De voorhof van het paradijs

In de oude kloosters verliep niet alleen het leven volgens strenge regels, maar ook de architectuur van de abdijen was aan regels gebonden....

MONNIKEN, zo zegt de regel, dienen de genoegens van buik en onderbuik streng onder controle te houden. Een schallende lach is volgens de kloosterregel onbetamelijk en zelfs obsceen.

De heilige Bernardus van Clairvaux vertelde eens aan zijn secretaris en laatste biograaf Geoffroy van Auxerre 'dat hij zich niet kon herinneren ooit voluit te hebben gelachen'. Hij had zich eerder moeten inspannen om te lachen dan om zich in te houden. In de kloostervertrekken wordt bij voorkeur de lach strikt ingetoomd. Luidkeels lachen mag niet en kan niet. Wie glimlacht deugt, luidt het gezegde, wie veel en luid lacht niet.

De afwijzing of op zijn minst de inperking van de lach tekent het denken van Bernardus. De regel is streng. Zintuigen kunnen het gereedschap van de duivel zijn. En de mond alleszins. Bernardus stond aan zijn zintuigen enkel nog toe 'wat nodig was voor het uitwendig contact met de mensen'.

Monniken zwijgen, behalve wanneer ze in de kerk zingen. Uit hun kelen en hun monden klinkt dan het gepsalmodieer. Het koorgezang klonk in de twaalfde eeuw, de eeuw van de heilige Bernardus, nog uitgesproken mannelijk. Het was een ridderlijk strijdgezang. Het gregoriaans werd krachtig en onstuimig gezongen. Je hoorde in de kloosterkerk geen zoetgevooisd engelenkoor, maar een fel en veelkoppig strijdend monastiek keurkorps.

In onze tijd echter is het 'stille tijd' in de kloosters, schrijft Laurens de Keyzer in zijn boek over hedendaags kloosterleven in Nederland en Vlaanderen. Weinigen voelen zich nog geroepen. 'Spreekt de geest van de cisterciënzers nog tot ons?', mijmert Bert Claerhout in Een leven van liefde, over het abdijleven in de lage landen. Het korps vergrijst, het gregoriaans verdwijnt van de kerkbanken naar de cd's.

De tijd staat stil. Maar is daarom 'het innerlijk avontuur', zoals de titel luidt van een recent boek over het kloosterleven van de benedictijnen, verdwenen? Is het geestelijk en cultureel patrimonium van de cisterciënzerabdijen nog actueel? En wie was die heilige Bernardus van Clairvaux, die lachen onbetamelijk en zelfs obsceen vond? 'De grootste geestelijke schoft uit de geschiedenis', schreef de Duitse dichter Friedrich Schiller. 'Een grootinquisiteur avant la lettre', meent de Franse historicus Jacques Le Goff. 'Een idealist', zegt zijn collega Georges Duby, die ons nog inspireert.

In 1115 stichtte de monnik Bernardus, drie jaar na zijn intrede in de orde van de cisterciënzers, in de afgelegen streken van Champagne het klooster van Clairvaux. Bernardus was 'de van honing vloeiende leraar', een charismatische monnik die in het spoor van zijn voorganger Romualdus de hele wereld 'tot één grote kluizenaarswoning' wilde maken. De regels van zijn kloosterorde - de benedictijnen - waren streng. 'Nietsdoen is de vijand van de ziel', daarom luidt de belangrijkste regel: ora et labora, bid en werk, dan 'wacht u de verlossing'.

De eerste daad van de zwijgzame monnik is het zich terugtrekken uit de wereld. De contemptus mundi, de wereldverachting, is zijn louterende en zuiverende opdracht, want 'het gehele hoofd is ziek, het gehele hart vol krankheid; van de voetzool af tot de schedel is er niets gaaf'. Hij vindt in het geriefelijke gepsalmodieer, het regelmatig zingen van de getijden, zijn monastieke roeping. Die strengheid regelt zijn bestaan binnen de muren van het klooster, dat volgens de regel niet in de stad maar 'in de bossen' werd gebouwd.

Het bos is de denkbeeldige woestijn, het kreupelhout waar de monnik zich doorheen worstelt naar - nog steeds volgens de regula - 'het heilige Jeruzalem'. Door de verzaking van de wereld en de strijd tegen haar verlokkingen bereiken de mannen Gods 'de voorhof van het paradijs': hun klooster.

Alles is er regelmaat, van de hora matina tot het completorium, van het eerste canonieke uur tot het slapengaan. Monniken zijn atleten van het geloof. Hun vrome pathos, 'de liefde tot God', is hun voornaamste regel; hun gemeenschappelijk en door de discipline geregelde bestaan behoedt ze voor verzoekingen en twijfel. Het klinkt in onze oren oubollig, overbodig streng en zelfs tiranniek. Maar zonder door regels vastgelegde orde is een monastieke levenswijze onmogelijk.

De regels bepalen niet alleen de dagorde maar ook de architectuur van het kloostergebouw. De ruïnes of nog bestaande kloosters herinneren aan de metaforiek van de architecturale stijl van de reguliere ordes. Alles is betekenisvol; er ligt een filosofie aan ten grondslag.

Een klooster is 'een citadel van het gebed', een heilige stad voor vrome monniken en monialen. De muur waarachter ze zich opsluiten, is het symbool van hun monastieke belijdenis. De door een galerij omgeven hof is vierkant, want 'dat drukt de bestendigheid van het hemelse paradijs uit', schreef Dionysius de Areopagiet, 'omdat de vierkante lichamen ongetwijfeld in rust blijven en niet bestemd zijn voor de omwentelingsbeweging waardoor de hemellichamen worden meegevoerd'. Elke steen heeft zijn welgekozen vorm. Alles in de cisterciënzerkunst is teruggebracht 'tot de scherpe contouren van een structuur' die het kloosterleven vormgeeft. Bos, muur, tuin of fontein zijn allegorisch.

In de Nederlandse vertaling telt de leefregel van de benedictijnen zowat zeventig bladzijden, 73 hoofdstukken over het kloosterleven. Het is 'de leidraad voor een evenwichtig leven', een door de kloosterklok georganiseerde regelmaat en orde die in het boek van Claerhout voor onze huidige tijd wordt geprezen als 'een uitzonderlijk vruchtbare therapie voor wie door de grote versnelling van de twintigste eeuw dreigt te worden dolgedraaid'. De monastieke deugd van de moderatio, het maatgevoel, behoort wellicht tot het meest inspirerende erfgoed van de kloostergemeenschappen. Bernard Besret, de gewezen prior van de Bretonse cisterciënzerabdij van Boquem, pleit 'voor de herwaardering van de monastieke levenskunst in het dagelijks leven'.

Besret werd, na tussenkomst van het Vaticaan, als prior afgezet en trok zich sindsdien uit de Kerk terug. Maar hij koestert nog steeds het traditionele erfgoed van het monastieke leven, dat 'achter zijn hoge muren en met zijn anachronistische dagindeling schatten verbergt die behoren tot het patrimonium van de mensheid'. De kloostergeest, vindt de ex-prior, is gericht op 'een ecologie van de geest'. Het is een plek voor wie zich, in onze 24-uurseconomie, wil onthaasten.

Tradities zijn weliswaar tradities, maar de eeuwen volgen elkaar op. Het vrome en geordende kloosterleven, dat deel uitmaakt van ons culturele erfgoed, zal ongetwijfeld verdwijnen. Maar het monastieke repertorium, dat de geest en het lichaam zuivert, kan ons nog inspireren. 'Onze opvolgers zullen verder kijken dan wij', concludeert de visionaire abt van het Franse La Trappe, 'net als die apostelen die in de ramen van Chartres op de schouders van de profeten zitten en meer kunnen zien dan hun voorgangers.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden