De vrouw zonder achternaam

Iedereen kent Carmen, maar wie ze is, waar ze vandaan komt, wat haar plannen zijn, is een mysterie. Misschien dankt ze juist daaraan haar populariteit....

Carmen daagt José uit. Carmen wijst José af. Carmen sterft. Dat is, in het kort, de inhoud van de meest gespeelde opera aller tijden. Carmen, ofwel ‘de Carmen’, zoals vaak wordt gezegd. Zo’n lidwoord krijgen alleen opera’s van een bijzondere status: werken die iedereen kent, desnoods van horen zeggen.

De Nederlandse Opera begon 15 maart met de losse kaartverkoop voor een nieuwe Carmen-reeks die komende maandag in het Holland Festival van start gaat, met het Koninklijk Concertgebouworkest in de bak en met de mezzosopraan Nadia Krasteva in de hoofdrol. Bellers naar het bespreekbureau kregen vanaf de allereerste seconde al te horen dat alle voorstellingen van Bizets opera waren uitverkocht.

Dat was helaas een foutje in het telefoonmenu, waarvoor de Opera zich in haar kwartaalblad Odeon alsnog wenst te excuseren. Maar het was een geloofwaardig foutje.

Bizets Carmen is tabakarbeidster te Sevilla en smokkelaarster in de heuvels, beide beroepen vermoedelijk in deeltijd. Ze stelt zich graag in het middelpunt met een dans en een lied. Ze heeft de gave van de lach en van het o la-la, en kan op z’n tijd iemand de kaart leggen, ook zichzelf. Maar wie ze is, waar ze vandaan komt en wat haar plannen zijn, voor ze bij de poort van een stierenarena wordt neergestoken door een overspannen ex-minnaar, is een mysterie.

Dit moet een van de voornaamste redenen zijn van haar populariteit. ‘Zet een paar vrienden en vriendinnen bij elkaar, en laat die één voor één iets over Carmen zeggen. Wat blijkt: iedereen ziet een andere vrouw voor zich’, zei ooit de mezzosopraan Waltraud Meier, kort voor ze zelf als Carmen het operapodium opstapte in Dresden en New York.

Weinigen weten dat Mariss Jansons, de chef van het Concertgebouworkest met wie de Nederlandse Opera jaren geleden na behoedzaam aftasten en onderhandelen tot de keuze kwam van Bizets opera, een eigen, autobiografische Carmengestalte meedraagt in het achterhoofd. Zijn moeder was ooit de vaste Carmen van de Opera van Riga in Letland. Vader Arvid Jansons was er chefdirigent. Bij gebrek aan oppas voor de kleine Mariss fungeerde de repetitiezaal als kinderdagverblijf. ‘Blijf van haar af’, schreeuwde het kind tegen de argeloze tenor die moeder aan het mes reeg.

Jansons heeft de naderende festivalproductie de rug toegekeerd, niet wegens een jeugdtrauma, maar met het oog op de delicate conditie van zijn hart. Zijn vervanger is de nieuwe chef van de Nederlandse Opera, Marc Albrecht. Die blijkt bij Carmen vooral een kleur op het netvlies te hebben. In het blad Odeon noemt hij het stuk ‘rooddoorgloeid’.

Inderdaad zijn er weinig ontwerpers die de Carmenfiguur in andere kleuren schetsen dan rood, of rood met zwart, of (zoals het vrouwtje van de Maja-zeep, een soort nichtje van Carmen) zwart op rood. De liefde en de dood, vast en zeker. Maar Carmens psychische substantie verandert per operaproductie en per zangeres. Ook per danseres, per ballet, per actrice, per kunstschaatsster, per filmproductie. Naast dans- en musicalvarianten bestaan er inmiddels zo’n tachtig filmadaptaties. Maar nog steeds is zelfs haar achternaam onbekend.

Is Carmen een onverbeterlijke flirt, of is ze, zoals de grote Carmenvertolkster Teresa Berganza ooit bepleitte, ‘een vrouw die in staat is zich onvoorwaardelijk te geven, maar de pech heeft dat ze hetzelfde van haar tegenpartij verlangt’? Bizets muziek – geen ‘Spaanse muziek’ maar muziek zoals een Parijzenaar zich anno 1875 Spaanse muziek kon voorstellen – tekent iets uit, maar laat de rol zelf vrij invulbaar.

Vermoedens omtrent haar type zijn wel gerechtvaardigd. Het is meer Katja Schuurman dan Linda de Mol, meer Patricia Paay dan Willeke Alberti, meer Tina Turner dan Billie Holiday, meer Tania Kross dan Charlotte Margiono, meer Cora Cannemeijer dan Aafje Heynis, meer Joan Haanappel dan Sjoukje Dijkstra. Maar van alle eerstgenoemden heeft ze vermoedelijk maar een beetje.

De eerste Carmen die het podium van de Parijse Opéra Comique onveilig maakte in de premièreproductie van 1875 was 35, en heette Célestine Galli-Marié. Aan haar danken we Carmens vermaarde danslied over de wispelturigheid van de liefde (l’amour est un oiseau rebelle), want Galli-Marié was zo attent kort voor de première nog een pakkend opkomstnummer voor zich op te eisen. Georges Bizet, die als twintiger ooit naar Rome reisde, maar verder nauwelijks buiten het 14de arrondissement van zijn geboortestad is geweest, gaf haar een habanera. Een genre dat uit de kroegen van Cuba kwam, en in Parijs furore begon te maken. Bizet dacht dat het typisch Spaans was.

Nadia Krasteva, de Carmen van komende maand in het Amsterdamse Muziektheater, is een Bulgaarse met een achtergrond in de ritmische gymnastiek en het kinderkoor van Radio Sofia. Naast haar werk in de Wiener Staatsoper, die haar voor allerlei grotere mezzorollen inschakelt, reist ze door Europa – als Carmen, vooral. Ze ziet een gecompliceerde vrouw. ‘Engel en duivel in één’, zegt Krasteva in het blad van de Opera.

‘Ze is hartstochtelijk en warm, maar gedraagt zich aan het eind wreed tegenover José. Daarnaast heeft ze nog een mystieke dimensie, als een jonge heks die in haar eigen magische krachten gelooft.’ Carmen-regisseur Robert Carsen – de spelling scheelt maar een letter – valt Carmens ‘directheid’ op. ‘Ze handelt impulsief en helder.’

Akte 1: Micaëla, een meisje uit Navarra, zoekt in Sevilla korporaal Don José, een oude geliefde. Ze wil hem een bericht brengen van zijn moeder. Soldaten vallen haar lastig. Carmen en andere sigarettenmaaksters hebben pauze. Carmen zingt over de liefde en probeert tevergeefs Josés aandacht te trekken. Terug in de tabakfabriek raakt Carmen betrokken bij een vechtpartij. Een politiechef draagt haar over aan korporaal José. Carmen doet hem een sensuele belofte. José laat haar ontsnappen. José draait nu zelf de bak in.

De Franse schrijver Prosper Mérimée, die in de jaren 1840 na een reis door zuid-Spanje de quasi-autobiografische roman schreef die de oerbron werd van alles wat Carmen heet, noteerde een soort signalement. Ze is ‘klein, jong en welgeschapen’, meldt Mérimée. ‘Grote ogen. Een beetje scheef, maar prachtig gevormd.’ Volgens Mérimée hebben we te maken met ‘een vreemde, wilde schoonheid’.

Bij Mérimée worden in Sevilla uitsluitend sigaren gerookt. Pas in de opera van Bizet doet de sigaret zijn intrede. Er zijn meer verschillen: vergeleken met de roman van Mérimée is de opera verontprostitueerd, voor een goed deel verontcriminaliseerd en nagenoeg ontzigeunerd. De vraag is of Mérimée (hij stierf twee jaar voor Bizet aan zijn opera begon), zijn zigeunerin zou hebben herkend. Naakt zwemmen in de Guadalquivir, ijs eten, Mérimées horloge stelen, reizigers bespieden om te zien wat die bij een overval kunnen opleveren, naar de stad gaan om slachtoffers voor haar roversvrienden uit te zoeken, half en half getrouwd zijn met een zwervende bandiet, genaamd Garcia de Eenoog: dat was er voor Carmen in de Opéra Comique in elk geval niet meer bij. Bij Mérimée is de tot roverschap vervallen klabak Don José ook een ruigere kerel, een gelooide crimineel met talent voor eenzaamheid. Lijken stapelen zich achter hem op. Het meisje Micaëla, door Bizets librettisten bedacht als brave tegenhangster van Carmen, bestaat niet bij Mérimée.

Evengoed begon Bizets Carmen haar zegetocht in 1875 met een premièrefiasco. Naar verluidt waren bezoekers eerst nog gul met applaus, maar veranderde dat toen de heldin de tenor begon te sarren, en de tenor de heldin aan het mes reeg in plaats van nog lang en gelukkig met haar te leven. Vergelijk het met bioscooppubliek dat zijn kinderen The sound of music wil laten zien, maar door een vergissing van de operateur The night of the living dead krijgt voorgeschoteld.

Akte 2: Carmen stelt de tot soldaat gedegradeerde José schadeloos met hapjes en andere verwennerij. Intussen heeft ze al een oogje op de stierenvechter Escamillo, maar ze probeert José mee te nemen de bergen in, naar haar smokkelvrienden. José weigert te deserteren. Maar na een haantjesgevecht met zijn politiechef moet hij wel.

De Carmenfiguur is opgebouwd uit anarchie en charme. Ze weet dat mannen die haar in het vizier krijgen zich op een bepaalde manier gaan gedragen. Dat zingt ze zelf in haar habanera.

Van haar kant is Bizets Carmen vooral geboeid door mannen die haar kunnen missen, zoals de stierenvechter Escamillo, of haar niet zien staan. Haar belangstelling voor Don José wordt gewekt omdat deze outsider aanvankelijk geen oog voor haar heeft, anders dan de macho’s van zijn peloton. Ze laat hem vallen zodra hij niet buiten haar blijkt te kunnen.

Don José – noem hem een lijder aan verlatingsangst of een moederskind: hij katalyseert wel het subliemste moment van Bizets opera Carmen. Het is het duet waarin ze José tracht los te zingen van zijn vlag en zijn salarisstrookje, en hem langs de meetlat legt van haar vrijgevochtenheid. Ze probeert hem mee te tronen naar de bergen en ziet er tegelijkertijd van af, een spelletje van minder dan drie minuten vol kieteling en spot.

Akte 3: In het smokkelaarskamp leest Carmen zichzelf de kaart. Ze trekt de dood. Micaëla sluipt ongemerkt het kamp in, opnieuw op zoek naar José. De toreador Escamillo komt Carmen opzoeken en nodigt iedereen uit voor zijn volgende stierengevecht. Carmen gebiedt José op te hoepelen en met Micaëla mee te gaan naar zijn zieke moeder.

Wat een schuilplaats in de bergen waard is voor een serieuze bende, als jan en alleman er in de opera zomaar heen wandelt – zoals de stierenvechter; zoals de argeloze vreemdelinge Micaëla – is natuurlijk de vraag. Dat de verzamelde boeven en gangstermeisjes gezellig naar het stierengevecht in de stad kunnen, zegt nog wel het meest over de kwaliteit van de opsporingsdiensten in deze opera. Het blijft wel opéra comique, ofwel: lichtvoetige opera, al wordt dat in menige enscenering over het hoofd gezien.

Banditisme was rond 1840 endemisch in de bergen van zuid-Spanje. De grote Britse historicus Eric J. Hobsbawm, auteur van een studie getiteld Bandits (1969), ziet in Don José de gestalte van een historische bendeleider, de volksheld José Maria Cabacho. Dat was een overvaller die onder de bijnaam El Tempranillo of ‘ vroege vogel’ op klaarlichte dag reizigers van overtollige bezittingen ontdeed en verderf zaaide onder wetshandhavers. Een probleem waar de autoriteiten geen beter antwoord op wisten dan hem tot rijkswacht te benoemen, met de opdracht Andalusië te ‘beveiligen’. El Tempranillo werd in 1833 doodgeknald bij zijn jacht op weer een andere crimineel.

Niet gek gezien van de historicus, maar een Carmen-liefhebber kan Hobsbawm nooit zijn geweest. De Don José van Mérimée en Bizet was eerst politieman was en toen boef, en niet andersom.

Slotakte: Stierengevecht in de arena. Luidruchtig volk. Buiten bij de poort treft Carmen de geflipte Don José. Zij weigert bij hem terug te keren. José doodt Carmen.

Een femme fatale zal Carmen nooit worden, of zelfs maar willen zijn. Daarvoor zit er teveel beeldschoon tralala bij, met dank aan Bizet. En te weinig berekening, met dank aan zijn librettisten Meilhac en Halévy. Toestanden tussen mannen probeert ze te blussen in plaats van aan te wakkeren. Carmen is geen fatale vrouw, ze loopt tegen een fatale man aan.

Zoals het hoort in een goed gemaakt theaterwerk, bestaat Carmen bij de gratie van de karakters die haar omringen. ‘Micaëla wil José, José wil Carmen, Carmen wil Escamillo en Escamillo is alleen verliefd op zichzelf’, analyseerde de grote Carmen-regisseur Walter Felsenstein, ooit leider van de Komische Oper Berlin.

De grenzen van haar superioriteit vindt ze bij Escamillo, de snoever die de enige is tot wie ze ‘Je t’aime’ zegt. Die bekentenis is vermoedelijk maar spel, maar haar muziek onthult verrassende volgzaamheid: de melodie waarop haar ‘Ik hou van jou’ klinkt, is een volmaakte echo van een melodie die Escamillo eraan vooraf liet gaan.

Wat het verder waard is, daar kom je niet meer achter. Want toen begon het stierengevecht en de rest kennen we.

Om met Harry Kupfer te spreken, een regisseur die er 44 jaar over deed voor hij het stuk aandorst: ‘Alle opvoeringen van Carmen die ik heb gezien, hebben mij geërgerd. Toch ben ik een Carmen-fan.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden