TegensprekersZwarte Amerikaanse auteurs

‘De VS is geen natie van zwarte en witte mensen’, vond Albert Murray. Dat is ook nu controversieel

Waarover hebben we het, als we onderscheid maken tussen rassen? Wat maakt iemand ‘zwart’ of ‘wit’ en hoe ongemakkelijk is die terminologie? In een serie over Afro-Amerikaanse schrijvers die zich zulke gewetensvragen stellen vandaag: Albert Murray, die niet geloofde in een raciale tweedeling.  

Beeld Seb Agresti

Hij is en blijft mijn grote held, Albert Murray: (roman)schrijver, essayist, jazzkenner en publieke intellectueel, die stierf in Harlem, New York, op 18 augustus 2013, 97 jaar oud. Murray sprak trouwens liever over Uptown Manhattan en niet over ‘Harlem’, als hij zijn woonbuurt beschreef, want waarom zouden alleen de Central Park-bewoners die naam mogen claimen? Hij was precies in namen en benamingen. Ik merkte dat tijdens een kort onderhoud dat ik met hem mocht hebben.

Murray moet tijdens mijn ontmoeting met hem, ergens in Uptown Manhattan, zo’n 80 jaar oud zijn geweest, maar de geestdrift waarmee hij sprak, de precisie van zijn dictie, zijn moeiteloos overschakelen van academisch Engels naar straattaal, gaf mij een paar nieuwe ogen. ‘Ben ik zwart?’, vroeg ik hem. Hij begon te lachen, zei: ‘Vergeet dat politieke zwart toch’ en noemde me met een zoetgevooisde stem ‘beige’. ‘But you are one of us.’

In die tijd in de jaren negentig werd er nog gestotterd over ‘Afro American’ of ‘African American’, maar Murray maakte daar meteen een einde aan. Hij was een Amerikaan, geboren en getogen, en zijn voorvaderen waren dat ook al eeuwenlang geweest. Bovendien was deze literaire en sensitieve man tijdens de Tweede Wereldoorlog officier geweest in de Amerikaanse luchtmacht. Na die tijd voegde hij zich bij the United States Air Force Reserves, en werd als geopolitiek expert op verschillende buitenlandse bases gestationeerd. Hij had zijn land dus letterlijk verdedigd, als militair. Zo’n voorgeschiedenis is bepaald geen usance in schrijverskringen. Pas in 1962 keerde Murray terug naar New York en begon aan zijn artistieke carrière.

Tegensprekers

Meteen maar het probleem bij de hoorns. In de Angelsaksische wereld is het gewoon, zeker in academische kringen, om te spreken over ‘race relations’. Letterlijk vertaald ‘rassenrelaties’, en dat zou weer impliceren dat er meerdere ‘rassen’ zijn. Sinds ongeveer 1950 is met biologisch onderzoek vastgesteld dat er geen scherp van elkaar te onderscheiden rassen bestaan.

Maar zeker in de Verenigde Staten heeft een begrip als ‘race relations’ een politieke en sociologische lading gekregen, al was het maar om de grote, ook juridische ongelijkheid tussen donker en licht gekleurde Amerikaanse staatsburgers aan de orde te kunnen stellen. De burgerrechtenbeweging is wereldwijd een begrip geworden, en dr. Martin Luther King een ‘household name’, om het zo te zeggen.

Tegelijkertijd zien we dat de begrippen zijn veranderd: tijdens Kings leven was het heel behoorlijk over ‘the negro’ of ‘colored’ of ‘brown skinned’ te spreken: later werd ‘black’ het begrip bij uitstek, en nog weer later ‘Afro American’ en ‘African American’. Deze termen zijn voornamelijk losjes gebaseerd op verschil in uiterlijk, kleur en haartextuur, maar vinden hun wortels in wat de ‘one drop rule’ heet: het idee, vooral beleden in de zuidelijke Amerikaanse Staten, dat ‘één druppel zwart bloed’ zo iemand definitief ‘zwart’ maakt. Een verre, donkere voorouder was voldoende om gekleurde, gemengde Amerikanen over te hevelen naar het ‘zwarte’ kamp. Zo bleef de overzichtelijke tweedeling ‘zwart –wit’ in stand.

Nog steeds wordt de discussie over politiek en etniciteit in termen gevoerd van zwart en wit, ook in Europa, waar ‘bruin’ en ‘gekleurd’ wel degelijk een betekenis hadden. We spreken zonder stotteren inmiddels over ‘white fragility’ - witte lange tenen - en ‘racial healing’ zonder dat duidelijk is welke groep we op het oog hebben. Ook ‘black power’ is zeer onspecifiek.

Nu we zo veel begrippen importeren uit de Verenigde Staten, moeten we ook weten dat er altijd tegengeluiden zijn geweest, van kunstenaars, denkers en schrijvers. In een maandelijkse serie wil Stephan Sanders een aantal van hen belichten. Non-conformisten, die er veel aan is gelegen het ‘rassenidee’ te relativeren.

Neem de essayist, jazzcriticus en schrijver Albert Murray (1916-2013), op deze pagina’s geportretteerd. Hij was ervan overtuigd dat de ‘Amerikaanse ervaring’ niet viel voor te stellen zonder de ‘zwarte ervaring van voormalige slaven’: ook de geschiedenis van de Joden, Ieren, ’Native Americans’ en witte Angelsaksische protestanten hebben de natie gemaakt tot de huidige Noord- Amerikaanse.

Zelf sprak Murrray over ‘black, brown and beige’, want hij zag een etnisch continuüm, geen strikte kleurlijn. Ook schrijver Ralph Ellison (1913-1994), beroemd door zijn roman Invisible Man en een levenslange vriend van Murray, zal aan bod komen, en de onlangs overleden schrijver, dichter en jazzkenner Stanley Crouch (1945-2020), die zich in geestelijke zin door Murray liet adopteren. Bijzonder is ook het werk van filosoof en conceptueel kunstenaar Adrian Piper, die in werk en geschriften laat zien hoe poreus de grens tussen ‘zwart’ en ‘wit’ is.

Een serie over Amerikaanse ‘tegensprekers’, zwart, bruin en beige, die ons de gewetensvraag stellen: weten we eigenlijk waar we het over hebben, als we spreken over ‘zwart’ of ‘wit’?

Hij noemde zichzelf bij voorkeur een ‘brown skinned American’, niet omdat hij neerkeek op ‘black folks’, integendeel. Murray was een groot pleitbezorger van de black vernacular, de zwarte volkstaal die hij veelvuldig opvoerde in zijn boeken. Maar hij geloofde niet dat het in VS om ‘black versus white’ ging, maar dat brown en beige net zo goed meededen in de Amerikaanse familiesaga, evenals de ‘native Americans’.

Zijn bekendste boek, waarin hij die visie uitdraagt, is de essaybundel The Omni- Americans, verschenen in 1970. Murray valt met de deur in huis: ‘The United States is in actuality not a nation of black people and white people. It is a nation of multicolored people. (…) The people of the United States are being mislead by misinformation to insist on exaggerating their ethnic differences.’ (De Verenigde Staten zijn geen natie van zwarte en witte mensen, maar kennen een veelkleurige bevolking. De mensen worden misleid door desinformatie waardoor de etnische verschillen worden overdreven.)

Unieke cultuurmix 

In die radicale tijd, waarin juist het Afrikaanse van zwarte Amerikanen werd beklemtoond, was Murray de man die bleef hameren op de unieke cultuurmix die de zwarte Amerikaanse bevolking had toegevoegd aan het grotere Amerikaanse geheel. Voor hem waren de blues en later de jazz de grote muzikale vondsten die Amerika hadden bepaald als natie. In zijn standaardwerk Stomping the Blues schrijft Murray dat de blues weliswaar synoniem staan voor ‘low spirits’, maar dat het ‘meestampen’ met de blues ertoe leidde dat de zanger of muzikant zich al doende beter gaat voelen. Hier beschrijft Murray de blues zo ongeveer als een levensstrategie: ‘The blues is stomped by elegance, not force, with technique, not power, with joie de vivre, not rage.’

Het is meteen ook een beschrijving van het soort politiek dat hij voorstond. Murray was geen ‘zwarte nationalist’ die zocht naar een zwart thuisland. Hij was een hartstochtelijk Amerikaans staatsburger, die zichzelf, brown skinned en wel, zag als de kwintessens van de Amerikaanse cultuur.

Uit de tragedie van de gedwongen landverhuizingen van talloos veel Afrikanen naar de ‘nieuwe wereld’ was een cultuur ontstaan die flexibeler en leniger was dan waar ook ter wereld. De slavernij en de vrijheidsdrang die daar weer het logische gevolg van was, hebben de ‘vrije Amerikaanse muziek’ geboren laten worden, de blues en de jazz.

Murrays chauvinisme werd hem niet in dank afgenomen door de Black Muslims, de Black Panthers, en andere radicale zwarte nationalisten die het vertrouwen in wit Amerika hadden opgezegd. Murray wilde niet terug naar Afrika. ‘To what?’, vroeg hij zich af. Murray wilde dit Amerikaanse samenleven in al zijn veelkleurigheid, met al zijn etnische invloeden. En de raciale ongelijkheid vond hij een blamage, in grove tegenspraak met de belofte van de Amerikaanse grondwet.

The Omni-Americans paste niet in de revolutionair radicale tijd van eind jaren zestig, omdat het een geloof uitstraalde dat dit Amerika niet vernietigd, maar verbeterd moest en kon worden. Ik durf te beweren dat het boek ook nu weer voor ophef zal zorgen. Het debat over racisme en anti- racisme wordt tegenwoordig grotendeels gevoerd in termen van privileges en ‘white fragility’: de term ‘black’ wordt gebruikt als exacte tegenpool van ‘white’. Murray geloofde niet in die politiek-raciale tweedeling. 

Bovendien zag hij weinig in de radicaal- zwarte strategie van het oproepen van schuldgevoelens bij witte Amerikanen. Schuldgevoel oproepen, alla, maar intelligente actie is echt beter. De Black Lives Matter beweging zou hij met een sympathiek oog hebben gevolgd, maar de zwarte cultbeweging, met haar eigen exclusieve idioom zou hem hebben tegengestaan.

Met ‘intelligente actie’ bedoelde Murray al die bekende en minder bekende kunstwerken, van Ralph Ellisons roman Invisible Man en de muziek van Duke Ellington tot de beeldende kunst van Romare Bearden. Deze mensen lieten zien hoe het leven van beige, bruin en zwart Amerika werd geleefd. Sowieso keerde hij zich tegen ‘race oriented politics’, en in één moeite door tegen academici en sociaal wetenschappers die enkel achterstand en onrecht vonden in de zwarte gemeenschap. Murray raakte niet uitgepraat over het stijlgevoel van al die bruine en zwarte Amerikanen, dat zich uitte in hun manier van bewegen, hun muziek, en hun kledingstijl.

De werkelijke tegenmacht tegen ‘white supremacists’ zag Murray in de opkomst en ontwikkeling van een ‘geschoolde zwarte middenklasse’. En nee, hij vond niet dat die sociaal mobiele zwarte Amerikanen ‘hun ras verraden’, zoals toen nog al eens gehoord werd in revolutionaire kringen, wit of zwart. ‘The only thing they (white supremacistst) don’t tolerate from successful Negroes is arrogance.’

Albert Murray was zo’n ‘arrogante’ man, niet omdat hij zich kon beroepen op een aanzienlijke afkomst, maar omdat hij door studie en zelfstudie zo veel had geleerd dat hij op latere leeftijd tweemaal een eredoctoraat kreeg. Een publiek intellectueel die het zwarte straatleven niet romantiseerde, maar ook niet bij voorbaat criminaliseerde, omdat hij telkens weer werd getroffen door de vitaliteit van zwart Amerika. Het ouderwetse woord ‘levenskunst’ drukt Murrays optimisme nog het beste uit.

Henry Louis Gates, de bekende Afro Amerikaanse geleerde en historicus zei eind jaren negentig: ‘This is Albert Murray’s century, we just live in it’. De eeuw van Murray, die wij beleven. Dat is gerust een klaroenstoot te noemen. Inmiddels zijn Murray’s Collected Essays & Memoirs verschenen in de prestigieuze reeks Library of America. 1072 pagina’s dik. Aan lof en respect geen gebrek. Maar wel aan vertrouwdheid met zijn werk. Ook postuum verdient Albert Murray veel meer lezers.

In deze onregelmatige serie beschrijft en onderzoekt publicist Stephan Sanders Afro-Amerikaanse schrijvers die een belangrijke bijdrage hebben geleverd aan het racismedebat en ten onrechte onbekend zijn bij het Nederlandse publiek. Sanders laat zijn licht schijnen op onder anderen schrijver Ralph Ellison, jazzcriticus en schrijver Stanley Crouch, kunstenaar en filosoof Adrian Piper en journalist en schrijver Margo Jefferson.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden