De vijf lievelingsbeesten van Caspar Janssen

Natuurlijk zijn alle beestjes Caspar Janssen even lief, maar nu zijn boek In de ban van het beest verschijnt (gebaseerd op zijn rubriek Beestje van de week in Sir Edmund) dwingen wij hem te kiezen: welke vijf beesten zijn je het liefst?

De steenmarterBeeld Anne Geene

De zwarte specht

'Ik kijk met de ogen van de specht', zei Willem van Manen, in één van de eerste afleveringen van de rubriek Beestje van de week, in Sir Edmund, de zaterdagse bijlage van de Volkskrant. Van Manen deed jarenlang nestonderzoek bij zwarte spechten. Hij beklom vele honderden bomen en kon niet meer door een bos lopen zonder zich af te vragen: 'Welke boom is geschikt, welke niet?' Van Manen: 'Dat is toch het ultieme doel van de onderzoeker: dat je volledig begrijpt welke beslissingen het object van onderzoek neemt en waarom. Je moet als het ware je beest worden.'

De zestig mensen die ik in de afgelopen twee jaar sprak, probeerden door de ogen van 'hun dier' naar de wereld te kijken om inzicht te krijgen in gedrag, in overlevingsstrategieën, in voortplantingssucces, et cetera. Daartoe moesten ze dichtbij komen. Anoushka Hof liep achter gezenderde egels aan, Tamar Lok hield zich gecamoufleerd op in een lepelaarskolonie en Johan de Jong zat nachtenlang op een ladder in een boerenschuur met kerkuil. Sim Broekhuizen bracht vele nachten door in een Renaultje 4 om hazen te observeren in het veld en Peter Alblas fietste vijf seizoenen lang met een ramenwisstok met spiegeltje door Maastricht, op zoek naar nesten van houtduiven. 'Het moet een vreemd gezicht zijn geweest', vermoedde hij. 'Mijn vrouw wilde in elk geval niet naast me fietsen.'

De zwarte spechtBeeld Robin De Puy

Alleen zo, door die nabijheid, bereik je wat. Willem van Manen vond zich op een dag terug in een boom, op 15 meter hoogte, met zijn arm vast in de opening van het hol. Maar hij ontdekte wel dat veel gehakte holen niet geschikt waren, omdat ze niet waren afgemaakt, of vol stonden met water. En dat het werkelijke aantal broedparen van zwarte spechten veel lager was dan gedacht.

Dier en onderzoeker kwamen ook fysiek samen. Van Manen: 'Als ik die jongen mee naar beneden neem om ze te ringen, moet ik ze echt in de gaten houden, want ze lopen direct naar de dichtstbijzijnde verticale structuur. Dat hoeft niet per se een boom te zijn; in veel gevallen ben je dat zelf. Dus je zit op de grond, je zit die beesten te ringen en ze beginnen tegen je op te klimmen. En uiteindelijk heb je ze op je kop zitten. Ik heb er wel eens drie tegelijk op mijn hoofd en schouders gehad.'

De rode bosmier

Uiteindelijk verschenen 65 dierenportretten in de rubriek Beestje van de week. Daar de vijf 'leukste', 'beste', 'mooiste' uit kiezen is een wrede opdracht. Ik doe er exact 60 beestjes mee tekort. Maar vooruit: de rode bosmier. Bram Mabelis, op zijn 75ste nog altijd actief, vertelde hoe hij in het kader van zijn onderzoek regelmatig op zijn knieën achter mieren aan kroop. 'Een dwaas gezicht', gaf hij toe, 'maar zo deed ik wel een ontdekking: ik zag vechtende mieren. Sterker: er werden oorlogen uitgevochten op de randen van de foerageergebieden van verschillende nesten.

Er vielen duizenden slachtoffers per dag en zo'n veldslag bleek soms wel een maand te duren.' Nader onderzoek leerde Mabelis dat het daarbij niet bleef. 'Die slachtoffers werden meegesleept naar het nest en uiteindelijk werden de dode dieren van het nest weer naar een soort stortplaats gebracht. Die lijken bleken lichter dan toen ze werden aangevoerd. In een laboratoriumopstelling ontdekte ik dat ze in het nest werden leeggegeten. Een soort kannibalisme dus.'

Beeld Anne Geene

Oorlog en kannibalisme, niet de enige fascinerende aspecten van de rode bosmier. Bosmieren spelen een sleutelrol in het bosecosysteem. Ze dienen als voedsel voor spechten, woelen de grond om en voorkomen en beperken insectenplagen. Mabelis: 'Ik heb in Twente gezien hoe een 'plaag' van de wintervlinder werd onderdrukt door een kolonie bosmieren. Je zag daar overal aangetaste, bladerloze eiken, aangevreten door de rups van de wintervlinder. Alleen in de buurt van bosmierennesten waren de bomen nog groen.'

Ah, de wintervlinder, die kende ik. De kleine wintervlinder was ook Beestje van de week. De rupsen van die vlinder dienen ook als belangrijke voedselbron voor koolmezen en bonte vliegenvangers. Zo leerde ik weer: alles hangt met alles samen.

De steenmarter

Wat ik ook leerde: het vermogen om zich aan te passen, is bij de meeste dieren groter dan wij vaak denken. Anders geformuleerd: je moet het als mens wel heel bont maken, wil je dieren uitgeroeid krijgen. Bij de steenmarter was het rond 1975 bijna gelukt. Maar zie: hij kwam terug, en hoe. Gerard Müskens maakte het van nabij mee, in Nijmegen en omgeving. Tien jaar lang liep hij één keer per week een hele nacht achter gezenderde steenmarters aan om iets te leren over het territoriumgedrag. 'Tegen het einde van de nacht zag je dan soms hoe een marter tegen het huis op klom waar hij zijn vaste slaapplek had.' Müskens is één van die mensen die bij wijze van spreken dag en nacht dieren volgt. Hij had ook kunnen vertellen over de sperwer, over ganzen en vele andere vogels, over de korenwolf.

Het werd de steenmarter. Een nieuw type steenmarter, zo leek het wel. Vroeger leefde het dier op het toen nog kleinschalige en rommelige boerenland, en hij sliep in stallen van boerderijen. Maar de moderne stallen zijn niet meer geschikt, er zijn geen warme plekjes meer. En de nieuwe steenmarter heeft ontdekt dat dorpen en steden veel veiliger voor hem zijn. Met voldoende voedsel ook, voor een omnivoor. Müskens: 'Nog belangrijker: ze vinden er veilige, warme slaapplekken. Vroeger was het op zolders ijskoud, maar het klimaat is daar nu ideaal. Ik durf wel te beweren dat er een verband is tussen de komst van de centrale verwarming en de terugkeer van de marter.'

SteenmarterBeeld Anne Geene

'Ik hoor het mezelf vaak zeggen, over een

bepaalde meeuw in de Texelse kolonie die ik

al negen jaar volg: 'Hij staat verkeerd, hij hoort vijf meter verderop te staan'.'

Kees Camphuysen, over de zilvermeeuw.

Uit: In de ban van het beest.

Beeld ANP XTRA

Het bont zandoogje

'Je kunt ook leren van succes', stelde Michiel Wallis de Vries. Hij vroeg zich af waarom het met het bont zandoogje zo enorm goed gaat, terwijl de verwante argusvlinder juist een van de grote verliezers is. Eén van zijn bevindingen sprong wel erg in het oog: het bont zandoogje heeft zich fysiek aangepast. En niet alleen dat. 'De vlinders die in het open landschap opgroeien, zien er anders uit dan de bonte zandoogjes in het bos. In het open landschap zijn ze forser en behaarder, en zijn het betere vliegers. Uit dezelfde rupsen komen dus verschillende typen vlinders, afhankelijk van waar ze opgroeien.' Nee, vooralsnog past daar geen aparte genetische samenstelling bij. Maar, zei Wallis de Vries, 'het zou zomaar kunnen dat die aanpassingen zich op den duur toch fixeren, dat je uiteindelijk twee genetisch verschillende ecotypen krijgt. Dat is toch prachtig? Dat is evolutie in de praktijk en je ziet het onder je ogen gebeuren.'

Beeld Robin De Puy / Met dank aan Het Natuurhistorisch Museum Rotterdam

De fluiter

'Tien gram, hè?', benadrukte Rob Bijlsma nog eens, om zijn bewondering voor de in Afrika overwinterende fluiter te onderstrepen. Bijlsma is onderzoeker van nature. Ook hem had ik over veel dieren kunnen spreken. De constatering dat 'we' nog veel niet weten doet hem glunderen, dan blijft er nog veel te onderzoeken over. En nooit te beroerd om gemakzuchtige veronderstellingen onderuit te halen. Over de fluiter: 'Er is bij fluiters een mannetjesoverschot. Ik kijk nu veertig jaar naar fluiters en ik heb meerdere jaren meegemaakt waarin 100 procent van de mannetjes ongepaard bleef. Je hoort weleens: het is een goed fluiterjaar. Dat is alleen gebaseerd op zingende fluiters. Maar als je fluiters volop hoort zingen, weet je zeker dat het ongepaarde mannetjes zijn. Met meer recht zou je dus van een slecht fluiterjaar kunnen spreken, met weinig nesten.'

Beeld Anne Geene

Rob Bijlsma woont in een huisje in het bos, in Drenthe. Dat bos is een van zijn onderzoeksgebieden. Hij doet alles op eigen initiatief, volledig onafhankelijk. Zijn gezicht klaart op als je zegt dat hij een calvinist is. En als hij vertelt, over de fluiter bijvoorbeeld. Die 'reikhalst, fladdersnapt, pikt en bidt'. En: 'Zijn zang, met die versnellende triller, is mooi, maar de fluiter is vooral de ultieme zomerbode. Als de bomen in het blad komen dan barst het los. Dan loop je in een zonbeschenen bos, je kijkt tegen het licht in naar een fluiter die zijn baltsvluchtjes maakt, die langzame bibbervlucht van takje naar takje, en je weet niet wat je ziet. Het is onwaarschijnlijk prachtig.'

Hij nam me mee het bos in, naar waar de fluiters waren. We zagen precies wat hij zojuist had beschreven. En het was, inderdaad, prachtig.

In de ban van het beest; Nederlandse dieren door de ogen van hun kenners, Caspar Janssen. AtlasContact, 24,99 euro.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden