De verteller uit Pecoraro's roman is een boze oude man, maar ook de ideale stamgast

Boek (fictie) - Het leven in tijden van vrede

In de 500 pagina's van zijn romandebuut laat Francesco Pecoraro (1945) krap 12 uur verstrijken in gezelschap van een nurkse zestiger. Dat is nogal wat, maar wie zich laat meevoeren door de maniakale vertelkunst, is definitief verkocht.

Ze hebben iets onweerstaanbaars, de sakkerende, gedesillusioneerde, misantropische hoofdpersonen die je met zalvende regelmaat tegenkomt in de wereldliteratuur, de angry elder men, de Statlers en Waldorfs van de letteren - Remco Camperts Somberman, Svevo's Zeno Cosini, de schilder Strauch uit Vorst van Thomas Bernhard. Het leven heeft hun vooral ontluistering gebracht, hun medemensen zijn de hel, de wereld gaat naar de bliksem en alles wordt in rap tempo minder, niet in de laatste plaats hun eigen lichaam, dat inmiddels de autonomie heeft uitgeroepen en doet waar het zin in heeft, uitdijen, verweken, uithangen...

Ingenieur Ivo Brandani, verteller uit de roman Het leven in tijden van vrede, het - rijkelijk late - romandebuut van Francesco Pecoraro (1945), is ook verre van een fuifnummer. Of zoals hij zelf zegt: hij lijdt aan IMS, het Irritable Male Syndrome. Dat treft mannen op leeftijd, mannen die schrikken als ze in de spiegel kijken omdat ze daar hun vader zien, mannen bij wie onsmakelijke haartjes uit de neus en oren groeien. Op het bloedhete vliegveld van Sharm el-Sheikh wacht Brandani op een vlucht naar huis, uiteraard vertraagd, naar de 'Stad Gods', de hoofdstad van 'het Schiereiland'. Hij is 69 jaar, een bouwkundig ingenieur wiens pensioen 'voor de deur' staat, en terugkijken op zijn leven is hem geen onverdeeld genoegen. Het is '29 mei 2015, 9.07 uur (a.m.)', en vanaf dat tijdstip verkeren we enkele uren in het gezelschap van Ivo Brandani - om precies te zijn tot '7.47 p.m.': 500 pagina's waarin krap 12 uur verstrijken. Dat zijn heel veel woorden per uur.

Maar het moet gezegd: Brandani is, ondanks zijn nurkse aard, zeer aangenaam gezelschap; iedere bar zou een stamgast als hij moeten hebben. Als Brandani eenmaal begint, is hij niet meer te stuiten. Pecoraro heeft de eerste pakweg 150 pagina's nodig om zijn held aan ons voor te stellen, en toegegeven, dat is even doorbijten. Maar wie zich laat meevoeren door het waanzinnig wijdlopige georeer van deze doemdenker, is definitief verkocht.

In de uren die we met hem verkeren, laat Brandani in een overdonderende gedachtenstroom (vertaalsters Els van der Pluijm en Hilda Schraa hebben een indrukwekkende prestatie geleverd) zijn leven voorbij denderen: zijn geboorte vlak na de oorlog, zijn jeugd in een gezin met een autoritaire, soms gewelddadige vader, 'de Driftkop', en een moeder, 'het enige wezen ter wereld met wie Ivo zich volledig verbonden had gevoeld', die hem beschermde, zijn schooltijd met het geflikflooi met bebeugelde bakvissen, zijn studententijd te midden van de onrust in de jaren zestig, toen iedereen idealen leek te hebben maar Ivo al het onheilspellende gevoel had nergens bij te horen, zijn studie filosofie, een keuze die zijn vader razend had gemaakt, de docent die hem een 'nepslimmerik' noemde - 'Hoe heet u? Ja, Brandani. Die bestaan, weet u? Lui die alles altijd ingewikkeld maken, die interessant lijken omdat ze problemen zo stellen dat het origineel, erudiet klinkt, maar daar blijft het bij...' - een opmerking die sindsdien in zijn gedachten voortwoekert, zijn overstap naar bouwkunde, zijn carrière in de internationale bouwwereld, waarvoor hij zich als een hoer veil heeft geboden aan het kapitalisme, zijn kreupele liefdesleven en dan nog dat verschrikkelijke ouder worden, dat hem, alsof het allemaal nog niet erg genoeg is, het gevoel geeft dat zijn vader bezig is aan een wedergeboorte in hem, 'net als dat monster uit Alien in de buik van John Hurt'.

Francesco Pecoraro Foto Silvia Celiberti

Je let even niet op en voilà, opeens ben je oud en zit je de eindbalans op te maken. Die van Brandani's leven is weinig verheffend. Hij is 'niet heldhaftig, niet dapper, niet dominant, iemand die niet gelooft, die nergens in gelooft, nooit ergens in heeft geloofd, zelfs niet toen ik het tegenovergestelde dacht...', hij werd 'een einzelgänger en buitenstaander', zijn liefdesrelatie is op de klippen van zijn koppigheid gelopen, gelukkig heeft God verhoed dat hij kinderen heeft verwekt, hij heeft 'geen enkele vriend meer die die naam waardig is' en daarom gedoemd om eenzaam te sterven. 'Ik heb alles verkeerd gedaan', sombert hij. 'Om je dood te lachen... Ik heb mijn leven verpest...' En het blijft, ondanks of juist door alle Temesta die hij slikt, maar broeien in Brandani's bovenkamer: 'Als hij zijn tong rechtstreeks op zijn hersenen zou aansluiten, zou hij alleen vloeken en schelden.'

Er valt moeilijk weerstand te bieden aan Pecoraro's maniakele vertelkunst, waarin ieder detail, iedere gedachte (het krampachtige bestaan van de anus, de teloorgang van de diepzeefauna, de adembenemende schoonheid van de Firth of Forth Bridge in Schotland - met foto's), kan exploderen in pagina's vol woorden, ieder onderwerp een bruistablet die in een wip voor vele pagina's verfrissende tekst zorgt. Pecoraro overtreft zichzelf als verteller wanneer hij Brandani, pootje gehaakt door zijn eigen ijdelheid, laat zwichten voor het verzoek van zijn baas, een keiharde manager, om mee te gaan op een zeilvakantie langs de Griekse eilanden. Dat verhaal vertelt hij met zoveel sardonische humor en suspense dat het zweet van je rug loopt.

Wie het zitvlees heeft om zich door deze enorme berg verheven geouwehoer heen te eten, wordt uiteindelijk onthaald op het daverende vergezicht dat Brandani's endlifecrisis ons gunt. En omdat we het geluk hebben dat Brandani een zeer belezen, erudiet man is, biedt dit epos en passant ook een blik op een halve eeuw westerse beschaving, of liever gezegd de teloorgang daarvan, en op de deerniswekkende staat van zijn vaderland, bevolkt door lieden die uitblinken in wanorde, verwaarlozing, slonzigheid, 'wie kan het ene fuck schelen waar jij je kapotte plee en je koelkast dumpt... Van het talud langs de provinciale weg omlaag: en waar anders?' Verdomme, nog maar een Temesta.

Het leven in tijden van vrede is de verrukkelijke doodsreutel van een man die al van jongs af aan het gevoel had 'in de val te zitten' en nu, ten langen leste, met zijn rug tegen de muur van het grote niets staat.

Het leven in tijden van vrede

Francesco Pecoraro
Fictie
Uit het Italiaans vertaald door Els van der Pluijm en Hilda Schraa.
Wereldbibliotheek;
494 pagina's; euro 29,99.

Meer over