweet de minister geen enkele aandacht voor de seksuele problemen van de studenten te hebben. Missoffe antwoorde snaaks: 'Met uw uiterlijk is het geen wonder dat u een probleem heeft. Maar om af te koelen kunt u altijd een duik in het zwembad nemen.' Cohn-Bendit had minder gevoel voor humor. Hij beet Missoffe toe dat die zich gedroeg als een lid van de Hitler Jugend.

Op 22 maart had Cohn-Bendit meer succes. Op Nanterre werd een student gearresteerd wegens deelname aan gewelddadige acties tegen de Amerikaanse oorlog in Vietnam. Cohn-Bendit mobiliseerde een groot aantal studenten en riep op tot een teach-in over het boze Amerikaanse imperialisme. Om dit te voorkomen sloot de decaan van Nanterre de campus van 28 maart tot 1 april. Net in die tijd raakte de Duitse studentenleider Rudi Dutschke levensgevaarlijk gewond bij een aanslag. De spanning in Parijs steeg, zeker toen de politie haar jacht op Vietnam-activisten onder de studenten voortzette en extreem-rechtse groepen de kantoren van de studentenorganisaties aanvielen. Nanterre werd opnieuw gesloten, met ingang van 3 mei.

Toch vertrok de Franse premier Pompidou op 2 mei voor een negendaagse reis naar Iran. Een dag later vond een bezetting plaats van de Sorbonne, in het centrum van het Parijse Quartier Latin, gericht tegen de sluiting van Nanterre en de arrestatie van Vietnam-activisten. De politie bood de demonstranten de mogelijkheid het universiteitsgebouw vreedzaam te verlaten, maar pleegde verraad. Toen de studenten naar buiten kwamen, werden ze bij elkaar gedreven en in politiebusjes afgevoerd. De demonstranten die wisten te ontkomen, rukten onmiddellijk stenen uit de straat en begonnen de politie te bekogelen en barricades op te werpen. De politie antwoordde met knuppels en traangas. Aan het eind van de dag bleken tachtig agenten en enkele honderden studenten en burgers gewond. Er werden 590 mensen gearresteerd.

De confrontaties tussen de meedogenloze politie en de snel radicaliserende studenten en jonge arbeiders werden de dagen daarop steeds grimmiger. Overal werden barricades opgericht, auto's in brand gestoken en met molotov-coctails gesmeten. De sympathie van het publiek lag duidelijk bij de actievoerders. Op 13 mei werd zelfs een algemene staking gehouden, waaraan eenderde van alle Franse fabrieksarbeiders deelnam.

Maar terwijl de studentenleiders begonnen te dromen van een revolutie die het rechtse regime van De Gaulle omver zou werpen, hield de inmiddels uit Iran teruggekomen premier Pompidou het hoofd koel. Door de arbeiders meer loon te beloven en ook de studenten tegemoet te komen, isoleerde hij de radicale leiders. Bovendien wist hij De Gaulle te bewegen verkiezingen voor het parlement uit te schrijven.

Vijfduizend ouders van eindexamenstudenten eisten dat de examens ongestoord moesten doorgaan. Op 30 mei vond in Parijs een demonstratie van rechts plaats met vierhonderdduizend deelnemers. Op 14 juni ontruimde de politie de Sorbonne. In de tweede ronde van de verkiezingen op 30 juni behaalden De Gaulle en zijn aanhangers 358 van de 485 zetels in de Assemblée.

De Britse sociaal-historicus Arthur Marwick is op zijn best als verslaggever van de talloze acties die in 'de lange jaren zestig', van 1958 tot 1974, plaatsvonden. Minutieus beschrijft hij de paniek die zich van de gezeten burgerij van Memphis meester maakte, toen in 1958 acht zwarte studenten hun recht op toelating tot de universiteit (met 4800 blanke studenten) in de praktijk brachten. De plaatselijke krant probeerde de blanke burgerij te kalmeren met de geruststellende mededeling dat de zwarte studenten zich niet in de eetzaal zouden vertonen, niet mee zouden doen met gymnastiek, gebruik zouden maken van de toiletten in het kantoor van de dekaan en onmiddellijk na de colleges de campus zouden verlaten. De politie van Memphis was niettemin massaal op de been om ongeregeldheden te voorkomen.

Marwick analyseert in extenso de notulen van de burgerrechtenbeweging in Amerika, de pamfletten van de vrouwenbeweging, de ideologische debatten in de homobeweging en de ontvangst van gewaagde films als Room at the Top, La Dolce Vita, L'Avventura en, dertien jaar later, Deep Throat. Hij gaat echter totaal voorbij aan de grote politieke gebeurtenissen van de jaren zestig, zoals de moord op de Kennedy's, de oorlog in Vietnam, de dissidente bewegingen in Oost-Europa en Rusland (en de repressie daarvan door de communistische machthebbers), de dekolonisatie in Afrika of Mao's China. Het feit dat Marwick onderzoek kon doen in Memphis, Rome en Parijs verklaart een andere onevenwichtigheid: namelijk dat zijn verhaal vooral in de Verenigde Staten, Frankrijk, Engeland en Italië speelt - en dat bijvoorbeeld Duitsland er bekaaid afkomt.

The Sixties is dus geen geïntegreerd geschiedverhaal, maar eerder een wat lang uitgevallen pamflet. Marwick wil de blijvende, positieve betekenis van wat hij - overigens niet ten onrechte - aanduidt als een culturele revolutie verdedigen tegen zowel conservatieve critici als gedesillusioneerde radicalen. De boven aangehaalde reconstructie van de Parijse Mei-revolte (op zichzelf het hoogtepunt van het boek) is exemplarisch voor zijn denkwijze.

Het autoritaire gezag, gesymboliseerd door een gewelddadige politie en een paternalistische rechterlijke macht, werd effectief onklaar gemaakt door actievoerders, avant-garde kunstenaars en popmuzikanten. De pogingen van een kleine groep door Marx, Mao en Marcuse gegrepen zelfbenoemde revolutionairen om de kapitalistisch-democratische maatschappij omver te werpen werden in de kiem gesmoord door het gezond verstand van de zich verheffende arbeidersklasse en de wijsheid van burgerlijke politieke leiders (als Pompidou) om concessies te doen en een toontje lager te zingen.

Als gevolg van deze plezierige samenloop van omstandigheden kregen allerlei onderdrukte groepen de gelegenheid zich te emanciperen en het hun toekomende deel van de welvaart op te eisen. Sociale rechtvaardigheid ging hand in hand met ontspannen en informele omgangsvormen, zodat tot op hoge leeftijd iedereen zich jong kon voelen. Het was, kortom, een prachtige tijd, en wie er niet bij was, heeft vooral veel pech gehad. Want, zo luidt de laatste zin van Marwick: 'There has been nothing quite like it; nothing would ever be quite the same again.'

Marwick past de bewijsvoering aan zijn stelling aan. De politieke gebeurtenissen doet hij af als niet interessant en van weinig invloed. Ook het antikapitalistische intellectuele en culturele klimaat wordt door hem ernstig onderschat; Marcuse, Barthes, Sartre, Foucault, Lacan, Laing en Althusser worden weggezet als verwende en verwarde rijkeluiskinderen. Daarentegen overschat hij de koelbloedigheid en souplesse van de, in werkelijk zwaar in het defensief verkerende, elites. De radicale, gewelddadige ontsporingen van de Rote Armee Fraktion, de Brigate Rosse, of de Black Panthers beschrijft hij als betreurenswaardige, maar onbetekenende incidenten.

Het lelijke gezicht van de culturele revolutie, die in de jaren zeventig de sociale verworvenheden zou overschaduwen, komt in het verhaal van Marwick in het geheel niet aan bod. Het is trouwens in het algemeen onthutsend hoe weinig historisch onderzoek er - ook in Nederland - naar die jaren zeventig wordt gedaan. Gebiologeerd door de jaren zestig schakelen de historische en sociale wetenschappers liefst meteen door naar de val van de Muur; het lijkt wel alsof iedereen de periode 1973-1989 zo snel mogelijk wil vergeten. Een gunstige uitzondering op deze amnesie - en tegelijkertijd een prachtig uitgangspunt voor een sociaal-culturele winst- en verliesrekening van de culturele revolutie - vormt in ons land uiteraard het monumentale project van A.F.Th van der Heijden: De tandeloze tijd.

Elke generatie zet zich tegen haar ouders af, maar met het volwassen worden vindt een verzoening met de maatschappelijke orde plaats en wordt de verantwoordelijkheid voor het opvoeden van een nieuwe generatie aanvaard. Het unieke van de jaren zestig was dat het verzet zich richtte tegen het idee van ouderschap als zodanig. De weigering om gezag te aanvaarden, verantwoordelijkheid te nemen, kortom de weigering volwassen te worden, heeft in de jaren zeventig tot maatschappelijke ontwrichting geleid. Niet alleen het huwelijk en het gezin werden het slachtoffer, ook aan de cultuur (en het niveau van de kennis van de eigen cultuur) en aan het onderwijs is veel schade berokkend.

In de jaren zestig verloren christelijke deugden als plichtsbesef, zelfbeheersing, naastenliefde en trouw sterk aan betekenis. Humanistische deugden als rechtvaardigheid, waarheidsliefde en zelfontplooiing gingen de boventoon voeren. De groeiende welvaart leidde niet tot tevredenheid, maar smaakte naar meer. Dat alles beter werd, leek vanzelfsprekend.

De verwachting was dat alle maatschappelijke problemen konden worden opgelost. Armoede, onzekerheid, ongelijkheid en discriminatie konden, dus moesten, worden beëindigd. Aan persoonlijke vrijheid, bevrediging van behoeften en vervolmaking van het individu werd geen beperking meer gesteld; sterker nog: het recht op vervolmaking van het individu moest door de overheid worden gegarandeerd.

In de jaren zeventig bezweken de westerse verzorgingsstaten aan hun pogingen te voldoen aan de overspannen verwachtingen van de meervoudig onverzadigde burgers. Na dertig jaar groei en volledige werkgelegenheid kwam de economie krakend tot stilstand. De socialistische partijen, die zich het meest met de uitdijende verzorgingsstaten hadden geïdentificeerd, raakten het initiatief kwijt aan rechtse vertolkers van het ongenoegen van de 'zwijgende meerderheid'. Twintig jaar later is links, met zijn Derde Weg, nog steeds bezig het contact met de werkelijkheid te herstellen en af te rekenen met de luchtfietserij uit de jaren zeventig.

De leuze van de Franse communistische partij in de jaren zeventig luidde kortweg: Pour une vie plus belle. Het leven is door de culturele revolutie van de jaren zestig wel degelijk mooier en rijker geworden. Maar dat is slechts de helft van het verhaal. Het wachten is op de ontbrekende andere helft.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.