De warme gloed van kameraadschap

'De smeerlapperij gaat gewoon door', schreef Herman Heijermans fel in zijn toneelstuk Glück Auf!, genoemd naar de traditionele mijnwerkersgroet. De kolen werden bij hem, net als de vis, duur betaald....

'DEZER DAGEN was het een eigenaardig gezicht met de witte sneeuw 's avonds tegen het uur der schemering, de arbeiders uit de mijnen huiswaarts te zien keren. Deze lieden zijn geheel zwart als zij uit de donkere mijnen weer in het daglicht komen, gelijkerwijs de schoorsteenvegers zien zij eruit. Hun woningen zijn meestal klein, en veeleer hutten te noemen, verspreid ook langs die holle wegen en in het bos tegen de hellingen der heuvels.'

Dit schreef Vincent van Gogh in de donkere dagen voor Kerstmis in het jaar 1878 in een brief aan zijn broer Theo. Hij woonde toen in het Belgische plaatsje Petit-Wasmes, bij Mons, in de mijnstreek de Borinage. Beroete mannen, de schep op de gekromde rug, die tegen de witte hellingen opzwoegen na een uitputtende werkdag: een schitterend beeld. Zo tekende Van Gogh de arme mijnwerkers in die periode.

Maar Van Gogh was niet naar de Borinage gekomen om de schilderachtige ellende te tekenen. De domineeszoon had het vaste voornemen licht te brengen onder de van zon verstokenen die elke dag in de ziekmakende onderwereld afdaalden. Hij vestigde zich als predikant tussen de mijnwerkers en hield stichtende toespraken. Over Paulus' visioen van de Macedoniër bijvoorbeeld, 'een arbeider met trekken van smart en vermoeienis op het gelaat'. Deze werkman vindt troost bij Jezus, die immers zelf, 'hoewel Hij de Zoon Gods was, dertig jaar arbeidde in een nederige timmermanswerkplaats'.

De bevlogen preken sloegen niet aan bij de mijnwerkers. Die vonden de herder die zelf, om zich in te leven, griezelend in de mijn afzakte, maar een zonderling. Zijn medelijden hadden ze niet nodig. Diep ontgoocheld keerde Van Gogh huiswaarts. Hij besefte dat hij de wereld alleen mooier kon maken met zijn schilderijen. Hij moest getuigen in verf.

Aan de mijnen danken we de geboorte van de schilder Van Gogh, die enkele jaren later andere wroeters in de aarde, met al even donkere gezichten, zou afbeelden op zijn meesterwerk De aardappeleters. Hij is niet de enige kunstenaar uit de tijd van de industriële revolutie die de nieuwe verworpenen der aarde tot onderwerp koos. Émile Zola schreef in 1885 zijn beroemde mijnwerkersroman Germinal. Herman Heijermans maakte in 1911 een Nederlandse pendant ervan, het toneelstuk Glück Auf!. De Amerikaan Upton Sinclair schreef in 1917 King Coal, over een mijntragedie in de Rocky Mountains. De Duitser Paul Grabein vertoefde in de mijnen in het Ruhrgebied voor zijn 'Bergwerksroman' Die Herren der Erde (1910). Jan Toorop, Henry Luyten en Herman Heijenbrock schilderden zwoegende en stakende mijnarbeiders. Toorops litho De mijnwerker, een portret van een knoestige, door zware arbeid getekende man die niettemin trots de wereld in kijkt, werd de icoon van de beroepsgroep.

De mijnwerker, meer nog dan de visser en de boer, wier beroep nog idyllische trekjes had, werd in de realistische kunst het prototype van de uitgebuite proletariër. Hij werd door de kapitalisten de levensgevaarlijke krochten van de aarde ingejaagd, en opgezweept tot enorme productie. Zijn leven eindigde vroeg, met kapotte longen, als hij al niet eerder het slachtoffer van een mijnramp was geworden. Technologische verbeteringen in de mijnbouw maakten de zaak er voor hem niet beter op. Diepere lagen aanboren, meer kolen wegschrapen, dat was het doel van de mijnbazen, niet de veiligheid van de kruipende mannen met de lamp op hun hoofd.

In hun boek met de mooie titel Versteende wouden schrijven de dichter en letterkundige Wiel Kusters en de sociaal historicus Jos Perry een bijzonder soort cultuurgeschiedenis. Zij beschrijven niet de geschiedenis van de Europese mijnbouw van de Middeleeuwen tot aan de sluiting van de meeste mijnen in jaren zestig en zeventig van deze eeuw, al komt dat verhaal zijdelings voortdurend aan de orde. Ze onderzochten hoe het mijnbedrijf in de loop der eeuwen door tijdgenoten werd verbeeld, in de literatuur en de beeldende kunst, maar ook in liedjes, propaganda, cartoons, tijdschriften en populair-wetenschappelijke boekjes.

'Steenkoollagen storen zich niet aan staatkundige grenzen', schrijven zij, en daarom doen zij, Limburgers, dat evenmin. Hoewel de nadruk daarbij op de Zuid-Limburgse mijnbouw ligt, en op de periode waarin deze tot een enorme industrie uitgroeide (de eerste helft van deze eeuw), komt ook de Duitse, Belgische en Franse neerslag van de mijnen in de kunst aan de orde. Resultaat is een intrigerende geschiedenis van een 'mijncultuur' die tegelijk een mentaliteitsgeschiedenis is.

Opvallend is dat de bijdragen van de twee auteurs, die telkens als afzonderlijke essays te lezen zijn, zeer verschillen. De dichter en tekstinterpretator Kusters, die opgroeide tussen de mijnwerkers en die spiegelingen tussen de boven- en ondergrondse wereld in zijn gedichten vaak tot thema koos, is vooral gespitst op metaforen over levende en versteende natuur, bestaande en gemaakte wereld, licht en donker, zee en mijn, vergaren en verzwolgen worden.

De historicus Perry zoekt het verhaal over mensen, de mijnwerkers en hun gezinnen, dat zich aftekent in de artistieke en journalistieke verbeelding van het mijnbedrijf. Afgrijzen en angst domineren daarin, maar ook de heroïek en de beroepstrots die de dagelijkse dreiging in de mijn verteerbaar hielpen maken. Beide benaderingen vullen elkaar aan, maar het zijn de levendige en goed gedocumenteerde stukken van Perry die dit boek tot een volwaardige cultuurgeschiedenis van de mijnen maken.

Tot het einde van de Middeleeuwen, schrijft Kusters, 'was het graven van mijngangen omgeven met religieuze ceremoniën, omdat de wereld die men binnenging, als heilig en onschendbaar werd gezien'. In het werk van de Duitse romanticus Novalis (pseudoniem van Friedrich von Hardenberg, die leefde van 1772-1801 en werd opgeleid tot mijningenieur) is nog iets van dat premoderne ontzag voor Moeder Aarde bewaard.

Bij hem is de mijnwerker een schatgraver die uit de ingewanden van de aarde 'himmliche Gaben' ontvangt. In zijn roman Heinrich von Ofterdingen (1802) is de mijnwerker een simpele ziel die zich, door af te dalen in de mysterieuze diepten, ongemerkt verheft. In het ondergrondse woud is de arbeider volgens Novalis één met de natuur en raakt hij vervuld van kennis van 'metallische Mächte'. Geen wonder dat hij, na gedane arbeid, weer stralend van vreugde uit zijn crypte herrijst. Ook als God hem daar laat, heeft hij er vrede mee.

HONDERDDERTIG jaar later beschrijft Lewis Mumford in zijn Technics and Civilization de mijn als 'the first completely inorganic environment to be created and lived in by man'. Die omschrijving staat wel ver af van de mijn als schenker van hemelse, alchimistische gaven. God en de oermoeder hebben hun macht inmiddels afgestaan aan de mijningenieurs, die op vernuftige wijze roofbouw plegen op versteende natuur.

De mijn was een volstrekt kunstmatige onderwereld geworden, gebouwd met behulp van dynamiet, graafmachines, pomp- en ventilatiesystemen, 'een onverschillige hulpbron (. . .) die voor menselijke doeleinden werd geëxploiteerd'. Zonder steenkool geen industrie, zonder industrie geen welvaart. God bestond alleen nog in de hoofden en harten van de angstige mijnwerkers.

In de postromantische 'mijnliteratuur' van na 1880 duikt dikwijls het beeld op van de mijn als vleesetend monster en de mijnwerker als willoos voedsel dat tussen zijn machtige kaken wordt verzwolgen, waarna de mijndirectie weer nieuw, vers vlees de schacht in werpt. De mijn Voreux in Zola's Germinal is zo'n monster.

Symbolisch voor wat een mens in de helse ondergrondse kan overkomen is de geschiedenis van het mijnpaard Trompette. Het doodsbange dier, dat met zweepslagen door de gangen wordt gejaagd, verstijft en blijft dood liggen. Het stierf aan melancholie, aan verterend verlangen naar het licht. Zijn kameraad, het berustende paard Bataille, sterft bij een mijnexplosie.

Het verhaal van de twee paarden roept de vraag op of je een mens dit lot kunt aandoen. 'Is zíjn dagelijkse afdaling wel zo vrijwillig? Heeft hij (of zíj!) werkelijk een andere keus dan levenslang zwoegen in de duisternis voor het gewin van anderen?'

Ook voor de socialist Herman Heijermans was de mijn een gruwelijk werktuig van kapitalistisch winstbejag. Naar aanleiding van een ramp in de mijn Radbod in het Ruhrgebied, waarbij in 1908 in één klap de voltallige nachtploeg van 348 mijnwerkers werd opgeblazen, schreef Heijermans zijn drama Glück Auf!. 'De montere klank van de eeuwenoude mijnwerkersgroet staat in schril contrast met de inhoud van het stuk - een van zijn somberste', schrijft Perry.

Als een onthullingsjournalist avant la lettre was de schrijver incognito naar het Ruhrgebied vertrokken, hij werkte er een week in de mijnen, 'bang, god zo bang dat hij de dag niet meer zou zien'. De opvoering van het stuk in 1911 was spectaculair. Het publiek werd getrakteerd op een echte explosie. Een arbeider roept 'Wij wachten op dynamiet', en dan klinkt er een oorverdovende knal: 'De lampen dooven. Een schor geschreeuw. Dan een stilte. Het toneel is volslagen donker.' De mijnbestuurders willen er niet te lang bij stilstaan: de mijn moet weer draaien, anders worden de aandeelhouders ongeduldig. 'Kijk mensen, hier vallen in één klap driehonderd doden, en toch verandert er helemaal niets. De smeerlapperij gaat gewoon door', waarschuwde de schrijver met dit 'Tendenzstuk', dat wonderlijk genoeg in een onvervalst heijermansiaans volks-Hollands, doorspekt met zeemanstaal, is geschreven - 'hebbie', 'benejen', 'me zussies', zeggen de mijnwerkers. De kolen worden, net als de vis, duur betaald.

In de jaren twintig en dertig, laat Perry zien, wordt de mijn, die behalve rampen en ziekten ook welvaart voortbracht, langzaamaan geaccepteerd. Het werk krijgt macho-allure. In Van een jongen die een man werd, een semi-autobiografische roman van de Limburgse socialistische schrijver Jef Last is de gang naar de mijn een vrijwillige afdaling, zowel fysiek als sociaal. Rond 1920 werkte de keurige hbs'er Last een tijdje in de mijn, tussen de echte mannen.

Ook zijn hoofdpersoon Frans verlangt ernaar te zuipen, spugen en vechten, en 'een zak met centen' naar huis te brengen. De diepe afgrond van de mijn beangstigt en fascineert hem, 'de donkere geheimenis, waar vreeselijke dingen gebeuren'. Na een mijngasexplosie die hem bijna het leven kost, verlaat hij de mijn. Hij krijgt er spijt van. De roman eindigt als een socialistische bekeringsgeschiedenis: Frans krijgt heimwee naar zijn oude 'kompels'. Hij ontdekt dat er niets in het leven gaat boven de 'eenvoudige, solide kameraadschap zoals je die vindt in de mijn'.

Ook bij katholieke auteurs ziet Perry de neiging om van de nood van de mijn een deugd te maken. Zoals de priester-dichter Jacques Schreurs, die in de jaren twintig begon te werken onder de rook van de mijn. De idealistische kapelaan in zijn Kroniek eener parochie betreurt het dat veel van zijn parochianen de Duitse grens over trekken om werk te zoeken. De mijn zou voor hen een uitkomst zijn: geen seizoenarbeid, hoog loon.

Zinniger dan de mijn te beschouwen als een vloek, een verwoesting van de Limburgse plattelandsidylle, is het te mijn te omarmen. En te kerstenen: 'Voor de kapelaan is het een grootse uitdaging om zijn gewest, dat een transformatie van landbouw naar mijnbouw te wachten staat, voor het christendom te helpen behouden.' De kerk is, schrijft Kusters, in Limburgse romans dikwijls een 'sacrale pendant' van de mijn. In die hoge, 'gotische' gewelven, onder en boven de grond, deelt de Schepper gul materieel en geestelijk voedsel uit.

Tussen 1930 en 1960 deden de Nederlandse mijndirecties er alles aan om een mijntraditie te scheppen. Doel was het vormen van een 'stabiele, autochtone mijnwerkerstand, waarin men vanzelfsprekend van vader op zoon in de mijn bleef werken'. De mijnbedrijven lieten grote hoeveelheden arbeiderswoningen bouwen; wie in de mijn werkte kon trouwen en een nestje bouwen. Vrouwen moesten bewust onwetend worden gehouden van de gevaren van de mijn, want trotse echtgenotes moesten trotse moeders worden die hun zonen welgemoed laten afdalen.

OM DE PUBLIEKE opinie te beïnvloeden gaven de mijnbedrijven vrolijke boeken uit met 'mijnwerkersfolklore'. In het vakblad Steenkool staan foto's van beeldschone meisjes in mijnwerkerskostuum, pin-ups in travestie, die juist benadrukken dat dit géén vrouwenberoep is. De mijnwerkers kregen een patrones, Sint Barbara, 'een ideale schakel tussen het bedrijf en de kerk'. In een gedenkboek van de Staatsmijnen staat de heilige afgebeeld met een koeltoren op schoot.

Toch lukte het niet zo best om met alle geweld een traditie te vestigen. Na 1945 was het een probleem 'dat het beetje traditie dat in de Limburgse mijnbouw werd aangetroffen, grotendeels Duits van origine was'. Voor de groet 'Glück auf!' werd geen passend Nederlands equivalent gevonden. Perry concludeert: 'Als het al gelukt was zoiets als een mijntraditie te scheppen, dan was dit een wankel bouwsel. Hier ligt een van de redenen van de mijnsluitingen in de jaren 1965-1975.'

Tijdens de wederopbouw stuurden de mijnwerkers hun kinderen naar school, opdat ze een minder gevaarlijk beroep zouden kiezen. De gevolgen van een levenlang werken onder de grond, silicose ('stoflongen'), jarenlang door de mijnartsen gebagatelliseerd of als 'bronchitis' afgedaan, werden pijnlijk zichtbaar. Oudere mijnwerkers konden vaak niet lang van hun pensioen genieten.

En toch. Perry en Kusters stellen met verbazing vast dat vrijwel alle nog levende oud-mijnwerkers verdriet hebben over de teloorgang van de mijnbouw. 'Eindelijk weer terug in het daglicht, hebben zij het paradoxale gevoel alsof de sluiting van de mijn hen heeft verbannen uit het werkelijke leven.' Sleutelwoord bij het nostalgisch terugkijken is steevast 'kameraadschap'. 'Dat moet je meemaken', stamelen de oude kompels, 'dat kun je niet uitdrukken.'

Op die lotsverbondenheid liepen ruim honderd jaar geleden Van Goghs goede bedoelingen al stuk. 'In de warme gloed van die kameraadschap', zo beëindigen zij deze met compassie geschreven cultuurgeschiedenis, 'krijgen voor wie terugblikt zelfs de angst, de spanning en het gevaar iets aantrekkelijks. Zoals alles wat voorgoed voorbij is.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden