De tranen van de draak die meren achterlieten

V's zomerspeurtocht deel 4

Deze weken publiceert V zes sprookjes. De verhalen en hun illustraties zitten boordevol aanwijzingen die u leiden naar een plaats in Nederland, waar een schat is verstopt: een prent van illustrator Raoul Deleo. Vandaag aflevering 4.

Beeld Raoul Deleo

In het zuidwesten van China, midden door de provincie Sichuan, stroomt de rivier Min door het groene laagland. De Min maakt maar liefst 24 bochten voor zij samenkomt met de Yangtze. Elke bocht heeft de vorm van een meer en sinds lange tijd noemen de mensen van Sichuan deze meren 'tranen'. Ik zal jullie vertellen waarom.

In een van de dorpen langs de Min leefde een landheer die men de 'zwarte tijger' noemde. Hij was schrikbarend rijk en boosaardig; als hij zich tussen de arme bevolking begaf, wist hij altijd wel iemand te vinden die de pacht niet betaalde of een andere overtreding had begaan en dan toonde hij zijn zwarte ziel.

In het dorp woonde ook een jongen, Wen Pcheng, alleen met zijn moeder. De jongen kon nog geen landarbeid verrichten, dus hij wandelde elke dag naar de rivier om te vissen en verkocht 's middags zijn buit aan de herbergen. Op een dag zat hij weer aan de rivier te staren naar zijn dobber. Het duurde lang, pas aan het einde van de dag zakte tot zijn vreugde de dobber. Wen Pcheng trok met alle kracht in zijn dunne armpjes, tot een fantastische vis met gouden schubben en een fonkelende staart uit het water schoot.

'O Wen Pcheng, ik smeek je, laat me vrij!' Wen Pcheng schrok zich rot: de vis sprak tot hem! 'Geef me mijn vrijheid terug en ik zal je rijkelijk belonen', ging het gladde dier verder. De jongen keek ontroerd in de ogen van vis en wierp hem snel weer in het water. Maar niet lang daarna stak het dier zijn glinsterende kop weer uit de golven, opende zijn bek en liet er een enorme, glanzende parel uit rollen. 'Dit is mijn dank', zei het dier nog gauw, 'vanaf nu zul je in overvloed leven.' En verdwenen was hij, in de diepte van de rivier.

Beduusd liep de jongen terug naar huis. 'Jongen, wat moeten we daarmee?', zei zijn arme moeder. 'Parels zijn voor de rijken, wat hebben wij aan zoiets kostbaars? Laten we het morgen op de markt proberen te verkopen', zei ze en ze borg de parel in doeken op, in de kist met sprokkelhout.

's Avonds, bij het bereiden van het eten, haalde de moeder een paar houtstukjes uit de kist en tot haar verbazing merkte ze dat de kist zich vanzelf weer vulde met houtjes van de fijnste soort. 'Wen Pcheng, kom kijken, de parel is betoverd!', riep ze. Om te kijken of het klopte, pakte de moeder haar geldbundel, waar slechts een paar munten in zaten en legde de parel erin. En ja hoor, de beurs werd dikker en dikker tot ze uitpuilde van de munten. 'Vanaf nu zullen we leven in overvloed', zei ze plechtig en dankbaar tegen haar zoon.

Wen Pcheng was blij, maar ging gewoon nog elke dag naar de rivier om te vissen. Daar hield hij van, het nieuwe leven veranderde hem niet. Toen hij eens bij de rivier zat, kwam de vrouw van de landeigenaar bij Wen Pchengs moeder aan de deur. Eerbiedig liet de moeder haar binnen. Koeltjes zei de rijke vrouw: 'Jullie hebben zo veel groente en vlees, vroeger zagen jullie er armoedig uit. Jullie moeten wel dieven zijn!'

Hevig geschrokken probeerde de moeder zich te weren, maar de vrouw zei: 'Ik ga aangifte doen tegen jullie.' Toen wist de moeder dat ze eerlijk moest zijn. 'Zeg het alstublieft aan niemand anders', begon ze, en ze vertelde van de parel van overvloed. De vrouw keek triomfantelijk en keerde om naar huis.

Wen Pcheng was nog maar net thuisgekomen, of werd er al op de deur gebonkt. Daar stond de landeigenaar zelf met zijn dienaren! 'Waar is die parel?', riep hij. 'Doorzoek de hut!' Alles haalden de dienaren ondersteboven, er bleef niets op zijn plek. De landeigenaar greep de jongen bij de keel en riep: 'Zeg op, waar is de parel, jij dief!' Maar Wen Pcheng keek de heer slechts aan met stijf op elkaar geperste lippen. 'Best, dan komen jullie morgen voor het gerecht', brieste de landheer en stampend verlieten ze het huis. Ontdaan keek de moeder naar haar zoon, maar wat had hij een vreemde blik in zijn ogen! 'Mijn kind, wat is er met je gebeurd?'

'O, moeder', zei Wen Pcheng, 'toen de landheer mij greep, slikte ik per ongeluk de parel door die ik in mijn mond bewaarde en nu branden mijn ogen zo verschrikkelijk!'

Bronnen

Dit is een Chinese ontstaanslegende van een rivier, die waarschijnlijk van oudsher mondeling is doorgegeven. Het verhaal is in verschillende versies terug te vinden in de literatuur. Deze versie is gebaseerd op de uitgave Chinese Sprookjes (uitgeverij Kluwer, 1969).

'Ik heb zo'n dorst, mama, zo'n vreselijke dorst!', riep de jongen wanhopig en angstig antwoordde de vrouw dat hij naar de waterton moest om te drinken. Die dronk de jongen leeg, maar de dorst was niet te lessen en hij rende naar de rivier om nog meer te drinken. Zijn moeder volgde hem. 'Kind, wat ga je doen?'

'Ik heb zo'n dorst mama!', riep hij, en hij dronk en dronk en tot haar schrik zag de moeder dat de rivier leger en leger werd, tot er een dunne stroom overbleef.

Donkere wolken pakten ondertussen samen, de wind begon woest te waaien. Wen Pcheng werd groter en groter... en plotseling verstijfde de moeder: haar zoon, haar enige zoon veranderde voor haar ogen in een draak! 'Mijn kind!', schreeuwde ze, 'laat mij niet alleen!' Maar Wen Pcheng had al vleugels.

'O lieve moeder, het valt mij zo zwaar om afscheid te nemen', jammerde de zoon. 'Maar ik moet weg, ik voel dat ik ga vliegen!' En bij de eerste vlaag tilde de wind hem al op. Hoger en hoger ging hij, naar de donkere wolken. De gebroken vrouw hief haar armen op en riep: 'Mijn kind! Kijk nog eenmaal om!' En daar viel een straal licht op de draak en hij draaide zich om.

Een traan viel uit zijn brandende ogen naast de rivier. De moeder strompelde langs de rivier en riep steeds: 'Kijk om mijn kind!' En weer viel een traan op aarde. Zo liep de moeder langs de hele rivier en huilde en smeekte. En overal waar haar zoon zich omdraaide en een traan liet, ontstond een meer. En daarom noemen de mensen de meren in de 24 bochten van de Min nog altijd tranen - de tranen van de draak.

Bewaar ze allemaal

Dit jaar bestaat het katern V vijf jaar - 5 maart was onze verjaardag. Om dat te vieren, hebben we fraaie sprookjes verzameld, die we zes weken lang publiceren. Elk sprookje wordt prachtig geïllustreerd door de Rotterdamse kunstenaar Raoul Deleo (1968).

Van de laatste prent van Deleo hebben we ergens in Nederland het origineel verstopt, ter waarde van 4.000 euro. Wie die prent als eerste vindt, mag hem hebben.

De zes sprookjesafleveringen zitten boordevol (cryptische, cijfermatige, associatieve en/of beeldende) aanwijzingen, die naar de vindplaats leiden. U hoeft nergens anders te zoeken: op al die pagina's samen is alles te vinden. De eerste drie afleveringen heeft u dus nog nodig, evenals deze en komende afleveringen.

Wie de schat vindt, is waarschijnlijk een genie. Maar hé, u bent V-lezer.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.