Boekrecensie Pijn in het peloton

De vrees voor de val fietst altijd mee in Pijn in het peloton (4 sterren)

De frames kletteren rijkelijk tegen het asfalt in Pijn in het peloton dat is verschenen aan de vooravond van de Tour de France die zaterdag in de Vendée begint. Rob Gollin – zelf fietser –  las, keek en huiverde.

Beeld Leonie Bos

Pieter Cramer, Frans Bevers: Pijn in het peloton – 13 beruchte blessures bij wielrenners & meer ellende. De Arbeiderspers; 328 pagina’s; € 27,50.

Het is een klassiekertje in de reeks oorzaken van een valpartij tijdens het wielrennen: je schuift na wat meters kopwerk terug in het rijtje en stuurt net iets te vroeg in. Het voorwiel tikt het achterwiel van de voorganger aan en hup, daar ga je. Geen houden aan.

De schrik is er, in die anderhalve seconde van het besef dat het misgaat. Woest slingert het frame tussen de dijen. Het gaat dus gebeuren. De vrees voor de val fietste altijd mee, in al die jaren, zij het in de luwte. Iedereen weet dat hij of zij een keer aan de beurt komt. Nu ben ik.

De val zelf is niet eens ongenadig hard. De snelheid ligt niet hoog, nog geen 30 kilometer per uur. Er is geen gemene schuiver over het asfalt. Niemand van de achterop komende fietsers kwakt over me heen. De tuimeling eindigt zelfs in het vers gemaaide gras van de barmhartige berm.

Dat de gevolgen toch verder reiken dan enkele schrammen is wel meteen duidelijk. Het is tien seconden vechten om adem te krijgen. Het steekt in de linkerschouder. ‘Gaat het?’, is de vraag van de bezorgde metgezellen. ‘Jawel, het gaat wel’, is het logische antwoord. Natuurlijk gaat het. Niks aan het handje. Hier zit een stoere jongen in het gras. Die stapt zo weer op. Die heeft de profs dat al zo vaak zien doen. Geef hem maar even de tijd.

Er is ook meteen een bijna wonderlijke berusting. Een jaap in de vinger bij het schillen van de aardappels leidt onmiddellijk tot een woede-uitbarsting met jezelf als doelwit. Sufkont, kijk dan toch uit. Nu domineert vooral schouderophalen, al doet dat nu in letterlijke zin nogal zeer. Zelfs op het tamelijk armzalige niveau van zondagsfietsers geldt het adagium dat een val nu eenmaal bij het wielrennen hoort.

Bekende valpartijen

In het boek Pijn in het peloton, verschenen aan de vooravond van de Tour de France die zaterdag in de Vendée begint, kletteren de frames dan ook rijkelijk tegen het asfalt. De auteurs Pieter Cramer en Frans Bevers – respectievelijk vertaler en ontwerper – hebben zelf ervaring. Beiden hebben enkele fietsboeken op hun naam staan, zijn kilometervreters in het zadel en zijn ook zelf hard onderuitgegaan. Zodra ze omschakelen naar een dagaanduiding – het is 14 juni, 2014 – weet je al hoe laat het is. 

Het zijn bekende en minder bekende valpartijen. Vooral die van 6 juli 2012, bij Metz, in de eerste Tourweek van dat jaar, staat op het netvlies. Niet geheel ongepast maken ze de vergelijking met een oorlogsslagveld. Tientallen renners liggen kermend tegen de grond. De tenues van onder meer Lampre, Saxo-Tinkoff, Rabobank en Astana zijn de hedendaagse versies van het soldatenuniform. Tot de zwaarst gewonden behoort Wout Poels.

Cramer en Bevers beperken zich niet tot de beschrijving van de incidenten. De gevolgen reiken immers veel verder dan die eerste pijnscheuten. Aan de hand van tientallen interviews met betrokkenen – niet alleen met renners, maar ook met artsen, psychologen, coaches, verzorgers, motorrijders, fotografen – inventariseren ze de malheur aan lichaam en geest die de profs kan overkomen, en hoe ingrijpend en langdurend de nasleep kan zijn, variërend van een comeback tot einde carrière. 

Langs lijf en leden

Het mondt uit in een bijna klinische verkenning. Ze gaan lijf en leden langs voor de registratie van blessures, ongemakken en natuurlijke tekortkomingen, van hoofd naar schouder, naar hart, onderlichaam, benen en voeten.

Het palet is veelkleurig. Neem het gesleutel aan de vinger van John Degenkolb, die nog maar aan een paar draadjes hing nadat hij met zijn ploeggenoten tijdens een training in Spanje door een automobilist van de weg was geveegd. Er waren vijf operaties nodig voor een reconstructie. Tristan Hoffman legt uit hoe een knik in een slagader in zijn lies hem de entree tot de echte wereldtop belette. Een ingreep haalde niks uit. Annemiek van Vleuten ging na een min of meer vergelijkbare operatie juist nog harder fietsen. 

De derde bal passeert, of zoals journalist Peter Ouwerkerk het verwoordt, ‘een soort kippendijtje, een varkenshaasje, een slavink die onder je zak hangt’. Hij weet hoe het oogt. Zowel Joop Zoetemelk als Peter Post heeft hem de uitwas op het zitvlak in volle glorie getoond. Nee, veel zin in een extra rondje krijg je niet van het boek. De talrijke foto’s van gevallen, gehavende en uitgeputte renners maken de lust er niet groter op.

Geen romantiek

Het is dus geen romantische weergave van het grote lijden geworden – al komt de versleten metafoor dat fietsen voor het leven zelf staat, uiteindelijk wel even voorbij. Wel overheerst de bewondering voor het doorzettingsvermogen: het verbijten van de pijn, de ijzeren wil om meteen weer de draad op te pakken, de heilige overtuiging dat het beter zal gaan als ze straks weer op de fiets zitten, het koppig negeren dat het toch echt niet langer kan. Het maakt ze voor de auteurs tot helden. Wielrenners zijn geen normale mensen, schrijven ze ergens. Het is een wat hagiografische vaststelling, alsof er tussen boekhouders – de keus is willekeurig – geen types zitten die door roeien en ruiten kunnen gaan.

Dat pijn emotie is, vormt een rode draad in de zoektocht van de schrijvers, tenzij er te veel aan vitale onderdelen te los bij bungelt om de weg te vervolgen. Het zit tussen de oren. Kijk maar naar het verschil tussen de winnaar van de race en de nummer twee. Bij de eerste breekt de zon door op het gelaat, de ogen glanzen. Op slag zijn de gierende longen en de kramp in de spieren verdwenen. Hij juicht en omarmt zijn begeleiders en zijn ploeggenoten. Op het gezicht van de nummer twee kerven de ontberingen diepe sporen, de blik is dof, hij kan nauwelijks op de fiets blijven zitten. Enkele seconden zijn afdoende voor een wereld van verschil in beleving.

Die zondagochtend van de val lukt het niet om de pijn louter als emotie te ervaren. Het komt niet meer tot opstappen. De diagnose, later in het ziekenhuis, past ook al keurig in de staalkaart van veelvoorkomende kwetsuren in de wielrennerij: gebroken ribben – vier of vijf, dat konden de artsen niet precies zien op de röntgenfoto – en een gebroken sleutelbeen. Die laatste blessure is in het profpeloton, zo leert het boek, bijna het equivalent van het ongemak door een lekke band. Je bent er in elk geval een completere renner door geworden.

Maar sindsdien zitten er steevast wel wat meer centimeters tussen mij en mijn voorganger. Niet alleen de pijn zit tussen de oren, maar ook het vooruitzicht erop. Daarmee is de weg naar boven definitief afgesneden. Zo word je nooit een klasbak. Wat resteert is een bestaan als normaal mens.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.