Architectuur Natuurmonumenten

De visie achter drie bijzondere bouwwerken die Natuurmonumenten dit jaar opleverde

De moderne mens wil de natuur graag actief beleven. Natuurmonumenten speelt daar op in door hun landschappen te omlijsten met architectuur. Wat is de visie achter hun bouwwerken?

Het kunstwerk Deltawerk //, door Raaaf en Atelier de Lyon gemaakt van een voormalig golfbassin in het Waterloopbos bij Marknesse. Beeld Jan Kempenaers

Rust, ruimte, bijzondere planten en ijsvogels;  dat is het Waterloopbos bij Marknesse in de Noordoostpolder. Waterbouwkundig ingenieurs bouwden er tussen de jaren vijftig en negentig enorme schaalmodellen om ontwerpen voor havens en waterwerken te testen. Het gebied heeft alles wat je van een natuurgebied verlangt, plus die ruig-romantische maquettes, overwoekerd door groen. Toch kennen de meeste mensen het bos, dat tegenwoordig door Natuurmonumenten wordt beheerd, niet. Het pas geopende kunstwerk Deltawerk // moet daar verandering in brengen. Vanuit het besef dat een indrukwekkende binnenkomst het halve werk is, is het voormalige golfbassin – een 250 meter lange betonnen bak in een aarden wal, die de ontwerpers hebben uitgegraven en opengezaagd – omgetoverd tot een brute entreepartij. Het ziet er uit alsof reuzen domino hebben gespeeld; de uitgezaagde betonplaten zijn achter elkaar gezet en vervolgens een tik gekanteld.

Deltawerk // is er een in een reeks bijzondere bouwwerken die Natuurmonumenten het afgelopen jaar opleverde, waaronder het spectaculair overhangende uitkijkpunt bij de ENCI-groeve in Maastricht en het regiokantoor bij Zierikzee met ‘olifantshuid’ van schuimbeton. Ze passen in de uitkijktoren- en theepaviljoentrend, waarbij architectuur en natuur met elkaar verbonden worden. Als een Hollandse meester krijgt het landschap een schilderijlijst die het kadert. Wat wil de natuurorganisatie met deze aanpak bereiken?

Architectuur en natuur zijn in Nederland niet los van elkaar te zien. Ons hele land is immers ontworpen; van de polders met hun molens, tot de Nieuwe Hollandse Waterlinie met zijn forten, tot de talrijke landgoederen met kastelen. In de gebieden van Natuurmonumenten staan maar liefst 1700 gebouwen. De vereniging, opgericht in 1905, doet er aanvankelijk er weinig mee; het werk draait om het beheren van groen. Pas eind jaren tachtig wordt een bouwkundige aangesteld voor het onderhoud van het vastgoed.

Tegelijk begint de grote groei van de stad, waarmee de behoefte aan (beschermde) natuur als ‘vrije uitloopgebied’ van de stedeling toeneemt, getuige het stijgende aantal leden van natuurorganisaties. We willen de natuur actief beleven, bijvoorbeeld in een moderne wildobservatiepost van staal en spuitbeton, zoals Natuurmonumenten begin jaren negentig realiseert op de Elsberg in Dieren. Het project leidt tot een interne discussie. Men is gewend om zelf hutjes te timmeren; past dit wel in de natuur? De toenmalige directie besluit van wel, waarna een eerste golf van eigentijdse uitkijktorens, vogelkijkhutten en restaurants volgt. Architectuur die op waardering kan rekenen: met het Posbank paviljoen op de Veluwe, de uitkijktoren in Fochteloërveen en de renovatie van landgoed Koningshof in Overveen wint Natuurmonumenten in 2003 de Gouden Piramide, de Rijksprijs voor inspirerend opdrachtgeverschap in de architectuur.

Pas als architect Madeleine Maaskant in 2010 wordt aangesteld als hoofd van de afdeling Gebouwen, wordt vastgoed tot een volwaardig onderdeel van Natuurmonumenten. Om het erfgoed onder de aandacht van het publiek te brengen, wordt het boek Verborgen schatten uitgebracht, een overzicht van de mooiste gebouwen; er worden ruim 100 duizend exemplaren verkocht. Maaskant ziet dat de behoefte aan ‘mythische verhalen’, die plekken verbinden met de geschiedenis, toeneemt in ons hectische gedigitaliseerde bestaan. Ze maakt zich sterk om bij de ontwikkeling van dat soort verhalen goede architecten te betrekken, die nieuwe visies op de relatie tussen architectuur en natuur kunnen ontwikkelen. Zo komen bureaus als RAAAF en Atelier de Lyon in beeld, die eerder een bunker doorzaagden; een bouwwerk dat prompt een gemeentelijk monument werd. In het Waterloopbos presenteren zij een nieuwe erfgoedstrategie: actieve ruïne-vorming. Het beton van het golfbassin zal in de loop der tijd begroeid raken met mossen en varens.

De nieuwe projecten zijn gedurfd, vanwege het experimentele karakter, maar ook omdat ze de opmaat vormen voor de herontwikkeling van grote gebieden met erfgoed waarvan nog niet bekend is hoe het (her)gebruikt zal worden en deel uitmaken van het landschap. Dat betekent dat er nog veel moois in het verschiet ligt, maar ook dat er voor Natuurmonumenten werk aan de winkel is. De vereniging heeft inmiddels een naam hoog te houden als het aankomt op ruimtelijke kwaliteit.

Deltawerk//, Rijksmonument Waterloopbos, Marknesse

Ontwerp: RAAAF en Atelier de Lyon

Beeld Jan Kempenaers
Beeld Jan Kempenaers

Lange tijd wist Natuurmonumenten zich geen raad met het Waterloopbos, waar architectuur en natuur met elkaar in conflict lagen; de gigantische schaalmodellen die de ingenieurs van het waterloopkundig laboratorium in de jaren vijftig bouwden, werden overwoekerd door planten met beschermde status. Totdat de vereniging in 2012 samen met de Rijksdienst van Cultureel Erfgoed het Duitse Insel Hombroich bezocht, een openluchtmuseum waar je door een parkachtig landschap met water en knotwilgen loopt terwijl je kunst bekijkt in beeldentuinen en paviljoens. Een trekpleister van jewelste, en een inspiratiebron voor de herontwikkeling van het gebied waarvoor RAAAF en Atelier de Lyon het plan maakten. De transformatie van de zogeheten Deltagoot tot hoofdentree is de eerste stap in de herontwikkeling van het gebied tot natuur- en Deltamonument.

Wat (bouw)kunst de natuur te bieden heeft? ‘Verbeeldingskracht’, antwoordt landschapsarchitect Ronald Rietveld van RAAAF. ‘Zeker in natuurgebieden met erfgoed is het een geschikte manier om de culturele betekenis van een plek zichtbaar te maken, zonder te historiseren of te vervallen in bordjes met bijschriften.’ Met hun kunstwerk willen de ontwerpers het idee van het Waterloopbos ter discussie stellen. ‘Het golfbassin, waarin tsunamihoge golven werden nagebootst om het ontwerp voor de Deltawerken te testen, werd gebouwd met als doel een onverwoestbare delta te bouwen’, vertelt Rietveld. Is het realistisch dat we met enorme dijken de stijgende zeespiegel kunnen blijven pareren? ‘Door dit monument van de Nederlandse strijd tegen het water uit te graven, staat het nu zelf in het water.’ Om de brute kracht van de golven die ooit door de bak denderden ervaarbaar te maken, zijn enorme platen uit de muren gezaagd, die gedraaid en geopend zijn richting het bos. Nu zie je welke immense constructie nodig was om het water tegen te houden: tachtig centimeter dik beton, zes meter hoog.

Uitkijkpunt ENCI-groeve, Maastricht

Ontwerp: Rademacher de Vries architecten

De trap die architectenbureau Rademacher de Vries in opdracht van Natuur monumenten ontwierp voor de mangelgroeve van de Eerste Nederlandse Cementindustrie in Maastricht. Beeld Rademacher de Vries architecten
Beeld Rademacher de Vries architecten
Beeld Rademacher de Vries architecten

Al toen de Eerste Nederlandse Cementindustrie (ENCI) in 1926 begon de kalksteengrond van de Sint Pietersberg af te graven, was het plan om van de vallei die zo ontstond een natuurgebied te maken. Deze zomer beëindigde ENCI haar activiteiten en droeg (een groot deel van) de mergelgroeve met natuurbad over aan Natuurmonumenten. Architectenbureau Rademacher de Vries maakte het plan voor de geleidelijke transformatie tot recreatiegebied, waarin ruimte is voor een aantal gebouwen.

Het eerste voorstel dat zij als supervisor moesten beoordelen: een bezoekerspaviljoen in de vorm van de kop van een prehistorische mosasaurus, waarvan enorme skeletten zijn gevonden tijdens het graven. Het hoge kitschgehalte was ‘even schrikken’; ze vreesden dat het gebied in een pretpark zou veranderen – denk aan hoe het landgoed Hellendoorn vergaan is. Natuurmonumenten zag het ook niet zitten, waarop de architecten zelf een ontwerp mochten maken voor een uitkijkpunt met trap, die toegang geeft tot de groeve. ‘Een kijkmachine’, noemt architect De Vries het ‘zwevende’ uitkijkpunt. ‘Het laat je midden in de natuur staan, terwijl de harde lijnen en de contrasterende materialen – staal, beton – voelbaar maken dat dit landschap door mensen gemaakt is.’ De trap heeft ook een pragmatische kant: het is een dwingende wandelroute, noodzakelijk om de veiligheid – denk aan bescherming tegen vallend gesteente - te waarborgen. ‘Maar beheersbaarheid is ook belangrijk voor de gevoelige natuur. Hoe bescherm je die tegen het publiek, dat je nodig hebt om het beheer te financieren?’ Toen de trap geopend werd en Maastrichtenaren massaal in het natuurbad gingen zwemmen, werd het gevaarlijk druk en moest de trap tijdelijk gesloten worden. Het toont het spanningsveld waarin natuurorganisaties opereren, tussen bescherming en exploitatie van de natuur.

Regiokantoor Natuurmonumenten, Zierikzee

Ontwerp: Max Rink en Niels Tilanus

Het regiokantoor Natuurmonumenten in Zierikzee. Beeld Matthijs Labadie
Het regiokantoor Natuurmonumenten in Zierikzee. Beeld Matthijs Labadie

Bouwwerken als molens en watertorens zijn ontworpen met een duidelijke functie (polders droogmalen, drinkwatervoorziening), maar we waarderen ze ook als ijkpunten in ons vlakke landschap, en als ‘steenmannetjes’ tijdens wandel- en fietstochten. Het nieuwe flexkantoor bij Zierikzee, door Niels Tilanus en Max Rink ontworpen als een enorme zwerfkei, vervult eenzelfde dubbelrol: het is een (flex)werkplek en tegelijk een herkennings- en trefpunt, vanwaar wandelingen vertrekken.

Het project vormt het sluitstuk van een natuurherstelplan uit de jaren negentig, waarmee de schade die met de bouw van de Deltawerken aan de natuur is toegebracht, ‘gerepareerd’ wordt. De geleidelijke overgang tussen zout en zoet water verdween destijds, en daarmee het leefgebied van kustvogels als de tureluur. Nu zijn de kreken weer opengegraven en keren zoutminnende planten en dieren terug.

De ‘zwerfkei’ moest in dit landschap passen, maar ook opvallen. ‘De provincie heeft flink geïnvesteerd in het natuurherstel, dan moet het wel beleefbaar zijn’, legt Tilanus uit. Het gebouw is zo ontworpen, dat het op den duur als bezoekerspaviljoen kan functioneren. Omdat het pand, dat op een afgelegen plek staat, ‘hufterproof’ moest worden en de vergoeding van de verzekering beperkt was, gebruikten de architecten een nieuw materiaal: massief glasschuimbeton, dat constructie, isolatie en afwerking in één is. De glasschuimkorrels die bij het storten van het beton komen bovendrijven, hebben ze zichtbaar gelaten, wat een ruw geveloppervlak geeft; alsof het gebouw met modder is ingesmeerd. De architectuur ondersteunt het natuurherstel; de ruwe gevel biedt kansen aan korstmossen om zich te hechten.

Nieuwe natuur

Het nieuwste natuurgebied van Nederland is de Marker Wadden, een groep natuureilanden in het Markermeer. De eilanden zijn nog in aanleg, maar het hoofdeiland is sinds september toegankelijk voor publiek. Ook hier moet architectuur de natuurbeleving versterken: er zijn al drie markante vogelkijkhutten, de komende winter wordt een bezoekerscentrum met horeca gebouwd, waarvoor architectenbureau Ziegler Branderhorst de prijsvraag heeft gewonnen. 

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.