Review

De verbeelding stroomt vrij in White God

Adembenemend hoe de Disney-achtige plot overloopt in volbloed horror en sociaal commentaar.

Regie: Kornél Mundruczó
Met: Zsófia Psotta, Sánder Zsótér, Lili Horváth
119 min., in 16 zalen

Beeld uit White God.

Een meisje en haar hond. Zo'n combinatie van filmpersonages roept al snel een sentimenteel verhaal op waarin het meisje haar hond kwijtraakt en het dier vervolgens allerlei tegenslagen moet doorstaan (enge hondenvangers, de dodencel van een asiel) voor hij haar terugvindt.

Wat dat betreft verloopt White God (winnaar van de filmprijzen Un Certain Regard en de Palm Dog) aanvankelijk volgens verwachting - althans, na de wonderbaarlijke openingsscène, waarin een meute straathonden door de verlaten straten van Boedapest raast en je als kijker geen idee hebt waarnaar je kijkt. Een droombeeld? De glimp van een fabelachtige werkelijkheid?

Vervolgens schakelt de film over naar de 13-jarige Lili, die trompet speelt in een jeugdorkest en met vuilnisbakhond Hagen bij haar moeder woont. Wanneer ze bij vader Dániel wordt gedumpt, is er voor Hagen geen plek: hij belandt op straat en begint een lange omzwerving door guur Boedapest. Daarbij krijgt hij het niet alleen met de hondenpolitie te stellen, maar ook met wrede types die hem voor vechtwedstrijden willen trainen.

Verloren-hond-genre

Het heeft iets onwerkelijks, zo serieus als Kornél Mundruczó (Delta, Tender Son) het stramien van het verloren-hond-genre volgt. Elke scène wordt gepresenteerd alsof het de allereerste keer is dat een filmhond voor kwaadaardige mensen vlucht of troost vindt bij andere zwerfhonden. Van het camerawerk - vaak op hondhoogte - tot de stevig uitpakkende muziek, alles in White God is erop gericht je volledig bij Hagens lot te betrekken.

Tegelijkertijd slaat Mundruczó heel andere paden in. Lili, een sterke rol van debutante Zsófia Psotta, begint de zoektocht naar Hagen als een echte kindheldin, de stad afspeurend met de trompet in haar rugzak. Maar geleidelijk verliest ze die glans, alsof met de verdwijning van het dier ook alle betekenis en emotie uit haar leven sijpelt. Een mooie parallel met Hagen, die gaandeweg in een agressief, wraakzuchtig beest verandert.

Dat zo de weg wordt vrijgemaakt voor heel andere dimensies, vol bloed, duisternis en doorgebeten kelen, heeft Mundruczó eigenlijk al vroeg aangekondigd: Dániel werkt als controleur bij het slachthuis en zet in een van de eerste scènes zijn stempel op een koe-kadaver dat voor het oog van de camera wordt opengesneden - de ingewanden gretig eruit rollend. Het ene dier is het andere niet, lijkt Mundruczó op die manier te zeggen, ook wanneer Hagen verderop in de film kort naast een keurig getrimde dalmatiër wandelt.

Beeld uit White God.

Metaforen

Evenzeer ligt een metaforische interpretatie van zulke beelden voor de hand, met de opgejaagde straathonden als metafoor voor alle grootstedelijke paria's. 'We zijn allebei hongerige honden', zegt een dakloze man tegen Hagen. Adembenemend, hoe stoutmoedig White God met genres stoeit, en hoe de Disney-achtige plot overloopt in volbloed horror en sociaal commentaar, zonder dat de vaart of spanning verloren gaat.

Als je dan eindelijk vat denkt te hebben op deze woeste materie, neemt White God zijn laatste vlucht. Dan blijken ook de apocalyps en de Rattenvanger van Hamelen dicht bij elkaar te liggen, met de trompetsolo uit Liszts Tweede Hongaarse rapsodie als beginsignaal van het Laatste Oordeel.

De verbeelding stroomt vrij in White God, en vertrouwde genrewetten monden uit in een wereld die alleen in deze ene, wonderbaarlijke film bestaat.

Beeld uit White God
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden