beschouwing virtuositeit

De virtuoze weet het voorstelbare op te rekken

Isaac Israëls: Lido Venetië (1925-1930), Frans Hals Museum, Haarlem. Beeld Frans Hals Museum, Haarlem

Na decennia van vrije expressie is technisch knappe schilderkunst niet verdacht meer; zie de expositie Virtuoos! in Haarlem. Maar wat hebben die apen er te zoeken?

Jozef Israëls had een zoon, Isaac (1865-1934). Hij was ook schilder. Zijn doeken waren wat mondainer dan die van z’n vader. Zonnebaders op het strand en etalageklevers op de Zeedijk: daar hield Israëls junior van. Zijn schilderijen getuigden ook van meer talent dan die van Jozef. Qua zwier en directheid stak Isaac zijn vader moeiteloos naar de kroon. Het leek wel alsof het bij hem, tak, tak, tak, allemaal vanzelf ging. Vanzelfsprekend is hij ruim vertegenwoordigd op de zomerexpositie over virtuositeit in het Frans Hals Museum in Haarlem (locatie: Hal), Virtuoos!

Volgens de Van Dale is een virtuoos ‘iemand die ergens heel goed in is’, een prima definitie. Men kan virtuositeit ontwikkelen in zo’n beetje elke denkbare activiteit: gitaarspelen, dansen, acteren, tekenen, schilderen. Een voetballetje hooghouden? Zeker, waarom niet. Een virtuoos blinkt uit in dergelijke zaken, maar hij verandert ze ook, soms: hij verrijkt de mogelijkheden ervan. Je had gitaarsolo’s voor en na Jimi Hendrix, en die twee zijn niet dezelfde, zoals er scratch-routines voor en na Dj Qbert bestonden, waarbij ‘na’ oneindig complexer en gevarieerder is dan ‘voor’. Getuige zijn van een virtuoos, is ervaren hoe het voorstelbare wordt opgerekt. Virtuositeit verwondert.

Tegenwoordig associëren we deze verwondering vooral met de uitvoerende kunsten, en dan in het bijzonder met jazz en klassieke muziek. Zeg virtuoos, en voor het geestesoog verschijnt de archetypische vingervlugge violist. Uiteraard speelt hij Paganini, de legendarische componist wiens stukken dusdanig gecompliceerd waren dat ze geassocieerd werden met inmenging van de duivel. Onze denkbeeldige violist heeft er hard op gestudeerd. Zijn vingers maken onmogelijke sprongen, ze buigen en strekken als een acrobaat, grijpen meerdere noten tegelijk; z’n strijkstok vertolkt een driedubbelrol. Z’n spel is mooi, maar zelden gevrijwaard van prestatiedrang. Hij verhoudt zich tot z’n partituur als een alpinist tot een te bedwingen berg. Voor schilders spelen zulke zaken minder. Die kunnen de berg zo hoog of laag maken als ze willen.

Frans Hals: Portret van Jean de la Chambre (1638). Beeld Getty

Evengoed vind je ook onder beeldend kunstenaars virtuozen. Technisch uitzonderlijk begaafde makers: niks zeldzaams aan. De gezwind werkende types komen als eerste in gedachten, maar ook onder de exacter werkende varianten zijn er met grote kunde. De met vaart neergezette Hollandse burgers van Frans Hals en rake karikaturen van Henri de Toulouse-Lautrec getuigen van virtuositeit. 

Henri de Toulouse-Lautrec: Buste van Marcelle Lender (1895). Beeld Getty

Ook doorwerkte stillevens van Dick Ket... 

Dick-Ket: Stilleven met broodjes (1935). Beeld public domain

Of de met engelengeduld gefabriceerde interieurtjes van Gerrit Dou getuigen van virtuositeit. Het kan betrekking hebben op klein of groot, op net of los, op disegno of colore. Virtuositeit kent vele gezichten, en dan nog enkele.

Gerrit of Gerard Dou: De Bijbel lezend (ca. 1645). Louvre, Parijs. Beeld Getty

Voor de goede orde: het is geen absoluut kwaliteitskeurmerk, virtuositeit. Er bestaat goede kunst die toch niet virtuoos is, zoals de zwaar bevochten stillevens en landschappen van Paul Cézanne of de doorwerkte portretten en riviergezichten van Willem den Ouden, en virtuoze kunst die niet om aan te gluren is, zoals de uit de verte indrukwekkende, maar van dichtbij vlakke eliteportretten van Giovanni Boldini; bovendien heeft virtuositeit soms een negatieve connotatie. In recensies wordt het nogal eens gebruikt als eufemisme voor gevoelsarme uitsloverij. Virtuositeit is veranderlijk en verraderlijk. Het is een begrip waarvan de betekenis per moment verandert.

In de tentoonstelling in Haarlem staat virtuoos synoniem voor levendig. ‘Virtuositeit,’ schrijft samensteller Antoon Erftemeijer in de catalogus, ‘is geen stijl, maar meer een techniek, een manier van schilderen’ (Is virtuositeit werkelijk een techniek? Is het niet eerder een kwalificatie van een techniek?), en die manier is ‘los’, ‘vrij’, ‘spontaan’, ‘direct’, ‘vitaal’, zoals Breitner en Verwey het metier graag zagen, kortom. Dat is een nauwe opvatting van het begrip, en het pakt niet erg gelukkig uit. Virtuoos! blijkt in de praktijk niet zozeer te gaan over meesterschap, als wel over allerhande soorten expressionisme: figuratief, abstract, omfloerst kleurrijk, en woest kolkend. (Expressief! was een betere titel geweest). Het is een warrige en soms ook verwarrende presentatie vol losse aanzetten, waaronder snapshots, kindertekeningen en kladders gemaakt door chimpansees. Het gros van de kunstwerken dat er valt te zien is allesbehalve virtuoos.

Coba Ritsema: De groene rok (ca. 1935). Frans Hals Museum, Haarlem. Beeld Frans Hals Museum, Haarlem

Maar het begin is overtuigend. Met Isaac Israëls, Coba Ritsema en Thérèse Schwartze waren de kleuterjaren van de 20ste eeuw zeer rijk aan waarachtige virtuozen. De Amsterdamse society-portrettist Thérèse Schwartze stak er boven uit. In het Rijksmuseum keek u wellicht al eens naar het vaardige portret dat ze schilderde van haar nichtje, Lizzy Ansingh, ook schilder, of het niet minder vaardige portret van de onbekende dame met de mooie hond, Puck; Schwartzes familieportret van Mevrouw Ogtrop-Hanlo met haar vijf kinderen is van hetzelfde hoge niveau. 

Het is een waanzinnig ingewikkeld stuk, waarin kleur, toon, licht en plastiek perfect op elkaar zijn afgestemd, een prestatie vergelijkbaar met het sluiten van een vredespact tussen vier krijgszuchtige buurlanden (schilderen is diplomatie). De koppen zijn levendig en ruimtelijk – virtuositeit heeft te maken met kennis van het menselijke fysiek. De kleding, vervolgens, is neergezet met bravoure en vaart – virtuositeit heeft te maken met trefzekerheid. ‘Zij haakte naar het Schwungvolle gebaar, naar verblindende verve’, merkte een collega treffend over haar op, en meer dan dat: zij deed het met ongeëvenaarde overtuiging, waarlijk virtuoos. Verderop in de expo wordt dat minder en minder.

Thérèse Schwartze: Portret van een jonge vrouw met de hond Puck (ca. 1879-1885). Beeld Sepia Times/Universal Images Gro

Bij Appel en de andere Cobra-mannen zoekt men er naar. Zij hebben zich ook nooit laten voorstaan op hun virtuositeit. Sterker, ik vermoed dat die Cobra-schilders weinig ophadden met het streven naar technische excellentie. Het idee dat ze aan rotzooiden is lang en breed ontkracht, maar dat ze in ambachtelijke perfectie een ideaal zagen, lijkt me evenmin waar. Niet de zwaar bevochten controle van de grootmeester, maar de vermeende spontaniteit van het kind stond hun ten voorbeeld. Ze waren even weinig virtuoos als de Sex Pistols. Wat doen ze hier eigenlijk?

Men stelt zich die vraag vaker in deze tentoonstelling. Niet bij de abstracte schilder Kees van Bohemen en bij Lucebert. Wel bij talrijke andere exposanten. Ik bedoel: al dat generieke geactionpaint en inwisselbare gecolourfield, moet dat werkelijk doorgaan voor virtuositeit? Ook het gooi-en-smijtwerk van ‘gewone jongen’ Jan Cremer? Ook die banaan in schmutzige kleuren van Wieske Wester? En die paar groene strepen met een zwart lijntje erdoor van Willem Hussem, is dat ook virtuoos? Die serie krabbels gemaakt door dierentuinapen toch zeker niet? De expositie maakt het moeilijk om invoelend te zijn. De selectie lijkt soms gemaakt met de ogen dicht.

Karel Appel: Moeder, kind en grote vogel (1951). Frans Hals Museum, Haarlem. Beeld Frans Hals Museum, Haarlem / Pictoright

Het is een gemiste kans. De timing is namelijk wel goed. Virtuositeit – het geldt weer als een nastrevenswaardig ideaal. Goed, de gemiddelde kandidaat voor de Koninklijke Prijs voor Vrije Schilderkunst tekent nog steeds twee straatlengten slechter dan een middelmatige Academiestudent in het Parijs van rond 1900, maar na decennia van conceptualisme en vrije expressie ontwaart men sinds een jaar of tien een onmiskenbare terugkeer naar ambachtelijkheid en, in het verlengde daarvan, virtuositeit. Je ziet het aan de populariteit van een tv-programma als Het geheim van de meester, waarin wordt uitgelegd hoe geschilderde meesterwerken door de eeuwen heen tot stand kwamen, en bij kunstacademies, waar denken en praten weer gezelschap kreeg van maken. Men ziet het ook terug in de recente sterke presentaties van bijvoorbeeld Christiaan Kuitwaard (Museum Moore) of Erik Mattijssen (Schiedam), makers die vrij zijn in hun hoofd en hun handen. Een volwaardig reveil der virtuozen? Zover is het nog niet. Maar er is zeker iets aan de hand.

Ali Banisadr: Foreign Lands (2015). Olbricht Collection. Beeld Courtsey of the artist and Galerie Thaddaeus Ropac

À propos virtuoos: tot het eind augustus loopt in het Noordbrabants Museum in Den Bosch een tentoonstelling van de Iraanse schilder Ali Banisadr (1976). Banisadrs helden zijn Titiaan, Veronese en, in het bijzonder, Bosch. Helden is niet het goede woord, excuus. Die goede dode schilders zijn Banisadrs graadmeter: hij spiegelt zich aan hen. Zijn schilderijen verraden vergelijkbare ambities. Ze zijn heel groot en heel vol. Ze zien eruit als Bosch waar een algoritme mee aan de haal is gegaan. Ze bevatten figuren, of beter: aanzetten daartoe: vleugels, uitstulpingen, vegen, halen, het is te veel om op te noemen. Alles beweegt, alles stroomt, het barst totaal uit z’n voegen en toch wordt het nergens een rommeltje; schilderijen als deze zag je niet eerder. Ze getuigen van een fabelachtige verbeeldingskracht, beteugeld door een virtuoze techniek. 

Echt virtuoos. Hier wel.

Virtuoos! Israels tot Armando. Frans Hals Museum, Haarlem, t/m 3/11.
Ali Banisadr:  Foreign Lands. Noordbrabantsmuseum, Den Bosch, t/m 25 /8.

Thérèse Schwartze (1851-1918)

Rond 1900 gold Thérèse Schwartze als ’s lands meest gereputeerde portrettist, ongeveer zoals Koos Breukel of Erwin Olaf nu. Ze portretteerde de adellijke elites van Amsterdam en Den Haag, en ook leden van het koningshuis; koningin Juliana schilderde ze bijvoorbeeld als peuter. Ze werkte snel, naar verluidt. ‘Lang poseeren begeerde zij niet,’ noteerde een tijdgenoot, ‘ingespannen voorafgaande studie van persoon of karakter was haar werk niet […] Een korte begroeting en de séance begon. Vlug werd de eerste schets opgezet onder voortdurende kout (geklets), waaraan de schilderes zelve met uit den aard der zaak ietwat afwezige oplettendheid placht deel te nemen, of onder voorlezing van een boeienden roman of zelfs de krant.’ In 1906 was Aleida van Ogtrop-Hanlo aan de beurt, en wel met haar vijf kinderen, vier meisjes, een jongen, hun namen luiden, van links af: Adriënne (bijnaam: ‘Zus’), Pieter (‘Piet’), Maria (‘Misel’), Eugènie (‘Toetie’) en Adèle (‘Kees’), later zou daar nog een meisje bij komen, Joanna (‘Jennie’). 

Het schilderij vormt de tegenhanger van een portret dat Aleida’s echtgenoot, de Amsterdamse effectenhandelaar en bestuurder Henricus Joannes van Ogtrop door Isaac Israëls liet schilderen, een wat formeler portret, zakelijker. ‘Landelijk dromerig’ wordt Schwartzes schilderij genoemd op de website van het Centraal Museum; een rake typering: ‘dromerig’ is het zeker. Komt door de in snelle, vinnige verfstreken neergezette kleding en achtergrond; zij geven het portret iets onbestemds. De Ogtrop-Hanlo clan lijkt aan je te verschijnen als in een visioen. 

Het portret dateert uit de gloriejaren van de familie. Acht jaar nadat het werd voltooid, overleed Henri van Ogtrop, zijn familie achterlatend in rouw en schulden. Aleida knakte door het verdriet, en werd opgenomen in een psychiatrische inrichting, waar ze zou blijven tot haar dood in 1944. Haar erven brachten het schilderij daarop onder in openbaar bezit, eerst bij het Stedelijk Museum in Amsterdam, daarna in het Utrechtse Centraal Museum. Dat laatste instituut kocht het in 2009.

Thérèse Schwartze: Portret van Aleida van Ogtrop-Hanlo en haar vijf kinderen (1906). Centraal Museum, Utrecht. Beeld Getty Images

Apenstreek

‘Pierre Brassau schildert met krachtige streken, maar ook met vastberadenheid’, kon men in de jaren zestig lezen in een tentoonstellingsrecensie in een Zweedse krant. De grap was dit: Brassau heette in werkelijkheid Peter. Hij was een chimpansee uit de dierentuin. Men had hem laten schilderen en het resultaat bij wijze van test getoond aan kunstcritici. Grappig. Maar het bewijst geenszins dat apen virtuozen zijn. Hooguit dat hun maaksels gedurende een kort moment in de geschiedenis gelijkenissen vertoonden met wat er door sommige schilders werd geproduceerd.

Een chimpansee in de Londense dierentuin toont zijn jongste schilderij, 1955. Beeld Getty Images
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden