‘De triomf die ik voelde: mijn vader voorbijgestreefd’

Enkele jaren geleden vatte Hanif Kureishi in bed het plan op om de belangrijke boeken van zijn jeugd te gaan herlezen. Het zou uiteindelijk leiden tot het zojuist in vertaling verschenen Mijn oor aan je hart (My Ear At His Heart). Op de eerste bladzijde van dat boek schrijft hij: ‘Terwijl ik lag te denken aan het verleden, wat ik nu vaak doe, en steeds verder terugmijmerde, bedacht ik dat ik het karakteristieke van mijn jongere zelf misschien zou kunnen vastleggen door de schrijvers die ik als jongeman had bewonderd te herlezen. Ik zou dan bijvoorbeeld Kerouac weer ter hand nemen, Dostojevski, Salinger, Orwell, Hesse, Ian Fleming en Oscar Wilde, om te zien of ik de werelden die zij ooit in mijn hoofd hadden gecreëerd weer kon binnengaan en mezelf erin herkennen.’

Dat plan werd doorkruist doordat Kureishi van zijn literair agent een groene map kreeg, waarin een manuscript zat van zijn vader. Nu wist hij dat zijn vader, Shannoo Kureishi, de levenslange ambitie had gekoesterd om schrijver te worden. Elke avond als hij was teruggekeerd van zijn baan op de Pakistaanse ambassade in Londen trok hij zich terug op zijn werkkamer en begon te schrijven. Maar Hanif had nooit veel animo gehad om zich in het werk van zijn vader te verdiepen.

Kureishi: ‘Nu, jaren na mijn vaders dood (1991), lag dat anders. Ik begon met veel belangstelling te lezen. Het bleek om het manuscript van zijn autobiografische roman An Indian Adolescence te gaan. Ik maakte aantekeningen en stuitte vervolgens op nog meer materiaal van mijn vader: nog een roman, The Redundant Man, verhalen en andere teksten.’

Zo las Kureishi niet de boeken die hem hadden gevormd, maar het werk van de man die dat had gedaan, en al lezend rees bij hem het besef dat dit wel eens een vergelijkbaar proces zou kunnen zijn. ‘Wat er precies uit zou komen wist ik niet, maar ik besloot mijn gedachten naar aanleiding van dat leesproces op te schrijven. Ik verwachtte niet dat er genoeg materiaal in zou zitten voor een boek, maar dacht meer aan een essay. En uiteindelijk is het ook geen buitengewoon geordend boek geworden. Het is het boek geworden “zoals ik het aantrof”.’

Kureishi plaatst in Mijn oor aan je hart de vader die hij gekend heeft tegenover de vader die in zijn eigen manuscripten voorkwam, of de broers van zijn vader zoals hij die hij kende en zoals ze in de manuscripten werden beschreven. ‘Door na te denken over mijn eigen herinneringen en de beschrijvingen in die boeken kon ik niet alleen een boek schrijven over mijn naaste omgeving, maar ook over meer algemene zaken als ras, de islam, immigratie en wat het betekent om schrijver te zijn. Dat laatste zelfs vanuit twee perspectieven: dat van de succesvolle schrijver en dat van de mislukte auteur die zijn hele leven met zijn manuscripten heeft moeten leuren en er nooit één gepubliceerd kreeg.’

Shannoo Kureishi kwam na de Tweede Wereldoorlog naar Groot-Brittannië, als telg uit een geslacht dat in een koloniaal, nog ongedeeld India tot de elite behoorde. Zijn vader was kolonel in het leger, en verschillende van zijn broers waren of zijn vooraanstaande figuren in het huidige Pakistan (waar de familie na het uiteenvallen van India terechtkwam) of elders in de wereld. Shannoo trouwde een Engelse vrouw, maar bereikte in zijn nieuwe thuisland nooit de status die zijn familie in het land van herkomst had en die andere familieleden wél in hun nieuwe omgeving wisten te bereiken.

Kureishi: ‘Een van de confronterendste vragen die ik in Mijn oor aan je hart moest stellen was: hoe is het om te falen? Want daar komt het leven van mijn vader, ook in zijn eigen termen, op neer. Hij wilde schrijver worden en een gerespecteerd bestaan opbouwen. In plaats daarvan kreeg hij een onbeduidend baantje waaraan hij weinig voldoening beleefde, hij slaagde er niet in zijn werk gepubliceerd te krijgen, werd ziek en ging dood.’

Ergens halverwege het boek noemt Kureishi Mijn oor aan je hart ‘een soort kruising tussen een vrijpartij en een lijkschouwing’. Want natuurlijk is het een liefdesbetuiging om je zo hevig in de dromen en ambities van je vader te verdiepen. Maar tegelijkertijd is hij genadeloos eerlijk en daardoor soms glashard wanneer hij het werk van zijn vader analyseert. ‘Heel veel ervan toont te weinig beheersing, te weinig gevoel voor de vorm.

‘Tijdens zijn leven heeft een literair agent wel eens tegen hem gezegd dat sommige werken wellicht als autobiografie of memoires publicabel zouden zijn, maar dat wilde hij niet. Hij wilde ze als romans presenteren, waarschijnlijk deels om een afstand te kunnen scheppen tussen de hoofdpersonen en hemzelf, maar ook omdat hij romans een hogere status toedichtte. Maar juist als romans schieten de meeste werken tekort.’ (Hoe anders dit bij Kureishi junior ligt, blijkt uit het feit dat zijn Nederlandse uitgever het non-fictiewerk Mijn oor aan je hart op het omslag een roman noemt.)

Het was voor Shannoo Kureishi natuurlijk een hard gelag om in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw te moeten constateren dat zijn zoon vrijwel vanaf zijn eerste schrijfpogingen succes had. ‘Mijn vader vond het soort onderwerpen waarover ik schreef in mijn filmscripts en mijn eerste roman, eigenlijk beneden de waardigheid van de literatuur. Popmuziek, skinheads, drugs, dat waren triviale onderwerpen. Literatuur was voor hem iets verhevens, dat was Tsjechov. Zijn eigen boeken achtte hij literair dan ook veel hoogstaander. Tegelijk verweet hij me soms dat ik te weinig deed om zijn werk gepubliceerd te krijgen. “Jij zit toch verdomme in dat wereldje?”, riep hij dan.’

Het verwijt van trivialiteit hakte er bij Kureishi hard in. Het was voor hem een geweldige strijd geweest om een vorm te vinden waarin hij kon schrijven over de onderwerpen die hem bezighielden. ‘Popcultuur, ras, racisme, zoon zijn van een immigrant, wonen in een metropool* Dat waren allemaal zaken waarover volgens mij nog nooit een roman was geschreven. Ik had in elk geval geen modellen. De enige auteur met wie ik mij enigszins kon identificeren, was V.S. Naipaul, maar dat is een buitengewoon ernstige schrijver met een heel andere ervaringswereld. Naipaul was opgegroeid in Trinidad. Ik wilde uiting geven aan wat ik, opgroeiend in de jaren zeventig in greater Londen, om mij heen zag. Ik schreef over wat het was om een English pop boy te zijn met een moslimnaam.’

De gedachte dat het voor zijn vader misschien een vorm van voldoening was dat in elk geval zijn zoon literair succes had – dat hij zijn eigen ambities als het ware via zijn zoon vervulde – wijst Kureishi af. ‘Ik weet dat er veel gemankeerde sporters zijn die bij wijze van compensatie hun kinderen het trainingsveld opsturen, maar mijn vader wilde dat schrijverschap voor zichzelf, niet via mij. Ik heb het leven geleefd dat mijn vader graag had willen leven. Ik voelde mij daar destijds ook best schuldig over, maar ik had tegelijkertijd diep in mijn binnenste het triomfantelijke gevoel dat ik hem voorbij was gestreefd. Dat ik sterker, machtiger was geworden dan hij. Als zoon was het altijd mijn taak geweest hem op te vrolijken. Hij was de god, de vader, de man die alles wist. Ik was maar een kind. En nu ineens waren de rollen omgedraaid.’

Als om de onvermijdelijkheid van de vader-zoonproblematiek te onderstrepen wordt Kureishi tijdens het gesprek tot driemaal toe op zijn mobiel gebeld door zijn partner, die het thuis in Londen zwaar te stellen heeft met Carlo en Sachin, de 12-jarige tweeling uit Kureishi’s eerste huwelijk. ‘Ze hebben morgen een examen. De één probeert te studeren, maar de ander maakt dat onmogelijk door voortdurend harde muziek te draaien en vervelend te doen. Enfin, ze zullen het wel overleven.’

Toen hij jong was wilde Kureishi de romans van zijn vader niet lezen, zoals zijn zoons op hun beurt het werk van hún vader niet willen lezen. Kureishi: ‘Als ik zeg: “Komen jullie naar de première van mijn nieuwe film”, dan weigeren ze. Het is te intiem materiaal voor hen, het voelt bijna incestueus. Ze willen niets weten van mijn seksualiteit, mijn gevoelens, mijn intieme leven zoals dat in een film of boek zit. Ik moet voor hen gewoon daddy blijven en zij de kids. Zo was ik, denk ik, ook ten opzichte van mijn eigen vader. Ik wilde niet weten hoe ongelukkig hij was, dat hij zijn broer haatte, enzovoort. Het is traumatisch om te veel van het lijden van je ouders te absorberen.’

Als bijna-vijftiger ervoer Kureishi de confrontatie met de manuscripten van zijn vader echter als een bruikbaar aanknopingspunt voor een boek dat hij onbewust al enige tijd wilde schrijven. ‘Ik heb een halve eeuw geleefd, een flink deel van het naoorlogse tijdperk. De tijd van immigratie, de eerste generatie immigranten, de opkomst van de radicale islam, 9-11, 7-7* De vondst van dit manuscript was het begin van een gelegenheid om te schrijven over de zaken die mij al mijn hele leven bezighouden: cricket, politiek, ras, islam, dood, vaders, seksualiteit, vrouwen*

‘Mijn boek is een essay in de letterlijke betekenis van het woord: een poging. Een poging om een beter begrip te krijgen van mijn eigen ervaringen en de ervaringen van mijn familie. Die laatste stonden in het teken van teloorgang. Mijn grootvader was een erg rijk en machtig man met twaalf kinderen, terwijl mijn vader uiteindelijk in een klein huisje in een buitenwijk van Zuid-Londen belandde. Terugblikkend denk ik dat ik het altijd als mijn taak heb gezien om een einde aan die neergang te maken. Het klinkt waarschijnlijk vreselijk arrogant, maar ik meen dat ik daarin wel ben geslaagd.’

Hanif Kureishi: Mijn oor aan je hart. Vertaald uit het Engels door Molly van Gelder. De Bezige Bij; 235 pagina’s; € 18,90. ISBN 90 234 1913 8.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden