De vernieuwers

Het lijden uitvergroot

In het BBC-programma Who Do You think You Are? gaan bekende Britten op zoek naar hun voorouders. Wat voor mensen dat waren, hoe ze leefden en hoe ze stierven. Het resultaat is vaak schokkend. Uit de archieven duikt een wereld op vol bittere armoede ondanks keihard werken, en levens geplaagd door ziekten, gedwongen migratie en vroegtijdige dood. Tegenslag hoorde bij het leven. Daar werd je sterker en wijzer van. En deze redenering om het noodlot onschadelijk te maken, leidde tot het overbekende cliché dat ook een genie vooral moest 'lijden'. Anders kon het nooit wat worden.

In de speurtocht naar het antwoord op de vraag 'Wat maakt een mens geniaal?' is die noodzaak te lijden de afgelopen tijd wat op de achtergrond geraakt. In Born to Rebel (1996) beweerde Frank Sulloway dat genialiteit een kwestie was van opstandigheid en dat geniale vernieuwers daarom vaak laatgeborenen waren: de benjamins van de familie die zich gemakkelijker afzetten tegen het ouderlijk gezag. Een andere poging om genialiteit te verklaren, die ook veel aandacht trok, was de 10.000-urentheorie van Malcolm Gladwell (in zijn boek Outliers uit 2008). Genialiteit was gewoon een kwestie van toewijding en van hard werken. Nu doet antropoloog Anton Blok in zijn boek De vernieuwers een nieuwe poging om genialiteit te verklaren.

Blok besteedt ruime aandacht aan het werk van Sulloway (ten onrechte overigens, Blok lijkt niet te weten dat dit al jaren geleden onderuit is gehaald) en bewijst lippendienst aan de tienduizend uren van Gladwell. Hij opent zijn eerste hoofdstuk met de bewering dat zijn boek 'een nadere empirische en theoretische uitwerking' verschaft van Gladwells gezichtspunt. Een merkwaardige opening, want wat Blok in De Vernieuwers in feite wil bereiken, is de herwaardering van dat ouderwetse lijden. Hij komt nergens op de mogelijk cruciale rol van inspanning. Ook intelligentie, eruditie en talent zijn, zo schrijft hij, 'zelden beslissend' en van een welgesteld en inspirerend milieu zal eerder 'een remmende werking uitgaan'. Nee, tegenslag en buitensluiting zijn 'de belangrijkste noodzakelijke voorwaarden van radicale vernieuwing in wetenschap en kunst'. Om dat aan te tonen, heeft Blok biografische gegevens verzameld van enkele tientallen volgens hem 'radicale vernieuwers'. En daarmee bewijst hij vervolgens zijn eigen gelijk.

Het is ontegenzeggelijk waar: menig genie heeft geleden. Machiavelli werd verbannen, Dante ook; Descartes was een wees, Copernicus ook. Cézanne was een bastaard, Erasmus was de zoon van een priester en ook nog een klein opdondertje (en Hans Christaan Andersen een lange slungel). William Faulkner moest jaren ploeteren voordat hij beroemd werd; Van Gogh werd pas postuum beroemd. Camus had een armoedige jeugd; Tennessee Williams was homoseksueel en Francis Bacon was ooit een invloedrijk staatsman, maar werd beschuldigd van corruptie en trok zich terug op het platteland. Et cetera.

Blok strooit in zijn boek kwistig met minibiografietjes die duidelijk maken dat zijn genieën veel hebben geleden. Hij slaat daarbij, dat moge duidelijk zijn, geen enkele vorm van gebrek of tegenslag over. Maar op zich zegt dat allemaal niets. Het leven was vroeger, zoals gezegd, veel harder dan nu en biografen (en genieën) zijn maar al te bereid om al het lijden uit te vergroten - want een genie moet nu eenmaal geleden hebben. Het cliché schept inmiddels zijn eigen werkelijkheid. Maar volgens Blok heeft dat lijden het genie juist gemáákt.

Blok ziet hier een parallel met de antropoloog die in staat is om een 'vreemde' cultuur te doorzien, juist omdat hij zélf uit een andere cultuur komt. Net zo zorgen tegenslag en (daardoor) buitensluiting ervoor dat de vernieuwer in spe afstand kan nemen van de wereld en een eigen radicale visie kan ontwikkelen. Afstand geeft inzicht. Blok: 'Buitensluiting en vervreemding schiepen de ruimte voor de ontwikkeling van nieuwe inzichten - de opmaat tot hun radicale innovatie in w

etenschap of kunst.'

Als Blok gelijk heeft, zouden er dus géén genieën kunnen bestaan die niét hebben geleden. Maar zijn boek biedt juist heel wat voorbeelden van geniën die zich nooit buitengesloten hebben gevoeld of bij wie er, als we het romantisch patina wegpoetsen, geen reden is om te veronderstellen dat ze nou zo vreselijk geleden hebben.

Erasmus zou geleden hebben onder zijn afkomst, zegt men, maar hij had in feite vanaf zijn jongste jaren een glanzende carrière. Von Clausewitz, de auteur van Vom Kriege, ging een keer in de fout en werd in rang teruggezet - maar dat deed niets af aan zijn faam in Pruisische militaire kring. Sigmund Freud wilde graag hoogleraar worden en moest daar (als jood) lang op wachten - maar die gefrustreerde hang naar erkenning dateert van ná de ontdekking van de psychoanalyse. De jonge Einstein werkte op een patentbureau, maar er is geen enkele reden om dan dramatisch te spreken van uitsluiting of vervreemding. Hij en zijn natuurkundevrienden volgden de actualiteit op de voet.

En dan zijn er Copernicus, Newton, James Maxwell, Max Weber, Alfred Wegener, John Maynard Keynes, Jane Goodall, James Watson, Grigori Perelman - allemaal radicale vernieuwers volgens Blok, allemaal met hun tegenslagen en eigenaardigheden die door Blok worden uitvergroot, maar er is eigenlijk geen reden om hun jeugdige, late, tijdelijke, hooguit irritante 'uitsluiting' op te vatten als het cruciale element in hun intellectuele ontwikkeling. Blok, die zo enthousiast al de bewijzen voor zijn stelling bijeen heeft geharkt en zelfs in tabelvorm heeft verwerkt, heeft voor de kritische lezer ook de tegenvoorbeelden verzameld.

En zelfs als dat wél het geval zou zijn, zelfs als in sommige gevallen tegenslag een cruciale rol heeft gespeeld (en we daarbij niet het slachtoffer zijn van de inbeelding van het genie en/of zijn biograaf), dan resteert altijd nog de vraag waaróm uitsluiting tot vernieuwing leidt. Daar is meer voor nodig.

Net als de antropoloog zijn eigen cultuur nodig heeft om een vreemde cultuur te kunnen bestuderen, zo moet ook het genie op dat moment van uitsluiting over de juiste achtergrond beschikken. Dat betekent: een grondige kennis van het vakgebied en een heldere (liefst de juiste) visie op hoe het vakgebied in elkaar zou moeten zitten. Genoeg vernieuwers laten zien dat deze beide intellectuele vereisten ook gemakkelijk hun werk kunnen doen zónder dat het genie zo vreselijk hoeft te bloeden. Afstand kun je immers ook némen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden