De waskracht van grammatica

Pal voor Gerrit Krols 75ste verjaardag, zaterdag, verschijnt De industrie geneest alle leed, zijn verzamelde gedichten. De teksten verzakelijken, de wereld wordt mythisch....

‘Het komt nogal ’s voor, in de poëzie, dat men de zaken die men noemen wil, het gevoel of laten we zeggen de stemming waarin men verkeert – ongenoemd laat. Daar zijn twee redenen voor: het gevoel is te eenvoudig, en vormt tot het gedicht alleen maar een aanloop, óf het gevoel is te complex of zelfs onbekend: de dichter hoopt, door in een bepaalde richting te schrijven, er meer van te weten te komen.’

Zo opent Gerrit Krol de ‘notities’ bij een wonderlijke tekst uit 1980, die, aangezien hij is opgenomen in De industrie geneest alle leed, als een gedicht beschouwd moet worden. Inderdaad zijn regels als de volgende gemakkelijk als poëzie herkenbaar, omdat ze niet doorlopen tot de rechtermarge van de pagina, en dat is volgens Krol waaraan men gedichten gewoonlijk herkent:

Wie in de leegte van de middag zweeft

is iemand die, dalend uit den hoge

aan een paraplu (niet in de hand,

geen mens die hem vasthoudt) –

rechtop, BREEKBAAR, wordt

van boord gehesen.

De tekst bevat echter ook wiskundige symbolen en afbeeldingen, terwijl in de verklarende ‘notities’ niet alleen hoogst poëtische zinnen zijn te vinden, maar ook andere versies van strofen die in het gedicht terecht zijn gekomen.

Het effect van dit alles is dat de grenzen tussen poëzie en niet-poëzie vervagen, op zo’n manier dat de gedichten een zakelijk en wetenschappelijk karakter krijgen, terwijl de werkelijkheid eromheen surrealistisch en mythisch wordt. Dat is precies wat Krol in al zijn werk, of het nu fictie, essays of poëzie betreft, keer op keer weet te bewerkstelligen: je ervaart de wereld ineens als vreemd en verrassend.

Lijkt dit een conceptuele exercitie, Krol schrijft wel degelijk gedichten die recht doen aan de emotionele aspecten die traditioneel met poëzie in verband worden gebracht. Sterker nog, de titel van de verzamelbundel, De industrie geneest alle leed, mag ronduit romantisch genoemd worden. ‘Misschien moet je/ je de weemoed voorstellen als draden die/ ons aan de dingen binden.’

Krol, die morgen vijfenzeventig wordt, debuteerde als dichter ruim een halve eeuw geleden met ritmisch geladen verzen waarvan een verontrustende werking uitgaat, juist doordat de formuleringen zo concreet en direct zijn: ‘De illegalen zijn weer gevaarlijk/ met hun fluitkoord om de hals.’

Wie deze figuren zijn, wordt niet opgehelderd, maar het is duidelijk dat er iets goed mis is: ‘Zij werpen brandende lucifers/ op een burger zijn kleren.’ Een gedicht over Delfzijl begint onheilspellend: ‘Het spoorbiljet werd in de trein reeds afgegeven.’ Laat alle hoop varen, zou Dante zeggen, want u betreedt de hel: ‘Hier staat men eenzaam op de brug/ in ’t holst van deze morgen, / om op de eb te zien weerspiegeld// de Soda dreunend aan de overzij.’

In de jaren zestig gaan Krols gedichten, conform de tijdgeest, meer op proza lijken, compleet met de incorporatie van readymades en een enkele afbeelding. Zo zien we de foto van een meisje dat glimlachend haar borsten laat zien. ‘Kijk naar het meisje / en kijk naar haar ogen’, schrijft Krol: ‘Is zij gelukkig? // Nee, ze is niet gelukkig.’

Met ‘De Groninger Veenkoloniën’ (1971-1972) ontwikkelt Krol een nieuwe vorm die later zijn handelsmerk zou worden: korte alinea’s waarvan de regels wél doorlopen tot de rechtermarge, maar steeds gevolgd door witregels, zodat ze het visuele ritme van strofen oproepen.

Het zijn fragmentarische teksten vol beschrijvende, verhalende en beschouwelijke elementen, zoals we die ook uit Krols proza kennen, maar met een grotere dichtheid. Opmerkelijk is vooral de kunstgreep waarbij een stelling geponeerd wordt, die vervolgens in zijn tegendeel verkeert: ‘Wateroppervlak blauw, soms met groen kroos.// Water stromend. Niet blauw.// Water ligt stil tussen twee wolken, die elkaars spiegelbeeld zijn.// Niet gespiegeld, en meer dan twee wolken.’ De teksten krijgen daardoor de dwingende structuur van logische redeneringen.

Soms lijken de beweringen lege taalconstructies te zijn die nog maar nauwelijks aan de werkelijkheid refereren. Dit is bijvoorbeeld een raadselachtige, maar onontkoombare zin: ‘Geen man, want geen vrouw.’ In de alinea’s die erop volgen ontstaat echter een verhaallijn die handreikingen biedt om de zin betekenis te geven, want er is sprake van een man die zich incompleet voelt omdat hij geen vrouw heeft.

Voordat hij reageert op een contactadvertentie, neemt hij een bad, want lichamelijke reinheid maakt de geest helder. ‘Geen zeep, maar de grammatica.// De vernieuwde reinigende werking, de explosieve waskracht van de Nederlandse grammatica.// Een bewolkte lucht, die zich in regen ontlaadt.’

Een van de hoogtepunten is ‘Hunzecentrale’, over de sloop, in 1998, van de elektriciteitscentrale waarvan de schoorstenen bijna een eeuw lang mede bepalend waren voor de skyline van Groningen.

Het gedicht begint objectief: ‘Op de horizon de elektrische centrale./ Vijf rokende pijpen. 120 meter.’ In de volgende strofe gaat waarneming over in theorie: ‘Geen rook, maar water./ Geen water, maar methaan.’ Meteen daarna krijgt het beeld metafysische betekenis: ‘Vijf pluimen tegen de hemel. Vijf evenwijdige pluimen die schrijven dat de wereld volmaakt is.’ Vervolgens wordt er ingezoomd: ‘Niet de wereld, maar de mens./ Niet de mens, maar zijn hand.’

Stap voor stap bouwt Krol een subtiel verhaal op over de schoonheid van de schepping, de plaats die de heroïsch ploeterende mens daarin inneemt, de troost van wetenschap en industrie, en, ten slotte, de helende kracht van de poëzie.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden