De Verlichting aan het Spaarne

Teylers Museum wijdt een tentoonstelling aan zijn grondlegger Pieter Teyler. Tijdens zijn leven ging de zijdefabrikant en geldhandelaar onder de Haarlemse bevolking door voor gierig....

De Haarlemse zijdefabrikant en geldhandelaar Pieter Teyler van der Hulst was rijk, maar ook weer niet puissant rijk. ‘Tegenwoordig zou hij bij de laatste honderd van de Quote 500 zitten’, zegt Marjan Scharloo, directeur van Teylers Museum in Haarlem.

Pieter Teyler (1702-1778) was een man van de Verlichting. Precies 250 jaar geleden, in 1756, liet hij in zijn testament vastleggen dat zijn vermogen na zijn dood besteed moest worden aan godsdienst en armenzorg, maar ook aan de bevordering van kunst en wetenschap. Van het geld werd onder meer Teylers Museum in Haarlem gesticht, het oudste museum van Nederland.

Vandaag opent de tentoonstelling De miljoenen van Pieter Teyler, waarin het museum op zoek gaat naar de persoonlijkheid van zijn grondlegger. Dat viel nog niet mee, blijkt uit het gelijktijdig verschenen boek De idealen van Pieter Teyler. Niet één brief van Teyler is bewaard gebleven, niet één tijdgenoot heeft over hem geschreven, op een enkel huwelijksgedicht na.

‘Dat vind ik wel frustrerend. Ik heb niet echt de hand op Teylers schouder kunnen leggen’, zegt Bert Sliggers, conservator van het museum.

De bekendste typering van Teyler komt uit de autobiografie van de Haarlemse kostschoolhouder Willem van den Hull: ‘Deeze, om zijne gierigheid te Haarlem zoo beruchte man, die gedurende zijn leeven, schier gebrek en toch zoo veele millioenen bezat, was eenige maanden voor mijn geboorte overleeden, en nu verspreidden zijne nagelaaten schatten, welvaart onder de ambachtslieden.’

Uit onderzoek blijkt echter dat Teyler allerminst een 18de eeuwse Dagobert Duck was. Hij gaf royaal aan de armen en onderhield een hofje waar twaalf hulpbehoevende vrouwen woonden.

De reputatie van gierigheid dankte Pieter Teyler waarschijnlijk aan zijn sobere, ingetogen levensstijl. Hij was doopsgezind, een vrijzinnige richting in het protestantisme die niet hield van uiterlijk vertoon. Christus moest worden nagevolgd door goede werken te doen.

Telescoop

Teyler groeide op tijdens de Verlichting. ‘Wie zich laaft aan kennis, zal gelukkig worden’, schreven de Franse encyclopedisten Diderot en d’Alembert. Menig heer van stand liefhebberde dan ook met natuurkundige proefjes of kocht een telescoop om de sterren te bestuderen. Vaak richtten zij ook genootschappen op om de verbreiding van kunst en wetenschap te bevorderen.

De Hollandse Verlichting wordt ook wel de christelijke Verlichting genoemd. Sliggers: ‘Doopsgezinden als Teyler beschouwden de wetenschap als een ode aan de almacht van de Schepper. Wie ook maar een druppel regenwater onder de microscoop legde, zag hoe weergaloos de Schepping was. De calvinisten keken daar heel anders tegen aan. Zij geloofden dat de wetenschap het ongeloof zou aanwakkeren.’

Teyler steunde kunst en wetenschap, maar nam er nooit actief aan deel. Hij deed geen wetenschappelijke experimenten en kon nimmer worden betrapt op artistieke aspiraties. ‘In zijn nalatenschap bevonden zich geen wetenschappelijke instrumenten en ook geen muziekinstrumenten. Dat is opmerkelijk voor een man van zijn stand’, zegt Marjan Scharloo. Wel was Teyler een verzamelaar. Hij kocht munten, tekeningen, boeken, opgezette vogels en dieren op sterk water. Maar ook hier kwam de klad in: de laatste twintig jaar van zijn leven bood hij, voor zo ver bekend, niet meer op veilingen.

Teyler was dus geen al te actieve representant van de Verlichting. Maar in 1756 bepaalde hij dat hij zijn vermogen naliet aan een stichting, waaronder twee genootschappen zouden vallen: een ter bevordering van de godsdienst, de ander ter verbreiding van kunst en wetenschap. Zijn verzameling zou de leden van deze genootschappen ten dienste staan. Zij zouden moeten samenkomen in zijn huis aan de Damstraat, dat nooit verkocht mocht worden.

De directeuren (eigenlijk bewindvoerders) van de nieuwe Teylers Stichting vatten hun taak ambitieus op. Sliggers: ‘Teylers idee uit 1756 was nog elitair en studieus: zijn verzameling zou ten goede komen aan een genootschap van heren. Maar de directeuren waren jonger en vooruitstrevender. Zij geloofden dat je kennis moest verspreiden in een openbaar museum.’

Daarbij gingen ze oneerbiedig te werk. Voor het leeuwendeel van de verzameling van Teyler hadden ze geen plaats. ‘Ze lieten het 18de eeuwse equivalent van een container voorrijden en gooiden het meeste weg.

Van de duizend boeken bleven er 35 bewaard, van de duizend tekeningen zes, de opgezette vogels en dieren op sterk water werden verkocht. Alleen de collectie munten en penningen bleef grotendeels bewaard.’

Ze gaven de architect Leendert Viervant opdracht voor de bouw van een museumzaal, de schitterende Ovale Zaal, die in 1784 voor het publiek werd geopend. Nog altijd weerspiegelt de zaal de leefwereld van de 18de eeuwse Verlichte gentleman-amateurwetenschapper. De vitrines bevatten een verzameling fossielen en mineralen, in de zaal staan natuurkundige apparaten uit de 18de eeuw. Op de galerij staan twaalf boekenkasten met encyclopedische werken.

Voor de duur van de tentoonstelling is ook het oude woonhuis van Teyler opengesteld. Zo kan de bezoeker enigszins ervaren hoe Teylers Museum er in de 18de eeuw uitzag. De huidige monumentale entree aan het Spaarne werd pas in 1885 geopend. Voordien moest de bezoeker aanbellen bij de oude voordeur van Teyler in de Damstraat. Hij werd door een lange gang geleid en vervolgens door de Grote Herenkamer, een donkere kamer waar de directeuren hun vergaderingen hielden. Als Teyler dan de Ovale Zaal met zijn grote lichtkoepel betrad, was het alsof hij letterlijk Verlicht werd.

De verspreiding van kennis moest ook niet te ruim worden opgevat. Het was niet de bedoeling dat het gewone volk van Haarlem zich massaal naar Teylers Museum zou begeven.

‘Mensen kwamen op uitnodiging van een van de vele genootschappen voor kunst of wetenschap, een soort Rotary’s en Lions avant la lettre’, zegt Sliggers. ‘We schatten dat er enkele honderden bezoekers per jaar kwamen. Vaak kwamen ze speciaal voor wetenschappelijke demonstraties, bijvoorbeeld met de elektriseermachine.’

Het oude huis van Teyler heeft een van de best bewaarde 18de eeuwse interieurs van Nederland. Zo ligt in de eetkamer nog origineel 18de eeuwse vloerbedekking, bestaande uit smalle, aan elkaar genaaide stroken met een soort bloemmotief. Op tafel staat het oude servies van Teyler, dat hij in China had besteld.

Alle inspanningen ten spijt, blijft Pieter Teyler toch een wat ongrijpbare figuur. Hij stimuleerde kunst en wetenschap, maar deed zelf nooit mee.

Met zijn legaat gaf hij de aanzet voor het eerste museum van Nederland, maar zijn eigen collectie werd te licht bevonden. Daarmee was hij was de grondlegger van een fraaie traditie, maar moet zelf haast wel een enorme saaineus geweest zijn. Maar zelfs dat weten we niet zeker.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden