voorpublicatie herziene uitgave el negro en ik

De ware herkomst van de opgezette Afrikaan El Negro

Frank Westerman schreef in El Negro en ik (2004) over de opgezette Afrikaan El Negro, die twee eeuwen lang in Europa werd tentoongesteld, tot hij in 2000 werd herbegraven in Botswana. Alleen, ontdekte Westerman onlangs, daar kwam El Negro niet vandaan.

El Negro

Wat aan dit verhaal voorafging

In zijn boek El Negro en ik – bekroond met de Gouden Uil 2005 – beschrijft Frank Westerman de omzwerving van een opgezette Afrikaan door Frankrijk en Spanje van 1831 tot 2000. Deze ‘El Negro’ stond het grootste deel van de 20ste eeuw op zijn voetstuk in het Darder-museum voor Natuurhistorie in Banyoles in Spanje. Rond de Olympische Spelen van 1992 in Barcelona raakte zijn vertoning in opspraak als racistisch en ‘niet meer van deze tijd’, maar het zou tot 1997 duren vooraleer hij in het depot werd opgeborgen. Herfst 2000 is het geprepareerde lichaam ontdaan van zijn huid, zijn metalen ruggengraat en opvulsel als stro en oude kranten. Zijn schedel en enkele botten zijn daarop in Gaborone, Botswana, met christelijk ceremonieel ter aarde besteld. Maar al in 2004 betwijfelde Westerman of El Negro uit Botswana kwam en onlangs ontdekte hij dat die twijfel terecht was. El Negro kwam uit de buurt van Kaapstad, Zuid-Afrika. Zijn stoffelijke resten zijn in het verkeerde land begraven. Westerman schreef een herziene versie van zijn boek, waaruit dit een voorpublicatie is. 

‘Heeft u wel eens Betjouanen gezien? Weet u wel wat een Betjouaan is?’

In Le Figaro van 21 november 1831 beschrijft een verslaggever zijn ontmoeting met ‘un Betjouana’ in Parijs. Hij is er een tegen het lijf gelopen in de Rue Saint-Fiacre, ‘bijna levend’. Daar stond hij, opgezet en al, in de toonzalen van baron Delessert, uitgedost met een raffiatooi die niet zou misstaan bij ‘de gasten van het meest chique bal van Parijs’.

Een week tevoren, op 15 november, was ‘El Negro’ op diezelfde expositie al door een andere verslaggever gespot – tussen de opgezette leeuwen, hyena’s en giraffen. Anders dan dit al bekende artikel in Le Constitutionnel (‘Hij is klein van postuur, zwarthuidig en zijn hoofd gaat bedekt onder kort en wollig krulhaar’), werpt Le Figaro een licht op de herkomst van El Negro: ‘Hoe is deze Betjouaan afgedwaald uit de landstreek rond het vrolijke plaatsje Litakou waar hij mogelijk is geboren?’

‘Litakou’ genoot in Europa bekendheid uit de reisverslagen van de Schotse zendeling Robert Moffat, de schoonvader van dr. Livingstone. In 1829 tekende Moffat een groep Betjouanen die in boomhutten woonden niet ver van de missiepost Litakou, op twee dagreizen (te paard) ten noorden van de Oranjerivier.

Le Figaro speculeert dat de in Parijs tentoongestelde Betjouaan ‘door de zijnen’ is verstoten. Hoe het ook zij, en nu wordt het verslag feitelijk: hij leefde te midden van de Hottentotten van de Kaap.

‘Hij was ziek, uitgeblust en niet meer in staat achter leeuwen en hartenbeesten aan te rennen, toen twee jeugdige Fransen, de heren Verreaux, in het dorp arriveerden waar deze arme neger stierf.’

Zijn lichaam wordt aan de rand van de nederzetting begraven, maar de gebroeders Verreaux graven hem ’s nachts weer op, villen hem en nemen zijn huid en schedel mee – ‘de helft van hun prooi achterlatend voor de jakhalzen’.

Beeld Silvia Celiberti

Deze grafroof annex lijkschennis voltrok zich tijdens de verzameltochten die Jules en Édouard Verreaux in 1830 en 1831 vanuit Kaap de Goede Hoop ondernamen. In het jaarboek van het Franse Genootschap voor Entomologie (Insectenkunde) uit 1832 vermeldt Édouard Verreaux de vier verste punten van hun veldexcursies: in het oosten zijn dat Algoa Bay (de baai bij het huidige Port Elizabeth) en Grahamstad. De meest noordelijke plaats is Tulbagh (zo’n honderd kilometer ten noorden van Kaap de Goede Hoop), vanwaaruit ze ook ‘Bokkeveld’ hebben bezocht.

De oogst van hun reizen bestaat uit 130 duizend objecten, voornamelijk insecten, met als pronkstuk de opgezette Betjouaan. Édouard heeft de hele collectie in 1831 naar Parijs gebracht. Bij het Gezelschap voor Entomologie komt hij een nieuw ‘projet’ presenteren: hij wil terug naar de Kaap om samen met zijn broer ‘onbekende streken te doorkruisen, gelegen tussen Port Natal (het huidige Durban) en de Oranje-rivier.’ Het beoogde verste punt van deze toekomstige reis is ‘Litakou’.

Ofwel: zo noordelijk zijn de gebroeders Verreaux in de verste verte niet eerder geweest. Anders gezegd: El Negro vond zijn dood en dus ook zijn oorspronkelijke graf niet ver van Kaap de Goede Hoop.

Waarom wist ik dit niet in 2004, toen ik dit boek schreef?

Net als een handvol andere speurders heb ik de wortels van El Negro bij de Oranje-rivier gezocht, rond de 28ste breedtegraad. Destijds had ik al wel het – uitgesproken – vermoeden dat El Negro niet uit het huidige Botswana kón komen: vrijwel geen Europeaan was rond 1830 al zo diep in het Afrikaanse continent doorgedrongen. Het leek me dan ook voorbarig dat zijn stoffelijke resten in oktober 2000 uitgerekend in Gaborone, de hoofdstad van Botswana, ter aarde waren besteld. Dat was op zijn zachtst gezegd een ondoordachte daad, uit haast en slordigheid geboren: Spanje zat met El Negro in zijn maag, en Botswana wilde hem als ‘een verloren zoon van Afrika’ wel een laatste rustplaats bieden.

Dat ik destijds niet wist dat El Negro in de buurt van Kaapstad stierf, en nu wel, heeft te maken met de verbeterde digitale boortechniek, dwars door de dikste archieflagen heen. De afgelopen vijftien jaar zijn duizenden bibliotheekcollecties doorzoekbaar gemaakt. Steeds vaker ontving ik een ‘alert’ als er een tekst over ‘Verreaux’ en de ‘Betjouana’ was ontsloten. Op verschillende fora had ik ingesteld dat ik verwittigd wilde worden zodra beide trefwoorden opdoken. Als lokaas had ik een baaierd aan spellingsvarianten onder mijn dobber gehangen – Bechuana, Bichuana, Betchuana, Betchouana, Bouchouana, Booshuana, Booshouana, Betjouaan en Beetjouaan.

Soms hapte er een visje uit de diepzee toe. Zoals in maart 2017, toen ik een notificatie ontving uit Gallica, de catalgus van Franse bibliotheken:

Betchuana. [Corps] rapporté de l’Afrique australe par Edouard Verreaux.
Corps?
[1880] (1 photographie collée)

Ah, een ingelijste fóto.

Kennelijk wel een uit 1880: dat zou verreweg de oudste zijn, ouder dan de pentekening van El Negro uit Barcelona van 1888.

Ik toog naar Parijs voor een weerzien met stafmedewerker Piotr Daszkiewicz. We aten couscous in een Marokkaans restaurant naast de Grande Mosquée en wisselden de laatste roddels uit: Piotr wist te vertellen dat Jules Verreaux op latere leeftijd een minnares had, Madame Verday, die ook zijn zaken waarnam.

Jules Verreaux

Ik op mijn beurt was erachter gekomen dat de preparateur van El Negro niet kinderloos was gebleven, zoals zijn necrologieën beweerden. De naam ‘Verreaux’ was komen bovendrijven in een bundel door Google Books gedigitaliseerde vonnissen van het gerechtshof van Kaap de Goede Hoop, geveld tussen 1828 en 1849.

Greef vs Verreaux. Breach of promise of marriage, heette de zaak waarin hij verzeild was geraakt.

Jules Verreaux bleek in de Britse kaapkolonie te zijn aangeklaagd door een zekere Elisabeth Greef, een Nederlandse die destijds minderjarig was (jonger dan 25). ‘Miss Greef’ was in mei 1827 zwanger geraakt van hem en had op 18 februari 1828 ‘een gezond kind’ ter wereld gebracht. Via de rechtbank hoopte ze de vader te dwingen met haar te trouwen, zoals hij in woord en geschrift had beloofd.

Het geschil kwam voor in maart 1829, zo’n anderhalf jaar voordat Jules en Édouard hun menselijke prooi opgroeven, vilden en opzetten.

De advocaat van Miss Greef bracht vijf liefdesbrieven in van Jules Verreaux waaruit ‘het Gallisch bloed’ van de opsteller sprak. De taal noemde hij ‘zo bloemrijk en vurig dat een Engelsman die waarschijnlijk zou bestempelen als the extreme’. Zo wenst Jules ‘duizend kussen op haar vermiljoenen lippen te mogen drukken’ en, minder omfloerst: ‘vleselijk kennis te mogen maken met haar persoon’. Hij dringt aan op dit laatste, vooruitlopend op hun aanstaande bruiloft. Jules hoeft alleen nog maar – per scheepspost – de goedkeuring van zijn ouders te ontvangen, maar hij zweert ‘bij alles wat hem heilig is’ dat niets hun huwelijk in de weg zal staan.

Maar dan ineens, in een brief van 4 juni 1828, luttele weken nadat hij Elisabeth heeft bezwangerd, trekt Jules zijn trouwbelofte in. Hij is te arm om haar te onderhouden, heeft geen toestemming van zijn ouders en zegt de kolonie te zullen verlaten.

In dezelfde envelop stuurt hij drie ringen retour die hij van haar heeft gekregen. Elisabeth Greef is furieus. Ze verwijt hem gebrek aan karakter en schrijft te hopen dat ‘de Almachtige’ hem zal straffen voor zijn zonden.

Ruim een jaar later, na de geboorte van haar (hun) kind, probeert Miss Greef haar eer als ongehuwde moeder te redden door haar zaak voor te leggen aan rechter William Menzies. Voor The South African Commercial Advertiser levert dit verrukkelijke kopij op.

De verdediging schildert de aanklaagster af als een lichtekooi. Ze zou ongechaperonneerd dansavonden bezoeken en al in de zomer van 1828 met een ander zijn gesignaleerd. In het donker, nota bene op de stoep voor de woning van Jules Verreaux, had ze schielijk een ándere man omhelsd. Er waren ooggetuigen van dit zedeloze gedrag!

Rechter Menzies hoefde die niet op te roepen, want via kruisverhoren kwam algauw aan het licht dat Miss Greef in een door Jules opgezette val was gelopen: hij had haar naar zijn huis laten komen en stuurde vervolgens een vriend van hem naar beneden om de poort te openen. Elisabeth was deze handlanger om de hals gevlogen, in de veronderstelling dat het Jules was. Strategisch opgestelde getuigen hadden dit gezien en konden het onder ede bevestigen, maar de rechter voelde geen behoefte zich nog verder te laten manipuleren.

De dansavonden bleken nette bals in Keeromstraat, niets verdorvens aan.

Bleef over: het ontbreken van een schriftelijke huwelijkszegen van de ouders van Verreaux in Parijs. Gezien zijn minderjarigheid mocht Jules niet eens trouwen zonder ouderlijke goedkeuring, en bij gebrek daaraan werd de toekomstige preparateur van El Negro vrijgesproken. Rechter Menzies kon echter niet nalaten zijn weerzin uit te spreken over ‘de kunstige, kwaadwillende, duivelse verleidingstrucs’ van de Fransman.

Elisabeth Greef had zich tot de Dutch Reformed Church gewend met het verzoek om haar kind te dopen. Na enig wikken en wegen besloot de kerkenraad haar smeekbede af te wijzen, gezien haar ‘onkuise gedrag’. Het kind van Jules Verreaux en Elisabeth Greef bleef een bastaard, ‘in onegt verwekt’.

Het was een meisje.

Jules wachtte de overkomst van Édouard af en samen ondernamen ze in 1830 en 1831 hun veldexcursies in de Kaap.

Het graf van El Negro in Botswana.

In 1838, toen zijn dochter tien was, keerde hij terug in Frankrijk. Nooit is Jules Verreaux getrouwd geweest, ook niet met Madame Verday, zijn zakenpartner en minnares.

Édouard stierf in 1868.

Kort na het uitbreken van de Frans-Duitse Oorlog in 1870 vluchtte Jules Verreaux naar London, waar hij in 1873 overleed.

Diens ‘schepping’ El Negro zou hem meer dan een eeuw overleven - als een steeds schrijnender herinnering aan het Europese wetenschappelijke en alledaagse racisme.

De laatste signalering van El Negro in Frankrijk dateert van 1872. Volgens een nieuw ontsloten bron, het Journal des débats politiques et littéraires, was hij dat jaar als fremdkörper te bezichtigen geweest op een huishoudbeurs in het Palais de l’Industrie in Parijs: ‘een schriele Béchuana-chef, opgezet door de heer Verreaux, die een fletse impressie geeft van dit volk zonder armspieren’. Meer stond er niet.

In 1874 heeft de weduwe van Édouard Verreaux nog een vergeefse poging gewaagd om El Negro (‘un peau montée de Bichuana’) per brief aan het Parijse Genootschap voor Antropologie te slijten. Uiteindelijk moet de opgezette Betjouaan tussen 1880 en 1888 zijn opgekocht door de veearts Francisco Darder uit Barcelona – als een winkeldochter uit de failliete boedel van het Maison Verreaux.

Toen ik in 2004 het graf van El Negro bezocht – in het Tsholofelo-stadspark in Gaborone, Botswana, lag het er gehavend en verfomfaaid bij. De zwart-wit-blauwe sierpaaltjes eromheen werden door jeugdige voetballers gebruikt als doelpalen. In 2014 is de laatste rustplaats van El Negro niettemin flink opgeknapt: rondom het sierhek is een frisgroene heg geplant. Een boomstronk en wat zwerfkeien markeren de eigenlijke kuil en er is een nieuw informatiebord geplaatst.

En toch is dit eerbetoon een affront. Het graf is letterlijk misplaatst. De overhaaste repatriëring van El Negro in 2000 hing al van pijnlijkheden aan elkaar (zijn lans is achtergehouden in Banyoles, zijn huid in Madrid), en nu blijkt hij ook nog eens definitief aan het verkeerde land te zijn terugbezorgd. Het zou passender zijn geweest als de al zo lang gemaltraiteerde Betjouaan een werkelijk laatste rustplaats zou krijgen in Zuid-Afrika.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden