De weg uit het getto

De doop als entreebiljet

Anet Bleich

De emancipatie van de Joden werd ten tijde van de Franse revolutie door verlichte geesten als Voltaire bepleit, maar de vrijheid van godsdienst en andere burgerrechten bleven nog lang daarna verre van vanzelfsprekend.

De Joden in de Italiaanse havenstad Ancona woonden tot het einde van de achttiende eeuw afgezonderd in een getto, zoals in bijna heel christelijk Europa. 'De inwoners gingen gebukt onder strenge restricties. Mannen moesten op hun hoofddeksel een geel kenteken dragen om hen nog duidelijker van hun buren te onderscheiden.'

Eind februari 1797 namen de troepen van Napoleon de stad in. 'Een detachement hoofdzakelijk Joodse soldaten werd naar de Via Astagna gestuurd en begon de gettopoorten te slopen. Toen de poorten waren neergehaald trokken ze door de lege straat. Voorzichtig kwamen de mensen naar buiten om de soldaten te bekijken. Een soldaat riep in het Hebreeuws naar een van degenen die hen stonden aan te gapen: 'Kom eens hierheen.' Er ging een schok van verbazing door de groeiende menigte. (. . .) Joodse soldaten, in het uniform van Frankrijk, een christelijk land? (. . .) Dat was voor de bewoners van het getto niet te bevatten. Er werd nog wat in het Hebreeuws gepraat, waarop een van de soldaten het gele insigne van de pet van een gettobewoner afhaalde, de rood, wit, blauwe revolutionaire kokarde van zijn eigen hoofddeksel losmaakte en het op de plaats van het insigne vastmaakte. Een andere soldaat volgde zijn voorbeeld en toen nog een. De Joden van Ancona waren geëmancipeerd.'

Zo spontaan en eenvoudig als in deze ontroerende passage uit De weg uit het getto van de Amerikaanse auteur Michael Goldfarb verliep de emancipatie van de Europese Joden natuurlijk niet steeds. Voor de Joodse bewoners van de Duitstalige gebieden bijvoorbeeld bleek de verovering door Napoleon een mixed blessing. Ook zij ervoeren de komst van de Fransen als bevrijding, want ook zij kregen daardoor burgerrechten. Het gros van de Duitse bevolking voelde zich daarentegen onder de voet gelopen. Het gevolg was niet alleen dat op tal van plekken in (het nog niet verenigde) Duitsland na Napoleons nederlaag de Joodse rechten weer werden ingeperkt, maar ook dat antisemitische denkbeelden over de 'onbetrouwbaarheid' van de Joden, die een 'staat binnen de staat' zouden vormen, in vruchtbare bodem vielen. De wettelijke gelijkstelling van de Duitse Joden kwam pas in 1869 door toedoen van Bismarck tot stand.

Het enige Europese land waar het er met de godsdienstvrijheid en dus met de joodse rechtspositie gunstig voorstond, was tot 1791 de Republiek der Nederlanden. Daar waren geen getto's en werden Joden evenmin als andere religieuze minderheden vervolgd. Maar zelfs in het tolerante Holland kwam officieel de gelijkheid pas in de Franse tijd.

Goldfarb staat uitvoerig stil bij de debatten die in de twee jaar na het begin van de Franse Revolutie in 1789 in de Assemblée Nationale over de Joodse emancipatie werden gevoerd. De denkers van de Verlichting hadden de rede hoog in het vaandel en ze beschouwden tolerantie als het meest wezenlijk. In de woorden van Voltaire: 'Twist is het grootste kwaad van de mensheid, en verdraagzaamheid de enige remedie ervoor.' In de Verklaring van de Rechten van de Mens en van de Burger die de Assemblée opstelde werd in artikel 10 vastgelegd dat niemand omwille van zijn geloof mag worden lastiggevallen of gehinderd bij de eredienst. Tegenstanders van deze revolutionaire vernieuwing betoogden dat een zo vergaande vorm van godsdienstvrijheid nergens bestond, maar kregen voor de voeten geworpen dat de Franse natie niet bestond om zich door anderen te laten leiden, 'maar om anderen het voorbeeld te geven'.

Het ging behalve om het vrij mogen belijden van de godsdienst uiteraard ook om politieke en maatschappelijke rechten. Joden waren tot dan toe uitgesloten van tal van beroepen, joodse en christelijke kinderen gingen niet samen naar school. Door die eeuwenlange buitens

luiting waren de Joden een naar binnen gekeerde gemeenschap geworden, die zich niet alleen door haar religie onderscheidde, maar ook door andere gebruiken, andere kleding en zelfs een andere taal; ze spraken onderling Hebreeuws en Jiddisch, lang niet altijd Frans. Ze mochten alleen handel drijven of geld uitlenen en vooral dat laatste kon leiden tot spanningen met de lokale bevolking. Goldfarb merkt scherpzinnig op dat er feitelijk sprake was van twee emancipatiedebatten. De Assemblée moest besluiten of ze de Joden volledige burgerrechten zou verlenen. Het tweede debat 'werd gevoerd binnen de Joodse gemeenschap. Hoeveel van hun in het getto ontwikkelde, op religie gebaseerde cultuur waren ze bereid op te geven om volwaardige burgers van het nieuwe Frankrijk te worden?' Emancipatie en integratie als twee kanten van dezelfde medaille: het klinkt verrassend actueel.

Zodra de poorten van het getto waren geopend, bestormden leergierige Joodse jongeren de universiteiten. Kinderen en kleinkinderen van sappelende marskramers brachten het tot bankier, journalist of filosoof. De Joodse culturele en intellectuele opbloei bevruchtte de Europese cultuur. Schrijvers als Heine en Schnitzler, filosofen als Marx en Freud, een componist als Mahler zullen niet snel vergeten worden. De druk om zich in zekere mate aan te passen, wilde men grote hoogten kunnen bereiken, bleef intussen groot, zeker in het Duitstalige gebied. Heine, Freud en Mahler lieten zich alle drie als christen dopen, Marx hoefde dat niet, zijn vader had het al gedaan. Heine noemde het doopbewijs, niet zonder cynisme, 'het entreebiljet tot de Europese cultuur'. Wrang was het voor deze grote figuren en ook voor de talrijke mindere goden die zich aanpasten om een rol in het maatschappelijke leven te kunnen spelen, dat een aanzienlijk deel van de bevolking hun hun Joodse afkomst toch bleef nadragen.

Dit gebrek aan acceptatie door de gevestigde samenleving, maar ook de toestroom naar het hoger onderwijs van braakliggend talent uit minderheidsgroepen doet denken aan het moeizame emancipatieproces van Marokkaanse en andere groepen nieuwkomers in onze tijd. Ook daar maakt een minderheid een snelle sprong voorwaarts qua opleiding en ontwikkeling, en ook daar blijft algemene waardering hiervoor uit. We mogen ervan uitgaan dat ook de hieruit resulterende identiteitscrisis gelijkenis vertoont, het dilemma 'van de Joden die waren aangespoord om hun traditie los te laten, maar nog moesten worden geaccepteerd als Duitsers.'

Verbluffende overeenkomst tussen toen en nu vertoont de taal van degenen die huiverig waren voor groeiende Joodse invloed op de samenleving. In Oostenrijk, Duitsland, zelfs Frankrijk ontstonden antisemitische liga's die hun vaderland wilden 'behoeden voor complete verjoodsing'. 'Kijk eens naar het oosten, over de Duitse grens met Polen en diep in Rusland - miljoenen van hen snakken ernaar Duitsland in te glippen', schreef de uit de Nationalliberale Partei afkomstige Heinrich von Treitschke eind 19de eeuw. 'Jaar in jaar uit stroomt (. . .) over onze oostgrens een menigte sjacherende (. . .) jongeren, wier kinderen en kindskinderen op een dag de baas zullen zijn van de Duitse effectenbeurzen en kranten.' De Fransman Edouard Drumont voerde tezelfdertijd een venijnige campagne tegen de ten onrechte van verraad beschuldigde Joodse kapitein Alfred Dreyfuss in zijn blad La libre Parole (Het vrije woord). Hij wilde zich niet de mond laten snoeren door echte vrijdenkers als de schrijvers Emile Zola en Marcel Proust die het voor Dreyfuss opnamen.

In Die Reise von München nach Genua roept Heinrich Heine het vergezicht op van een Europa dat afscheid heeft genomen van het nationalisme. 'Dag in dag uit verdwijnen geleidelijk dwaze nationale vooroordelen. (. . .) Er zijn geen naties, alleen nog groepen in Europa; en het is prachtig om te zien hoe deze groepen, hoe verschillend ook van pluimage, elkaar erkennen en hoe ze elkaar begrijpen, ondank

s allerlei taalverschillen.(. . .) Maar wat is de opgave van onze tijd? Dat is de emancipatie. Niet alleen de emancipatie van Ieren, Grieken, Joden uit Frankfurt, West-Indische zwarten en andere onderdrukte volken, maar de emancipatie van de hele wereld.' Heines droom blijft de moeite van het dromen waard.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden